Miljoenen gnoes

Natuurfilms over Afrika laten hongerige leeuwinnen zien, luipaarden, krokodillen en hyena's. Milieuhistoricus Wybren Verstegen betoogt dat die 'maagdelijke wildernis' pas aan het eind van de 19de eeuw ontstond door de runderpest die Italiaanse kolonisten naar Afrika brachten en die aan vijfeneenhalf miljoen Afrikaanse runderen het leven kostte. 'Na de pest kwam de bush.'

Morgen, op 1 oktober, zendt het Wereldnatuurfonds een nieuwe spectaculaire film uit over één van de beroemdste wildparken in Afrika: de Serengeti in Tanzania. Voor de trouwe donateurs heeft het WNF 1800 vip-kaarten klaar liggen die toegang geven tot de film en een vragenuurtje achteraf met de Nederlandse makers: Manfred Poopenk, Hugo van Lawick en Anton van Munster. Ook de jonge donateurs van het WNF, de Rangers, zijn nadrukkelijk uitgenodigd. Wij zullen weer toeschouwer kunnen zijn van jagende, slapende en parende roofdieren en van miljoenen gnoes die over het scherm denderen: op zoek naar weidegrond, wadend door rivieren, opgejaagd, lastiggevallen en verscheurd door hongerige leeuwinnen, luipaarden, krokodillen en hyena's. Zo worden de jeugd de harde wetten van, en de liefde voor de natuur bijgebracht.

De Serengeti, één van de grootste natuurparken in de wereld, staat zwaar onder druk. De bevolking groeit, de boeren rukken op, zoeken immer nieuwe weidegronden en inmiddels kun je in de Serengeti foto's maken van neushoorns met de flats van de buitenwijken van Nairobi op de achtergrond. Om de natuur in Afrika beter te kunnen beschermen, moeten daarom hele volksstammen opgroeien met filmbeelden uit dit wildpark. De populariteit van het gebied houdt de hoogstnoodzakelijke stroom donateursgelden op gang en de politiek op scherp.

De Serengeti is maar één van de vele wildparken in het gebied ten zuiden van de Sahara. Iedereen steekt de loftrompet over de rijkdom en de uitgestrektheid van de natuur in de voormalige Europese koloniën Zambia, Kenia, Tanzania, Zuid-Afrika, Namibië en Malawi. Het werelddeel is volgens het WNF een 'schatkamer van de natuur'. De naam van de Serengeti roept 'kleurrijke visioenen op van maagdelijke wildernis en het verlangen naar ongerepte natuur dat we allemaal koeseteren'. De titel van de aangekondigde film, 'Playing savage in paradise', ligt geheel in de lijn van deze idealisering van Afrika.

Het visioen van het wilde spel in het paradijs is echter bedrieglijk. De 'maagdelijke natuur' van Afrika is namelijk voor een belangrijk deel het product van een ecologische ramp die zijn weerga niet kent in de geschiedenis. Het was bovendien historisch gesproken een recente ramp, die zich niet veel langer dan een eeuw geleden voltrok door toedoen van de Europese kolonisatoren. Die ramp heette de runderpest. De runderpest had in de 18de eeuw grote delen van de Europese veestapel weggevaagd en vele boeren, vooral in de weidegebieden (en met name die in Holland en Friesland) geruïneerd. Maar Afrika ten zuiden van de Sahara was, in tegenstelling tot Europa, nimmer bezocht door het uit de Aziatische steppe stammende dodelijke virus. De enorme woestijn in het noorden was het schild waarachter het zuiden van het continent eeuwenlang veilig was, want kamelen geven het virus niet door.

De situatie veranderde met de komst van een Italiaanse expeditie in de Hoorn van Afrika in de jaren tachtig van de 19e eeuw. De Italianen waren via de Rode Zee met een boog om de Sahara heen gevaren en brachten met de ontscheping van hun levende have de ziekte ten zuiden van de zandige barrière: In 1887 heerste de runderpest in Eritrea, in 1888 in Ethiopië en via de ossenroutes in Soedan en Tsjaad sloeg de ziekte over naar het zuiden en westen. Na vijf jaar bereikte de ziekte de Atlantische kust, na tien jaar Zuid-Afrika. Zo'n 5,5 miljoen runderen stierven. In sommige streken bedroeg de sterfte onder de runderen wel 95 procent! Een Britse officier die het gebied bezocht, zei: 'Er waren zoveel kadavers dat de gieren het vliegen verleerd waren'.

De enorme sterfte onder het vee viel ongelukkigerwijze in dezelfde tijd dat grote delen van Afrika geplaagd werden door droogte en sprinkhanen. Vee werd in veel streken gebruikt als 'spaarpot' in tijden van nood. Als de oogsten tegenvielen, kon het vee worden verkocht. Maar door de pest was de 'spaarpot' plotseling leeg en kwam er honger en zelfs oorlog. Bij de Masai bijvoorbeeld, die leven in en nabij de grote wildgebieden in Oost-Afrika, leidde de massale sterfte tot een serie oorlogen om het overgebleven vee. Tweederde van deze etnische groep kwam om. De 'enkidaaroto', de 'vernietiging' van 1891, wordt nog altijd verhaald in de folklore van de Masai.

Uit andere gebieden, zoals Nigeria, zijn er de verhalen van stammen waar de veeboeren op grote schaal zelfmoord pleegden of volledig verdwaasd door de bossen liepen, roepend om hun verdwenen dieren. Voor de Zoeloes in het zuiden van het continent betekende de runderpest een gedwongen mars naar het zuiden: naar de goudmijnen van Witwatersrand in Zuid-Afrika.

In de zeer pessimistische visie van Fred Pearce in de New Scientist van 12 augustus, veegde de ziekte de Afrikaanse civilisatie volledig van de kaart. "Eerst waren er ontwikkelde koninkrijken, sommige zelfs met een marine, er was kunst, muziek, een ontwikkelde hofetiquette, internationale handel. Na de pest kwam de 'bush'." Afrika was al eens eerder, vóór de komst van de runderpest, blootgesteld aan veeziektes en honger, maar de schaal waarop de runderpest toesloeg was wel ongekend.

De dubbele ramp van runderpest en droogte betekende een forse steun in de rug voor de Europeanen die na het Berlijnse koloniale congres in 1885 ijverden voor opdeling van het 'donkere continent' tussen de grote mogendheden. Het succes van de blanke kolonisatie wordt doorgaans toegeschreven aan de westerse militaire superioriteit. De bekende Times- atlas van de wereldgeschiedenis noemt het machinegeweer 'de dienstmaagd van de opdeling van Afrika'. Maar vermoedelijk was de runderpest een minstens zo onmisbare bondgenoot. Zelfs in hun gedecimeerde toestand wisten de krijgshaftige Afrikaanse volkeren het de blanken nog wel eens moeilijk te maken. De koloniale geschiedenis van Afrika van de conferentie van Berlijn tot de Eerste Wereldoorlog telde enkele tientallen ten onrechte in de vergetelheid geraakte forse opstanden, zoals het jarenlange verzet van de Bunyoro ten noorden van het Victoriameer tussen 1890 en 1898, of de opstand van de Matabele en Mashona in Rhodesië, die soms slechts met grote moeite konden worden onderdrukt.

Zonder de runderpest zou de blanke kolonisatie wellicht veel moeizamer zijn verlopen. Zo werden Tanzania en Zambia vrijwel zonder slag of stoot veroverd, om de eenvoudige reden dat er veel minder mensen waren om weerstand te bieden en omdat militaire leiders ontbraken. Aristocraten wier macht en prestige steunde op hun veebezit, schrijft Pearce, waren van hun troon gevallen.

Herstel van de ellende die de runderpest en de droogte hadden aangericht, was maar ten dele mogelijk. De honger had vooral de oudsten en de jongsten getroffen en de vruchtbare volwassenen grotendeels gespaard zodat de bevolking snel kon aangroeien. In 1910 was de bevolking in Kenia de klap wel weer te boven, maar met het tijdelijk verdwijnen van het vee in de tussenliggende jaren, waren inmiddels grote gebieden permanent voor de mens verloren gegaan omdat plotseling de tse- tse vlieg vrij spel had gekregen. Dit insect, dat de beruchte slaapziekte overbrengt, belemmert de gezondheid van mens en dier in hoge mate. Vroeger, voor de runderpest, hielden de runderen zélf de vlieg onmachtig, met grazen. Dit perkte de lage bebossing in waar de tse-tse vlieg van afhankelijk is. Met het stoppen van het grazen, kwam de 'bush' op en heroverde de vlieg letterlijk terrein zodat de veestapel van zijn vroegere weidegronden beroofd werd. De opmars van de 'bush' voltrok zich razendsnel. In een paar jaar verdween de weidegrond en maakte plaats voor struikgewas.

Het gebied waar de tse-tse vlieg heerst, nam in het stroomgebied van de Zambezi en de Limpopo als volgt toe. De runderpest brak hier uit in het midden van de jaren negentig van de 19de eeuw. De tse-tse vlieg was er toen nog vrijwel onbekend. In 1913 beheerste het insect een gebied van 5 600 vierkante kilometer, in 1930 maar liefst 47 000 vierkante kilometer. Binnen een halve eeuw werd hier een gebied groter dan Nederland onbewoonbaar. De slaapziekte, voor de 20ste eeuw onbekend in Oost-Afrika, decimeerde de bevolking. Alleen al in Oeganda stierven in het begin van de 20ste eeuw vier miljoen mensen bij het eerste aantreden van de slaapziekte. Na aids is de slaapziekte nog altijd de grootste plaag die het continent onderontwikkeld houdt. Cynici hebben de tse-tse vlieg daarom bestempeld als 'de beste natuurbeschermer van Afrika'.

Met de opmars van de tse-tse vlieg, kwam veel meer grond vrij voor het wild. Mens en wild hadden eeuwenlang in onmin met elkaar geleefd in wat nu de grote Afrikaanse natuurgebieden zijn. Dat gold met name voor de olifanten. Veeboeren én landbouwers in Oost- en Zuid-Afrika hebben altijd al op voet van oorlog moeten leven met de grootste landzoogdieren die regelmatig hun velden kwamen plunderen. In de halve eeuw voorafgaand aan de runderpest waren de grote olifantenkuddes evenwel door de grootschalige ivoorhandel ernstig in hun voortbestaan bedreigd en wonnen de boeren terrein. Maar dankzij de runderpest kregen vanaf het einde van de 19de eeuw de olifanten meer ruimte. Ook het andere wild brak uit zijn ingeperkte leefgebied en zwermde uit. Wat de Europeanen vervolgens aantroffen was voor een deel inderdaad 'maagdelijke natuur'; maar dan in de betekenis van jong en schoon.

Verstoken van veehouders werd de kersverse natuur in Afrika een ideaal jachtterrein en de perfecte omgeving om Europese romantische idealen omtrent de 'oorspronkelijke natuur' op te projecteren. De Europeanen dachten in Afrika te maken te hebben met wat in de ecologie bekend staat als een 'climax-systeem': de hoogste ontwikkelingsfase van een natuurgebied. En om die natuur te handhaven, moesten de oorspronkelijke bewoners eruit worden gehouden. De 'held' van de Serengeti uit de jaren viftig, de Duitse bioloog Bernhard Grzimek, schrijver van de internationale bestseller 'Serengeti shall not die', was een vurig pleitbezorger van het op afstand houden van de Masai 'die in hoog tempo het land verwoesten'. Maar in het oorspronkelijke Afrika van voor de kolonisatie hadden zij alle ruimte gehad.

Het is wat kras gesteld, maar Afrika zoals wij het kennen, als schatkamer van de natuur, zegt Pearce, is een mythe; een Europese uitvinding.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden