Mike Scott / Mens, ken uzelf

Mike Scott (Edinburgh, Schotland, 1958), is muzikant. In 1983 richtte hij The Waterboys op. De band had veel succes met de albums A Pagan Place uit 1984 en This Is The Sea uit 1985.

Scott bracht ook twee soloplaten uit, maar in 2000 waren The Waterboys weer bij elkaar. Eind maart 2007 verschijnt hun negende studioalbum: ’Book of Lightning’.

I.

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Mijn eerste spirituele ervaring had ik bij het lezen van ’The Chronicles of Narnia’ van C.S. Lewis. Lewis is vaak omschreven als een christelijke schrijver, maar ik heb altijd het gevoel gehad dat hij – een wijs en hoogstaand wezen – iemand was die wellicht met een christelijk filter schreef maar uiteindelijk toch boven die religie uitsteeg. Ik kreeg door het lezen van zijn Narnia-boeken het vermoeden dat God liefde moest zijn. Ik kom voort uit een cultuur waarin sprake is van een gescheiden bewustzijn – songs als ’Everlasting Arms’ en ’What Do You Want Me To Do’ zijn daar nog sterk op geënt – maar ik train mezelf om niet langer op die manier te denken. Het goddelijke huist in iedereen. We maken allemaal deel uit van dezelfde God.”

II

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Ik heb nooit een idool willen worden. Ik ben in dit vak terecht gekomen omdat ik wilde voelen wat de mensen die mij hebben geïnspireerd voelden toen zij hun nummers schreven. Wat ging er door Dylan heen toen de genialiteit van het nummer ’Blowin’ In The Wind’ in hem neerdaalde? Dát wilde ik weten, naar die ervaring zocht ik. Dat ik uiteindelijk ooit nog eens samen met Dylan zou spelen was prachtig maar het was eerder een bijkomstigheid dan een doel. Natuurlijk wilde ik dat zoveel mogelijk mensen naar mijn muziek zouden luisteren – dat wil ik nog steeds. Ik word aangemoedigd, voortgestuwd door hun reacties, geïnspireerd tot het schrijven van nieuwe songs maar* we komen hier in diep water terecht* hoe zit dat precies, met erkenning? Wanneer is het genoeg? Wanneer wordt die aandacht een verslaving? Ik moet blijven zoeken naar de balans. Ik wil een groot publiek, maar ik wil ook de baas over mijn eigen leven blijven.

In 1985 maakte ik ’This Is The Sea’, een album dat heel goed werd ontvangen. Iedereen om mij heen wilde dat ik doorging met waar ik mee bezig was, ik moest nóg zo’n plaat maken, het succes lag voor het grijpen. Maar ik had er geen zin in. Steve Wickham, de violist, was net bij de band gekomen en ik wilde liever countrymuziek gaan maken. Om de soevereiniteit over mijn beslissingen te kunnen bewaren, moest ik uit de beïnvloedingssfeer van al die mensen – de jongens van de platenmaatschappij, mijn manager, mijn toenmalige vriendin, zelfs een paar leden van de band – zien te geraken. Ik vertrok naar Ierland – een vrolijke, prachtige plek – waar ik nieuwe plannen kon maken. Volgens de mensen die ik achterliet had ik de kans om een ’echte popster’ te worden laten lopen, maar voor mij was het recht om mijn eigen gang te gaan veel belangrijker geweest.”

III

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„God gebruiken als de rechtvaardiging van jouw goddeloze handelingen, ja, daar is de mensheid zéér bedreven in. Toen onze minister-president, Tony Blair, met betrekking tot de inval in Irak, opmerkte dat God zijn rechter zou zijn, dacht ik: you arrogant fucker! De mensen, de mensen die op jou gestemd hebben, zullen daar over oordelen. Dát is de verschijning van God die jouw rechter zal zijn. Het gebeurt steeds weer: de ene na de andere oorlog wordt op deze manier gerechtvaardigd. Nee, ik geloof niet dat de mens een hopeloos geval is. Kijk eens naar de vooruitgang die we hebben geboekt: in 1600 belandde je nog op de brandstapel als je zei dat je protestant – of katholiek – was, honderd jaar geleden dachten we nog nauwelijks na over ons voedsel, van een goede gezondheidszorg was nog geen sprake. Natuurlijk, dingen gaan kapot, hele culturen verdwijnen – net zoals vroeger keizerrijken werden opgebouwd en neergehaald – veel van onze inspanningen lijken van tijdelijke aard en tóch geloof ik dat er een sterke, innerlijke ontplooiing van de menselijke geest gaande is.”

IV

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Als de zondagsrust een metafoor is voor het eren van de geest die in ons woont, dan luister ik wel degelijk naar dit gebod. Ik mediteer iedere ochtend zo’n twintig minuten en ik gebruik vaak affirmations, korte plechtige verklaringen – vaak met ’Ik’ of ’Ik ben’ beginnend – die ik, hardop of in mijn hoofd, herhaal om die gedachte te bekrachtigen.

Het mediteren heb ik geleerd op het Himalayan Institute, gevestigd in een boekwinkel op 5th Avenue in New York. Ze doen daar aan raja yoga – het koninklijk pad – een vorm van meditatie die, middels een mantra, probeert je gedachten stop te zetten. Dat vind ik nog altijd moeilijk om te doen. Ik probeer mijn gedachten te sturen naar een opeenvolging van ideeën: ik wil mij blijven herinneren dat ik een spiritueel wezen ben dat een avontuur op deze aarde beleeft. Ik denk dat wat ik doe een westerse equivalent van bidden is.”

V

Eer uw vader en uw moeder

„Ik was acht. Mijn moeder zei dat mijn vader niet langer bij ons zou blijven wonen; dat hij zijn eigen leven wilde leiden. Ik begreep er helemaal niets van. Wat deed ik dan verkeerd? Wat was er mis met mij? Waarom kon mijn vader niet van mij houden? Mijn moeder was dol op mij – dat vond ik ook zo raadselachtig: waarom mijn vader dan niet? Hij kwam, voor steeds kortere perioden, terug naar huis, maar na mijn tiende is hij voorgoed vertrokken. Dit werd de nieuwe situatie: mijn moeder en ik, samen. Al snel kon ik mij ook geen voorgaand leven, met twee gelukkige ouders die voor altijd bij elkaar zouden blijven, meer herinneren. Ik bleef wel aan hem denken; in mijn dromen keerde hij steeds weer terug. Naarmate ik ouder werd dat gevoel sterker. Toen ik een jaar of twintig was, schreef ik het nummer ’Vader’. Misschien heb ik het wel eens gespeeld met het idee dat hij het zou kunnen horen; dat hij in de zaal zou staan en naar mij luisterde, maar na een paar keer kon ik het niet meer spelen. Nee, het was niet te emotioneel, het was eerder te confronterend en het hoorde te veel bij het gevoel van toen. Zo dacht ik er niet meer over, waarom zou ik het dan blijven zingen? Er is wel een ander nummer, ’The Dark Man Of My Dreams’, dat over die situatie gaat: ’Dark man of my dreams, the information you keep, will it frighten me? Or make me wheep?’ Dát begon ik mij vooral af te vragen: wat hield hij voor mij verborgen? Mijn vader was een donkere schaduw in mijn leven, een man zonder gezicht.

Eind jaren negentig zei mijn vrouw tegen mij: ’Waarom ga je hem niet zoeken?’ Dat hadden ze me al vaker gevraagd, maar kennelijk moest dit keer het antwoord ’oké’ zijn. Samen gingen we naar de burgerlijke stand in Londen. Ik had zijn volledige naam en zijn geboortedatum. We namen alle huwelijken door die waren gesloten sinds de dag waarop hij ons huis verliet. Na uren bladeren, vond ik hem. Hertrouwd in het begin van de jaren zeventig. Vader van twee kinderen. Het adres dat achter zijn naam stond, bleek te kloppen met het adres dat we even later vonden bij het register voor stemgerechtigden. Ergens in de buurt van Birmingham.

We stapten in de auto en reden er heen. Het was december, december 1998, vlak voor mijn veertigste verjaardag. We kwamen aan. Een jongen deed open. Mijn halfbroer. Hij had geen idee wie ik was, wist – zo bleek later – ook niet dat zijn vader nog een gezin had gehad. Onze vader was niet thuis. Mijn vrouw en ik besloten in de auto op hem te wachten. Na een half uur kwam hij aangereden. Daar was hij, dertig jaar nadat hij bij mij was weggegaan. Ik herkende hem aan de manier waarop zijn haar krulde in zijn nek. Hij nodigde ons uit binnen te komen, wist helemaal niet dat ik muzikant was geworden, had nog nooit van The Waterboys gehoord.

Het werd een gezellige middag, maar de correspondentie die we het jaar daarna voerden, verliep toch een stuk moeizamer. Ik wilde hem duidelijk maken dat hij niet het recht had om uit mijn leven te verdwijnen – dat ik daar ook iets over te zeggen had – en ik vond dat hij moest weten wat het effect van zijn vertrek op mijn leven was geweest. Wat denk je dat zoiets teweegbrengt bij een jongen van tien? Hij heeft me nooit apart genomen en gezegd: ’Probeer het te begrijpen: ik hou nog altijd van je, maar je moeder en ik kunnen niet meer met elkaar overweg.’ Hij ging zo maar weg, zonder verklaring. Uiteindelijk heeft hij erkend dat hij zichzelf die vraag nooit heeft gesteld; hij wist niet wat hij mij had aangedaan. Ik begrijp het ook wel* Als je het hebt over het eren: ik heb eerbied voor het feit dat ik via mijn ouders op aarde ben gekomen, voor het feit dat mijn moeder haar lichaamsruimte met mij wilde delen, voor de opofferingen die ze zich hebben getroost mij op een goede manier op te voeden. Ik begrijp dat hun dromen veranderden toen ik werd geboren – ik was niet gepland. Ik begrijp dat ene nummer van Bruce Springsteen, ’Independence Day’, heel goed: ’Papa, I swear I never meant to take those things away.’ Niet ik, persoonlijk, maar de komst van een baby in het algemeen, deed afbreuk aan zijn verwachtingen voor dit leven, maakte zijn toekomstplannen kapot.

Waar mijn verdriet is gebleven? Voor een deel in* nee, dat is zo moeilijk te zeggen. Het is zo groot, zo complex. Ik wilde gaan zeggen dat het verdriet voor een deel is opgegaan in het afwijzen van de maatschappij, maar iedere puber zet zich af – en móet dat ook doen – dus hoe kan ik die zaken van elkaar scheiden, hoe pluis ik het uit? Dat kan ik niet meer. Zijn vertrek heeft een ongelooflijk grote invloed op mijn leven gehad; het heeft me gemaakt tot wie ik ben. Of was. Inmiddels ben ik er, denk ik, wel klaar mee. Weet je, één van de aanwijsbare effecten was bijvoorbeeld dat het mij beter leek niet te trouwen omdat ik waarschijnlijk op hem zou lijken en op mijn beurt ook een gezin in de steek zou gaan laten. Langzaam maar zeker leerde ik te geloven dat ik mijn vader niet ben. Toen ik hem had ontmoet werd ik daar in bevestigd: ik leek helemaal niet op hem. Ik leek eerder op mijn moeder – een vergelijking die ik niet eerder had kunnen maken. Maar ik lijk eigenlijk vooral op mezelf. En dat is goed.”

VI

Gij zult niet doodslaan

„Ik ben geen praktiserend boeddhist die niet mag doden of, zoals zij zeggen, ’het leven nemen’. Een hinderlijke mug sla ik zonder problemen plat: ’Terug naar God, jij!’ En wat een mensenleven betreft: ik heb geen idee. Als je de soldaten van ’40 – ’45 in 1939 had gevraagd of ze ooit een ander zouden doodslaan, hadden ze misschien wel nee gezegd. Natuurlijk, ik gebruik liever geen geweld en ik zou graag zien dat er géén oorlog werd gevoerd, maar ik zie het niet als mijn opdracht om anderen daar in protestsongs op te wijzen. Ik geloof dat het universum alleen het woord ’Ja’ kent. Vaak maakt een protest de zaak waartegen we protesteren alleen maar sterker. Nee, ik zeg niet dat je de boel de boel moet laten. Ik zeg: probeer te begrijpen hoe dingen werken en maak daar gebruik van. Het is soms veel productiever om vóór het tegenovergestelde te zijn. Ik kan tegen roken zijn, maar ik ben eigenlijk vóór het recht op schone lucht.”

VII

Gij zult niet echtbreken

„Ik geloof wel in zielsverwantschap, maar het leven is veel te gecompliceerd om ervan uit te gaan dat mensen ook werkelijk voor elkaar bestemd zijn. Ik geloof dat mensen bij elkaar moeten blijven zo lang ze samen groeien. Het concept van het huwelijk, zoals het in onze westerse cultuur is ingebakken, klopt niet. Hoe kun je nou zeggen dat je bij elkaar zult blijven tot de dood? Mijn eerste echtgenote was een geweldige vrouw, maar wij waren gewoon allebei met de verkeerde persoon getrouwd. De relatie met mijn tweede vrouw duurt al veel langer. Hoewel ik hoop en verwacht dat we nog lang niet uitgegroeid zijn, kan ik ook dit keer kan ik niet zeggen dat we nooit zullen scheiden. Nee, het sterrendom heeft daar geen enkele invloed op. Ik zei het je toch al? Ik ben geen popster. Ik vind het leuk om mijn fans te ontmoeten, ik behandel iedereen op dezelfde manier: als gewone mensen. Ik ben geen type voor groupies. Ja, ik heb één keer zo’n ervaring gehad na een optreden. Het was in 1984. Dat meisje werd mijn vrouw.”

VIII

Gij zult niet stelen

„Laatst zat ik in een radioprogramma waar ik een paar van mijn favoriete platen mocht laten horen. Nadat we naar ’Heaven Must Have Send You’ van The Elgins hadden geluisterd, draaiden ze de nieuwe Waterboys single ’Everybody Takes A Tumble’ en iemand in de studio zei dat de invloed duidelijk hoorbaar was. En ineens hoorde ik het ook: dezelfde akkoorden, hetzelfde ritme! Terwijl ik het echt nooit geweten heb. Dit is onbewust gebeurd, maar ik heb ook wel eens met opzet iets van een ander gebruikt. Is dat diefstal? Ik zou eerder willen zeggen dat artiesten elkaar beïnvloeden. In ’I still Haven’t Found What I’m Looking For’ gebruikt Bono de volgende zin: ’I have climbed the highest mountains’ terwijl ik in ’The Big Music’ ’I have seen the big mountains, I’ve climbed the big tree’ zing. Daar hoort diezelfde wijzende vinger bij, hetzelfde reiken naar de top. Bono heeft nooit gezegd dat hij naar dat ene specifieke nummer heeft geluisterd, maar hij heeft wel erkend dat hij zich door de muziek van The Waterboys heeft laten inspireren. Die erkenning is voor mij genoeg.”

IX

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Kijk, dát vind ik nou een mooi gebod. Authenticiteit is heel belangrijk. Mens, ken uzelf. We zijn maar al te gedreven in het misleiden van onszelf. Ik probeer het niet te doen, ik probeer mezelf te kennen, eerlijk te zijn. Ik weet niet hoe goed ik mezelf ken. Ik weet niet wat ik niet weet. Over tien jaar zou ik de mate waarin ik mezelf nu meen te kennen wel eens zeer incompleet kunnen vinden. Ik heb een ziel die zichzelf ontvouwt, die knopen ontwart, die helderder wordt. De meest gevorderde ziel is de transparante ziel. Ik ken iemand die zo ver is: de Dalai Lama. Ik heb hem een paar keer ontmoet. Hij lijkt haast letterlijk helder; alsof zijn houding, hoe hij denkt, ja, zijn hele wezen duidelijk zichtbaar is.”

X

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Een vriend van mij heeft een prachtige piano, maar ik zal niet alles uit de kast gaan halen om óók zo’n ding te pakken te krijgen. Ik ben tevreden met wat ik heb. Of ik gelukkig ben is moeilijk te meten. Het is zo relatief. How long is a piece of string? Ik ben blij dat ik leef. Ik ben blij dat ik vrij ben. Vrij om te denken wat ik wil, vrij om te gaan waar ik wil. Ik bepaal zelf wat ik met mijn leven doe. Ja, ik geloof dat ik verder kom. Het is een vast patroon: ik worstel lange tijd, dan komt er een inzicht, weer een worsteling, weer een inzicht en zo verder. Ik klim omhoog, ik breid uit. Eén belangrijk inzicht sluit aan bij het beeld dat ik als klein jongetje had van God, namelijk dat alles uiteindelijk om de liefde draait. Ja, ik ben terug bij het begin. Dat is de essentie van het menselijk bestaan, mate. Of, zoals T.S. Elliot ongeveer zei: ’The end of all our exploring will be to arrive where we began, but knowing it for the first time.’”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden