Minder kunstenaars en 'betere' kunst?

De afschaffing van de Beeldende Kunstenaars Regeling in de jaren tachtig heeft anders dan wat destijds werd voorspeld, geen negatief effect gehad op de omvang van de groep beeldende kunstenaars. Wie dat had gedacht, was ook een beetje naef; alsof kunstenaars zich het recht op kunst te maken laten afnemen door het achterwege houden van een financiele regeling.

Misverstand nummer een in die tijd was dat het maken van kunst als een beroep werd gezien, een vak dat zich laat reguleren door ingrepen van bovenaf. Wie kunst schept, laat zich niet leiden door geldelijke overwegingen, al is het natuurlijk prettig dat daar, van welke kant dan ook, een zeker succes tegenover staat. Een goede expositie-verkoop, een subsidietoekenning, of een prijs om enig financieel gewin te noemen, vormen een stimulans om te denken dat je als kunstenaar op de goede weg bent.

Dat misverstand als zouden kunstenaars een beroepsgroep vertegenwoordigen, dook afgelopen week weer op tijdens het symposium 'Kunstenaar en bijstandswet' in Apeldoorn. Daar stelde directeur Geert Dales van het Fonds voor de Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst de vraag of er in Nederland teveel beeldende kunstenaars zijn. Als er over andere beroepsgroepen kan worden gediscussieerd - huisartsen of boeren - dan kan er toch ook over omscholing van beeldende kunstenaars worden gesproken? En er zijn veel kunstenaars, te veel volgens Dales.

Je mag aannemen dat hij weet waar hij het over heeft; de directeur van het subsidiefonds krijgt dagelijks een inzicht wat er in dit land aan kunst wordt geproduceerd. Adviseurs van het fonds geven aan de hand van het getoonde werk een kwaliteitsoordeel op grond waarvan een individuele beurs kan worden verstrekt. Met het verstrekken van dergelijke beurzen kan het Fonds de kunst, de vormgeving en de bouwkunst bevorderen: aankomende kunstenaars krijgen een opstapje, voor anderen betekent het vaak een bevestiging van datgeen waarmee ze bezig zijn.

Het instrument van de subsidiering zal waarschijnlijk het aantal beeldende kunstenaars eerder bevorderen dan doen afnemen. Dat is indirect ook de bedoeling: het verbeteren van het niveau van de kunsten staat voor op.

Wat Dales nu wil, komt neer op het hanteren van het instrument van de subsidiering om het aantal kunstenaars te verkleinen. Dat betekent een belangrijke verandering in de opzet tot nu toe. Met enig rekenwerk komt Dales uit op een aantal van 12.000 kunstenaars in dit land. Hij vindt dat veel, zeker in vergelijk met het buitenland. Slechts een klein deel daarvan kan zich zelfstandig voorzien in zijn levensonderhoud, een groot deel doet beroep op bijstandsuitkeringen. Dat deel omvat naar schatting 6 - tot 7000 kunstenaars. Als straks de nieuwe Algemene Bijstandswet intreedt, dan zullen veel kunstenaars gedwongen worden om zich te laten herscholen voor een andere baan.

Dat moet dan maar gebeuren, vindt Dales. Hij denkt vervolgens dat een kleine helft, zo'n 3000 kunstenaars, voor een beurs van het Fonds in aanmerking zou kunnen komen. Niet dat Dales een onderzoek naar die groep van 7000 bijstandstrekkers heeft ingesteld -het is juist het wezen van de Bijstand dat ze niet naar de kwaliteit van het aangeboden werk kijkt; hij schat dat in op grond van vergelijkingen met het buitenland, de marktsituatie, het streven naar hoge kwaliteit en de behaalde kwaliteit van de kunstproduktie. In zoverre zie je daar weer een terugkeer naar de normen die ooit bij de BKR werden gehanteerd: voor dat deze regeling uitgroeide tot een vorm van sociale bijstand werden er wel degelijk kwaliteitscriteria gesteld.

Dales wil echter geen herinvoering van de BKR, maar ziet zijn Fonds als de aangewezen instelling om het aantal kunstenaars te beperken tot een hanteerbare groep die kwaliteit hoog in zijn vaandel zal schrijven. Overigens: volgens Dales is daar niet meer geld voor nodig dan er op dit moment in het subsidie- en bijstandscircuit rondgaat. Het is echter de vraag of het Fonds de goede instelling is om het aantal kunstenaars te beperken. Restrictie van de groep kunstenaars betekent niets minder dan kunstbeleid. Het Fonds zal dan voortaan uitmaken, niet wie goede kunst maakt (daar zijn wel criteria voor te vinden), maar wie goede kunst mag maken. Wie dat straks niet mag en dus niet kan, is verplicht een baan te zoeken en moet in zijn vrije tijd aan de slag.

Nu zijn er bekende kunstenaars die hun leven lang een gesalarieerde baan hebben gehad en inderdaad in hun vrije tijd kunst maakten (Jan Schoonhoven en Jopie Moesman zijn er goede voorbeelden van), maar je hoeft niet te verwachten dat iemand die net de kunstacademie heeft afgelopen, nu maar meteen een andere studie moet aanvangen omdat er voorlopig geen brood zit in het maken van kunst. Het aardige van het beurzensysteem bij het Fonds is dat het mensen in staat stelt om een periode van een jaar te kunnen werken zonder de noodzaak aan die boterham te denken.

Wie straks is omgeschoold en een heel andere baan heeft, hoeft trouwens geen beurs meer aan te vragen, die stopt eenvoudig met kunst te maken, anders dan als liefhebberij. Het heeft, realistisch gedacht, dus ook geen zin om nog naar de kunstacademie te gaan, als bekend is dat alleen de hoogste kwaliteit ooit voor erkenning in aanmerking zal komen. Niemand die dat weet na vier jaar kunstzinnige studie, het Fonds zal hier als scherprechter optreden.

Een opleiding die leidt tot tijdverlies, daar zal niemand voor voelen. Academies kunnen nu al beter gaan sluiten; wie gaat daar nog naar toe als hij toch weet dat ie straks naar ander werk moet uit kijken? Ook daar wordt dus indirect kunstbeleid mee gevormd. De plannen van Dales, mede ingegeven door een verandering in het sociaal stelsel, zullen snel effect hebben op het kunstveld. Werd kunst al (ten onrechte) beschouwd als een elitair verschijnsel, kunst maken is straks voorbehouden aan een geselecteerde groep die een kwaliteitsstempel krijgt opgedrukt waaraan hij zijn status kan ontlenen. Minder kunstenaars: het zal stil worden in de galeries. En meer 'betere' kunst? Is de kunst van dit moment dan zo slecht?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden