Minder proeven, maar niet minder dieren

Een varken in een hok van een dierenlaboratorium in Nijmegen.Beeld anp

Het aantal dierproeven daalde de laatste jaren al heel licht, maar vorig jaar was er sprake van een significante daling met 10 procent ten opzichte van 2012. Dat blijkt uit het jaaroverzicht van dierproeven van de Nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) dat de Tweede Kamer binnenkort bespreekt.

Het is lastig te zeggen of deze daling komt door de inzet van alternatieven. "Dat is zeker mogelijk, maar het kan net zo goed door bezuinigingen op wetenschappelijk onderzoek of een kleinere vraag van bedrijven aan laboratoria", zegt Martje Fentener van Vlissingen, directeur van het Erasmus Dierexperimenteel Centrum, verbonden aan het Erasmus Medisch Centrum. Volgens haar verdwijnen proefdieren nooit helemaal.

In 1978, het jaar dat dierproeven voor het eerst werden geregistreerd, werden nog ruim 1,5 miljoen proeven uitgevoerd. Daarna daalde het aantal steeds verder, afgezien van een stabilisatie tussen 1999 en 2002.

Fluorescerend kleurtje
Binnen het kankeronderzoek nam het aantal dieren het laatste decennium sterk af. Fentener van Vlissingen: "Door de komst van nieuwe beeldvormende technieken kun je de ontwikkeling van kanker door de tijd in een dier volgen. Door kankercellen een fluorescerend kleurtje te geven, kun je volgen of jouw experimentele behandeling de tumor verkleint. Twintig jaar geleden moest je dan op ieder tijdstip een aantal dieren dood maken en kijken wat de status van de tumor was. Dat hoeft nu niet meer, je kunt meer informatie uit één dier halen."

Maar er zijn ook onderzoeksvelden waar alternatieven zich niet snel zullen aanbieden, zoals bij onderzoek naar hersenaandoeningen. "Een muis kun je genetisch zo modificeren dat hij alzheimer of parkinson ontwikkelt, dat lukt niet met losse cellen of organen." En ook in het kankeronderzoek blijven proefdieren wel nodig, stelt ze. "Je kunt de reacties van een kankercel in een bakje bekijken, maar uiteindelijk zul je toch moeten kijken wat er in het lichaam gebeurt. In een lichaam is ook een immuunsysteem aanwezig, is er contact met andere cellen en zijn er plekken met meer of minder zuurstof."

Beeld Trouw: Michel van Elk | Bron: Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit
Beeld Trouw: Michel van Elk | Bron: Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit

De NVWA houdt ook toezicht op het aantal dieren dat wel wordt gefokt om dienst te doen als proefdier, maar uiteindelijk niet in experimenten wordt gebruikt. Vaak worden deze dieren gefokt om een bepaalde genetische afwijking te creëren. Maar hoe ingewikkelder die afwijking, hoe ingewikkelder het fokprogramma en hoe meer muizen er nodig zijn om een nakomeling met het juiste DNA te krijgen.

In de statistieken
In 2013 werden 574.511 van die 'overschotdieren' gedood, een stijging van 9,5 procent ten opzichte van 2012. Ook het toenemend gebruik van zebravissen voor onderzoek binnen de ontwikkelingsbiologie draagt aan de stijging bij. "De volwassen vissen worden gehouden om eitjes te leggen. Die gebruik je niet voor de proef, maar ze belanden ooit wel in de statistieken", zegt Fentener van Vlissingen.

Staatssecretaris Dijksma zei in februari af te willen van die grote overschotten. Dat hoopt ze onder andere te bereiken door alleen 'centers of excellence' nieuwe mutanten te laten produceren. Daarnaast wil ze fokcoördinatoren aanstellen bij instellingen waardoor er beter zicht komt op het aantal dieren dat op een bepaald moment nodig is. "Met de komst van de nieuwe Wet op de dierproeven, die gisteren door de Eerste Kamer werd aangenomen, zal iedere instelling die dierproeven uitvoert, ook een instantie voor dierenwelzijn moeten opzetten. Door dit soort maatregelen en een heel strakke planning bij het fokken, is denk ik een daling van 10 procent te realiseren", zegt Fentener van Vlissingen.

Ringslangen

In het rapport 'Zo doende 2013' van de NVWA valt één cijfer op: het aantal dierproeven met reptielen nam met 491 procent toe. In 2012 deden onderzoekers 92 experimenten met reptielen, vorig jaar waren dat er 544. Van die proeven werden er 387 uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam. Navraag bij de universiteit leert dat het om ringslangen gaat. De wetenschappers brachten de genetische variatie, migratie, kolonisatie en populatiestructuur van deze kwetsbare soort in Nederland in kaart. De slangen werden in het wild gevangen om bloedmonsters en/of wangslijmvlies af te nemen en daarna weer vrijgelaten. Het onderzoek duurde een aantal jaren, maar het totale aantal dieren is in één keer geregistreerd bij afsluiting van het project.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden