Miljarden euro's aan opleidingsgelden, maar werpt het allemaal ook vruchten af?

Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen niet veel meer dan 'een steuntje in de rug'

Het is crisis: de werkloosheid onder jongeren is groot en het regent ontslagen. In die context zijn dertig jaar geleden de Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen (O&O-fondsen) opgericht. Doel: scholieren aan stageplaatsen helpen en mensen die al een baan hebben bijscho- len.

Alle bedrijven in een branche worden via de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) verplicht om een percentage van de totale loonsom af te dragen aan een scholingsfonds. Gemiddeld ligt dit nu op 0,67 procent. Op deze manier worden de opleidingskosten gespreid over alle ondernemingen binnen een branche. Bovendien wordt zo het risico afgedekt dat een werknemer een dure opleiding volgt en vervolgens naar een beter betalende concurrent vertrekt die niet in de ontwikkeling van personeel investeert. Iedereen in de branche betaalt immers mee.

Maar al snel gaan geluiden op dat er ook andere dingen moeten worden betaald met het geld van de fondsen. Zo zouden sectoren geholpen kunnen worden die springen om personeel. In de jaren negentig wordt er voor het eerst gesproken over persoonlijke opleidingsplannen en over persoonlijke budgetten die een werknemer kan gebruiken. Maar de werkgevers stellen zich in onderhandelingen met de vakbonden behoudend op. Ze willen niet meer betalen aan de O&O-fondsen en willen ook niet dat hun 'investering' daarin wegvloeit naar een andere sector.

Er bestaan inmiddels ruim honderd O&O-fondsen - hoeveel het er precies zijn, weet niemand - die samen jaarlijks zo'n 1 miljard euro uitgeven aan scholing. Ondanks het vele geld dat er omgaat, is er weinig onderzoek naar het effect van de O&O-fondsen gedaan. Uit een inventarisatie eind jaren negentig blijkt dat verreweg de meeste bedrijven scholing zo belangrijk vinden dat ze die zelf willen bekostigen. Een fonds is eigenlijk niet nodig. Zelf betalen scheelt ook administratieve rompslomp.

Het zijn de tijden waarin de O&O-fondsen hun geld gaan vastleggen. Er is sindsdien veel irritatie over die reserves, al weet niemand precies om hoeveel euro's het gaat.

In 2009 telt het ministerie van sociale zaken dat vijftig van de ruim honderd fondsen samen 540 miljoen euro aan reserves hebben. De pot lijkt nu minder vol.

De bouw had vijf jaar geleden nog 160 miljoen euro aan scholingsgeld belegd bij de Rabobank. Inmiddels heeft de sector bijna de helft van de bank gehaald om tijdens de crisis aan de vraag naar scholing te voldoen. Toch heeft het O&O-fonds voor de bouw nog altijd 88 miljoen euro aan reserve.

Wordt het geld dat de fondsen uitgeven goed besteed? In een recent rapport stelt het Expertisecentrum Beroepsonderwijs (Ecbo) dat het moeilijk is om de effectiviteit en het rendement te beoordelen. Dat komt deels doordat de O&O-fondsen maar een klein deel van de totale scholing van werknemers voor hun rekening nemen.

Daarbij zijn er grote onderlinge verschillen. Het ene fonds steekt alleen geld in bestaande opleidingen, terwijl het fonds in de technische sector onder meer probeert om nieuwe mensen te lokken en zich bezighoudt met de verbreding van kennis van werknemers.

De technische bedrijven lijken voorop te lopen met samenwerkingsinitiatieven. Zo wordt de Stichting Techniektalent gefinancierd door een achttal fondsen: die van de metalektro, de metaalnijverheid, de installatietechniek, de branche van motorvoertuigen en tweewielers, de carrosseriebranche, de isolatiebranche, de goud- en zilversmeden en de procesindustrie.

Deze scholingsfondsen hebben de handen ineengeslagen om iets te doen aan het tekort aan mensen in de sector. Het zijn allemaal technische bedrijfstakken, waardoor het geld binnen de branche blijft. Er zijn meer sectoren die denken over een andere besteding van de O&O-gelden, maar de meerderheid blijft hier vooral leerbanen en bijscholingscursussen uit financieren.

In branches die geen O&O-fondsen beheren, volgt het personeel overigens meestal ook opleidingen, weet het Expertisecentrum Beroepsonderwijs. Vaak wordt dan de afspraak gemaakt dat werknemers de kosten voor die opleidingen (deels) terug moeten betalen als ze binnen een bepaalde tijd het bedrijf verlaten.

Volgens het Ecbo zou de scholing ook zonder het geld uit de fondsen wel hebben plaatsgevonden. Het gaat immers meestal om cursussen waar echt behoefte aan is, met of zonder financiering. Het sectorfonds is dan niet meer dan 'een steuntje in de rug'.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden