Minder loon: prima, maar dan de collega’s ook

Nederland weet zich geen raad met de hoogste inkomens. Volgens idealisten zou de eer van een hoge functie het moeten winnen van het grote geld. Want de balans tussen geld en status is nog zoek.

’Now look at all them yo-yos, that’s the way you do it. (...) Money for nothin’ and chicks for free”, zo verwoordde de band Dire Straits in de jaren tachtig het ongenoegen over mensen die met een ogenschijnlijk luizenbaantje een hoop geld verdienen, terwijl de gewone man voor een hongerloontje elke dag koelkasten en kleurentelevisies versjouwt. „Kijk eens naar dat stelletje, zo doe je dat. Geld voor niks en meiden bij de vleet.”

Dat onderbuikgevoel is van alle tijden, zo blijkt ook in Nederland. In alle opwinding over uit de hand gelopen salarissen van managers bij semi-overheden als energiebedrijven kwam een commissie onder leiding van de VVD-prominent Hans Dijkstal deze week met een nieuwe poging om hoge beloningen onder controle te krijgen. Dijkstal stelt verschillende regimes voor, waarbij de regels het strengst zijn bij de directe overheidsdiensten. Ze worden minder streng naarmate er minder belastinggeld mee is gemoeid.

Wat vooral opvalt aan het voorstel van Dijkstal, is dat het enorm ingewikkeld is. De politiek lijkt zich gewoon geen raad te weten met de problematiek. De commissie-Dijkstal lijkt dan ook niemand echt tevreden te hebben gesteld.

Sommigen vinden het hoe dan ook allemaal gezeur. „Toen president Bush binnenlands in de problemen kwam, begon-ie een oorlog in Irak. Bij ons zit de PvdA in de problemen, en daarom beginnen ze weer eens over de topinkomens, bij wijze van afleiding”, smaalt Harry Mens, makelaar en presentator van Business-Class, een tv-programma voor en door succesvolle managers.

„Natuurlijk vind ook ik dat managers soms veel te veel verdienen”, zegt Mens. „Numico-topman Jan Bennink, bijvoorbeeld, die 81 miljoen kreeg bij de overname van Numico door Danone. Dat vind ik buitenproportioneel. Aan de andere kant: Hij heeft het slim gespeeld, dus dan gun ik het hem tóch. Als je middenin het leven staat, moet je realistisch zijn en daarom zeg ik: Gun die mensen hun winst, hef daar gewoon belasting op en laat daarvan de lantaarnpalen branden. Want vaak wordt vergeten dat die mensen ook een hoop belasting betalen. En als je een grote auto rijdt, weet je wel wat je daarvoor moet afdragen?”

Daarmee stelt Mens zich lijnrecht op tegenover Dick Pels, socioloog aan de Universiteit van Amsterdam. Pels gruwt van de hoge beloningen voor managers en vindt dat Dijkstal veel verder had moeten gaan. „Het beloningssysteem is volledig uit de hand gelopen”, vindt hij. „Prestatie en beloning moeten enigszins met elkaar in overeenstemming zijn, en dat is nu absoluut niet meer het geval. De overheid zou gewoon een maximum moeten stellen aan wat je kunt verdienen.”

Volgens Pels zijn extreem hoge inkomens de pest voor de maatschappij. „De heerschappij van geld heeft perverse aspecten. Er ontstaat een sfeer van ’zij wel en ik niet’ en wie veel verdient, wil op termijn alleen nog maar meer verdienen. Ik ben een voorstander van een sociale meritocratie, dus een maatschappij waarin je wordt beloond naar je werkelijke verdiensten. Daarvan zijn we helaas nog heel ver verwijderd.”

Als het aan Pels ligt, wordt het maximumsalaris in Nederland door de politiek vastgesteld op tien keer het minimumloon, waardoor de hoogstbetaalden op pakweg 160.000 euro bruto per jaar zouden uitkomen. „De politiek zou dat moeten doen voor de overheid en ook zeker voor de semi-overheid, bijvoorbeeld de energiebedrijven waar ongelofelijk veel wordt verdiend. Dat moet ertoe leiden dat ook het bedrijfsleven zich aangesproken gaat voelen. En om ze daar op weg te helpen, zou je het belastingtarief flink kunnen verhogen en vanaf een miljoen euro gewoon honderd procent belasting moeten heffen. Sommigen vinden dat je het bij zo’n honderd-procentstarief aan de belastingplichtige moet overlaten om een goede publieke bestemming voor het geld aan te wijzen, maar daar zie ik persoonlijk geen enkele reden voor. Dat moet de overheid gewoon beslissen.”

Harry Mens en Dick Pels zijn in dit debat elkaars ultieme tegenpolen. Mens rechtvaardigt de topinkomens op een economische manier: Als de markt ’zo gek’ is om het te betalen, waarom mag je het dan als manager niet incasseren? Pels doet een beroep op de moraal: De mens zou zijn werk om andere redenen moeten doen dan om het geld, namelijk omdat hij het leuk en zinnig vindt.

Kees Cools, hoogleraar bedrijfsfinanciering aan de Rijksuniversiteit Groningen en partner bij het adviesbureau The Boston Consulting Group, slaat een brug tussen beide argumenten. „Om topinkomens economisch te rechtvaardigen, hoef je slechts te kijken of de beloning marktconform is. Is dat niet zo, en krijgt een manager veel meer dan zijn collega’s in een soortgelijke functie, dan is dat economisch niet verantwoord”, zegt hij. Dat is de ’onzichtbare hand’, zoals Adam Smith die al in de achttiende eeuw beschreef. In de pure markt handelen mensen uit eigenbelang en krijgen dingen een prijs omdat vraag en aanbod min of meer automatisch met elkaar in evenwicht komen.

Maar, betoogt Cools, er is niet één markt voor topmanagers. „In alle opwinding vergeet men vaak dat er heel verschillende soorten topbanen zijn. Neem de ’vrije jongens’ in het bedrijfsleven. Dat zijn de onafhankelijke ondernemers die verreweg het meest verdienen en waar niemand het over heeft. Frits Goldschmeding is daar een goed voorbeeld van. Hij werd miljardair met de oprichting en ontwikkeling van Randstad en mensen vinden dat prachtig.”

Een andere categorie zijn de ’goedbetaalde personeelsleden’, de topmensen van beursgenoteerde ondernemingen vooral. „Zij zijn in principe gewoon werknemers, maar hadden toch vaak veel invloed op hun beloning, bijvoorbeeld omdat ze veel invloed hebben op de benoemingen van de commissarissen. Onafhankelijkheid en een rechte rug van de raad van commissarissen zijn daarbij cruciaal. De raad is ook verantwoordelijk voor een goede relatie tussen beloning en prestatie.”

En dan zijn er de overheidsdienaren. „Hun salaris is het geld van u en mij”, zegt Cools. „Dus van mensen waarvan 95 procent aanzienlijk minder verdient dan een topambtenaar. ’Waarom zou ik met mijn geld zo’n salaris betalen?’, vragen mensen zich dan af. Maar méér verdienen dan Balkenende, zoals sommige bestuurders van staatsbedrijven doen, is in het bedrijfsleven helemaal niet ongewoon. Door hun specialisme of de schaarste van hun beroep zijn er vooral bij financiële instellingen tientallen mensen die meer verdienen dan hun bestuursvoorzitter.”

Omdat functies slechts moeilijk met elkaar zijn te vergelijken, vindt Cools de Balkenende-norm een slecht idee. De gedachte achter deze norm is dat niemand bij de rijksoverheid meer zou mogen verdienen dan ’s lands hoogste baas. In dat geval zou een salaris van circa 170.000 euro, namelijk het toekomstige loon van een Nederlandse premier, het absolute maximum moeten zijn. Overigens pleit de werkgeversorganisatie VNO-NCW daarom al jaren voor verhoging van het loon van de minister-president. „Maar je kunt het loon van de regeringsleider maar aan één markt toetsen, namelijk de markt voor regeringsleiders”, zegt Cools. „Op die markt zijn de financiële voordelen laag in vergelijking met vele topfuncties in het bedrijfsleven, maar dankzij de status en de eer is het tóch interessant en leuk om premier te zijn.”

Cools heeft deze afweging tussen geld en status eens voorgelegd aan dertig topmanagers in het bedrijfsleven. „Ik vroeg of ze hun werk ook zouden willen doen voor de helft van het geld. Meer dan 80 procent zei ja, mits de andere topmanagers eveneens met minder genoegen zouden nemen.” Dat versterkt de opvatting van Cools dat het bij hoge lonen niet alleen om het geld gaat. „Binnen zekere grenzen maakt het niet uit hoe veel je verdient, zolang je maar het gevoel hebt dat je collega hetzelfde, een beetje minder of hooguit iéts meer krijgt.”

Nu de meeste topinkomens op straat liggen, kunnen managers als nooit tevoren kijken wat de financiële perspectieven van hun beroepsgroep zijn. De socioloog Dick Pels is groot voorstander van deze openbaarheid, in de hoop dat de publieke verontwaardiging topmanagers aan hun geweten doet knagen. „Er is nog veel geheimzinnigheid rond hoge inkomens, zoals bij sommige presentatoren bij de publieke omroep. „Ik verklaar dat als een slecht geweten. Uiteindelijk weten zij ook wel dat het eigenlijk niet klopt.”

Maar Cools stelt dat transparantie een averechts effect heeft op de hoogte van de topinkomens, juist omdat managers naar managers kijken. „Managers die gewoonlijk tevreden zijn met hun loon, worden ontevreden op het moment dat ze zien dat collega’s veel meer verdienen. En dat kan de salarissen eindeloos opdrijven.”

Hij legt het uit: „Als je het meest eerlijke salaris wilt bepalen, dan moet je eigenlijk uitgaan van wat statistici de ’mediaan’ noemen. Dat is het getal waar de ene helft van de salarissen onder zit en de andere helft boven. Maar zodra managers zouden zien dat hun salaris tot de lagere beloningen behoort, willen ze de mediaan en gaat die mediaan dus omhoog. Zo zullen de gemiddelde lonen dus eindeloos blijven stijgen.”

Dat klinkt theoretisch, maar Cools ziet het ook in de praktijk. „Bij de Rabobank is besloten om de beloningen van managers niet bekend te maken. Die managers worden door de buitenwereld dus niet aangesproken op de mediaan. In de Verenigde Staten zie je dat een te laag loon mensen in verlegenheid kan brengen. In India was vier keer het minimumloon ooit het maximaal toegestane salaris. Maar toen een bevriende Indiase topmanager in de Verenigde Staten ging werken moést hij zijn salaris wel verhogen, want iedereen vroeg hem ’Als jij zo slim bent, waarom verdien je dan zo weinig?’. Als iedereen ziet wat je verdient, loop je met een relatief laag salaris het risico voor sukkel te worden uitgemaakt. Dat wil niemand.”

Dat is precies de cultuur die Dick Pels vreest. Volgens hem is de balans tussen geld en status ook in Nederland totaal doorgeslagen naar het geld. „Je zou een hoge functie moeten doen voor de eer en je goede naam. Als je echt vindt dat je meer geld waard bent, dan zou ik zeggen: Rot dan op! Talent wordt je gegeven, je hebt het in bruikleen, en je hebt je kansen te danken aan tal van factoren waar je geen invloed op hebt: je ouders, de geschiedenis, vrede... Dat zou je moeten teruggeven aan de maatschappij. Als rijkdom werkelijk is gebaseerd op verdienste, heb ik geen bezwaar. Maar ik geloof niet dat je ooit kan bewijzen dat je het echt allemaal zelf hebt gedaan.”

Toch even een provocerende vraag: Heeft Pels niet gewoon een hekel aan rijke mensen? „Oh nee, dat klinkt alsof ik jaloers zou zijn. Het is een rechtvaardigheidsgevoel. Matiging is een belangrijk moreel gegeven in de economie. Persoonlijk ben ik niet zo geïnteresseerd in geld, ik heb er ook niet zo veel van. Maar prestatie en ambitie spreken me zeer aan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden