Mijnwerkers moeten immer de goudsmid bewonderen

De discussie in Trouw over 'verzoening' laat zien dat een debat over een centraal thema uit de geloofsleer al gauw de kant uitgaat van een territoriumstrijd. Het ene uiterste is te vinden in de woorden van ds. Van den Berg (10 juli), dat moderne theologen eigenlijk een 'karikatuur' van de bijbelse verzoeningsleer bestrijden. Het andere uiterste is de reactie van mevr. Oostenrijk-Huisman (30 juli), dat het traditionele spreken over de verzoening geen pastoraat maar 'bangmakerij' is.

Dat betekent, dat deze discussie tot nu toe nauwelijks over 'verzoening' gaat. Het meningsverschil is in feite een vervoermiddel voor een ander debat, namelijk over wie de strategie van kerk en theologie mag domineren. Wat moeten we doen: blijven (s)preken over centrale thema's uit de klassieke christelijke leer, ze als achterhaald overlaten aan wie er nog wat aan beleeft, of, wat vermoeide predikanten nog wel eens doen om spanning te vermijden: er over zwijgen en zich in de zondagse eredienst terugtrekken op het 'verplichte' leesrooster?

Als ik het goed aanvoel, is de huidige trend: de geloofstaal van genade en verzoening te verbinden met gezag en begrenzing, en de geloofstaal van droom en verlangen te verbinden met vrijheid en ruimte. Alleen zo is de soms verwijtende toon in het debat te begrijpen. Op zichzelf is de samenvatting die Den Heyer geeft van de (schaarse) nieuwtestamentische teksten over 'verzoenen' niet zo opzienbarend: “De bijbel bevat geen afgeronde en systematisch opgebouwde 'leer' over de verzoening.” Dat verschilt niet drastisch van eenzelfde constatering die dertig jaar eerder door prof. Lekkerkerker werd opgeschreven.

Ik kan mij vergissen, maar ik herinner mij niet dat Lekkerkerker ooit is aangevallen of met ontslag bedreigd. De angel zit kennelijk niet in deze gegevens, maar in de conclusie die men er aan wil verbinden. Den Heyers boek eindigt heel eigentijds. In mijn woorden: als er in het NT geen 'leer' wordt beschreven is er dus ruimte voor het postmoderne ideaal van 'geloven zonder dogma's'. Dat maakt het begrijpelijk, dat de discussie in Trouw vooral een debat is geworden tussen 'nog traditioneel' en 'niet-meer traditioneel', met het thema verzoening als betrekkelijk willekeurig onderwerp. Een discussie over 'Bijbel' of 'geloof' zou langs precies dezelfde lijnen zijn verlopen.

Naar mijn mening is het eigenlijke onderwerp in de discussie nog niet aan de orde geweest. Dat is de moeizame verhouding tussen het wetenschappelijk exegetisch onderzoek van de Bijbel en de christelijke dogmatiek.

Laat ik eerst de ervaring noemen die ik met Den Heyer deel, namelijk de behoefte aan wetenschappelijke onafhankelijkheid. Ook al vind ik Den Heyers conclusies aanvechtbaar, ik denk ook dat veel deelnemers aan het gesprek zich (liever) niet realiseren, dat het wetenschappelijk bijbelonderzoek zich ten opzichte van kerk en christelijk geloof een grote onafhankelijkheid heeft verworven (of toegeëigend, dat hangt ervan af hoe je het bekijkt). Dat brengt met zich mee dat er over kerk en geloof niet zinvol kan worden gediscussieerd, als men niet realistisch met dit gegeven omgaat.

Terwille van de discussie begin ik aan de kant van de exegeet. Ik wil het wetenschappelijke werk niet relativeren, voordat de situatie scherp is gesteld.

Hoofdredacteur Jan Greven (12 juli) en een aantal schrijvers na hem noemen het verhaal van Genesis 22: Abraham die door God op de proef wordt gesteld met de opdracht Izaük te offeren. Is dit het verhaal over een god die via offers genoegdoening wil krijgen?

Greven verwijst naar de opvatting van de Deense filosoof Kierkegaard over Genesis 22, die alle nadruk legde op het paradoxale, het onbegrijpelijke van Abrahams beslissing om het offer te brengen.

Ik bestrijd niet Grevens conclusie, dat een mens pas op de bodem van het bestaan echt over 'verzoening' kan praten en dat het eenvoudig herhalen van vaste formules niet overtuigend is. Maar ik zou dat niet graag op Kierkegaards mening over Abraham baseren.

Kierkgaards uitleg is misleidend, omdat hij de lezer dwingt de weg van Abraham opnieuw te gaan. Een exegeet zou hem vragen: waar staat het, dat Abraham het besluit nam te gehoorzamen? En, waartoe is dit verhaal verteld: om tot gehoorzaamheid te dwingen, of om de ontdekking van de plaats (vers 14) mee te maken, waar Israel's eredienst uiteindelijk vorm kreeg?

Maar Kierkegaard houdt niet van exegeten. Hij beziet ze met een zekere minachting. De ideale lezer is voor Kierkegaard degene 'wiens verlangen was Abraham op die reis van drie dagen te mogen volgen'. 'Deze man was geen geleerd exegeet; hij kende geen hebreeuws'. En een eind verderop gaat het zelfs over het 'gesjacher van onze vrome en sympathieke exegeet'.

Exegeten beschouwt hij als oppervlakkig; zijn alleen met de woordjes in de weer en ze begrijpen niet de diepte en het mysterie in de tekst.

Mijns inziens wist Kierkegaard, en hij is zeker niet de enige wijsgerige tekstuitlegger van wie dit geldt, niet goed wat een tekst is. Bij de leeswijze die hij voorschrijft, is een tekst de aankleding van een diepe en algemeen geldige wijsheid, of het is een schildering van de zieleroerselen van de hoofdpersoon.

Kierkegaard verdiept zich alleen in de zwijgzame Abraham van de eerste verzen en hij maakt hem model voor de worsteling met het dilemma 'ethiek' of 'gehoorzaamheid aan God' in het algemeen.

Daarmee is het 'eenmalige', de unieke bijdrage van deze tekst aan het verhaal van de gemeenschappelijke geschiedenis van God en Israel verdwenen. Deze tekst gaat niet over het algemene: Abraham herhalen of imiteren in zijn absolute gehoorzaamheid, maar over het bijzondere: een uitnodiging tot deelnemen aan deze geschiedenis, waarbinnen Genesis 22 een beslissende opening forceert.

Deze aartsvader, heeft op deze plaats 'gezien' hoe het verder gaat tussen God en Israel: de offerdienst is geen menselijke investering, maar een aanbod van God, een instrument voor heling van relaties. Deze ontdekking van de plaats en de aard van de offercultus is in de Bijbelse traditie vanaf deze tekst een vertrekpunt, niet een steeds weer door ieder voor zich te herhalen boven-morele prestatie.

Als men een analogie zoekt met het Evangelie, dan ligt die mijns inziens hier. En ik kan mij daarom goed verplaatsen in de ergernis die spreekt uit sommige ingezonden stukken van mensen, die in het pastoraat altijd meer over gehoorzaamheid hebben moeten horen dan over het ontdekken van ruimte.

Met andere woorden, een theologiestudent die nu met een exegese in de lijn Kierkegaard aan zou komen, zou onherroepelijk zakken.

Dit is de situatie waar het in deze discussie om gaat: bijbeluitleggers laten zich niet langer sturen door de behoefte aan een actuele en algemeengeldige tekst. Deze onafhankelijkheid raakt niet alleen Kierkegaard of andere klassieken, maar het raakt ook moderne filosofische of moraliserende stellingnames, bijvoorbeeld dat het verhaal van Abraham zou gaan over een volgende stap in de bewustszijnsverruiming van de mensheid (Arie Kuiper over Herzberg, 19 juli), of dat het een noodzakelijke deuk in Abrahams mannelijke ego beschrijft (Van der Horst, 19 juli).

Ik besteed zoveel aandacht aan de 'leesgewoontes', omdat hier de wegen doorgaans al uit elkaar zijn gegaan, voordat de discussie is begonnen.

Over Abraham gesproken: als ik mij goed herinner, gebruikte Abraham Kuyper het beeld van de exegeten als mijnwerkers die uit de weerbarstige grond het ruwe erts naar boven brengen. De dogmatici hadden in dit beeld de taak om uit dat materiaal iets moois, kennis met eeuwigheidswaarde, te smeden. En, vanzelfsprekend, mijnwerkers kunnen niet anders dan de goudsmid bewonderen, kritiseren komt hun niet toe.

Dit is een rol die de hedendaagse exegeten niet meer kunnen en willen spelen. Zij geven hun ruwe materiaal liever niet meer af aan denkers die er iets mooiers van willen maken. Theologie is niet meer hogere edelsmederij. Het is een misverstand te menen dat 'openbaring' of 'waarheid' in of achter het ruwe materiaal verstopt zit. We hebben 'alleen' maar het ruwe materiaal: teksten, mensen, ervaringen, geloof.

Misschien vindt de lezer het een naieve gedachte, maar ik ben van mening dat deze situatie niet schadelijk is voor theologie of geloof, maar dat het een unieke kans is om de fundamentele vragen rond Bijbel, dogmatiek en kerk opnieuw te doordenken.

Mijn probleem met Den Heyer's boek is daarom, dat het net uit is op het moment dat het menens zou moeten worden. (Ongeveer zo wordt het ook gesteld door Pieter van der Ven in zijn bespreking, Trouw 6 feb.)

Als we de gedachte dat wij strikt genomen alleen het ruwe materiaal bezitten, serieus nemen, dan betekent dat een aantal dingen. Allereerst dat exegeten terecht ruimte claimen voor hun historisch onderzoek. Paulus had een ander adres dan Lukas, ze spraken wezenlijk verschillend over de betekenis van Jezus' dood en opstanding, etc. Vervolgens zal dat van dogmatici vragen veel zaken opnieuw te doordenken.

Is die veelkleurigheid van de bijbelse teksten nu dezelfde als de post-moderne: u moet zelf maar kiezen wat u het meeste aanspreekt? En is dogmatiek nu hetzelfde als zoeken naar die ene definitieve formulering? Is er geen dogmatiek denkbaar die wat meer inventariserend van aard is en probeert aan te geven op welk speelveld de veelkleurigheid een plek heeft?

Nu lijkt mij dat de dogmatici vaker met dit type huiswerk bezig zijn dan de exegeten. De exegeten houden zich schuil, ze willen als 'analyserende wetenschappers' liever buiten het debat blijven. Maar het zou wel aardig zijn als de exegeten hun tekst-laboratoria zo nu en dan eens zouden verlaten om aan te geven waar ze op uit zijn: moet de 'historische Jezus' de westerse christenen hun eigen goeroe, leraar of profeet bezorgen, zodat ze weer geheel mee kunnen doen in het moderne relgieuze gesprek? Of is het een oprecht-kritisch willen weten wie de mens Jezus was?

Maar als we nu toch historisch bezig zijn, dan kunnen we ook doorgaan met zoeken en beschrijven zoals Marcel Poorthuis (8 juli) dat voorstelde. Waarom zouden ervaring, denken en geloven van de latere generaties principieel van minder waarde zijn?

Laten we aannemen dat de 'historische Jezus' hooguit een vermoeden had van het dreigende einde van zijn leven, en pas op het laatst zich vastgreep aan woorden als die van Psalm 22. Om welke dwingende reden kunnen dan die andere oudtestamentische woorden die de leerlingen en latere gemeente vonden voor de betekenis van zijn dood en opstanding, zoals rechtvaardiging en verzoening, nu niet meer (mede) de basis blijven van het christelijk geloof?

Ik besef, dat ik nu aan iets begonnen ben, waarvan Den Heyer zelf schreef, dat het een moeilijk te overbruggen kloof is: die tussen de 'historische Jezus' uit het moderne onderzoek en het traditionele beeld van Christus in de klassieke dogma's.

Mijn vraag is, is dat overbruggen wel het juiste beeld? Is het niet de taak van de exegeet-historicus te proberen om meer te doen dan het reconstrueren van het meest oorspronkelijke? De kerk kan moeilijk vele eeuwen denkwerk voortaan als de achterhaalde hobby van fundamentalisten gaan beschouwen en de historicus is zichzelf niet ontrouw als hij probeert de hele route van teksten, ervaringen en geloven (het ruwe materiaal) opnieuw te tekenen.

Juist als we weer meer zicht krijgen op hoe men heeft ervaren, verteld, gediscussieerd, de lofzang gezongen, is het ook voor ons mogelijk om met onze eigen cultuur in debat te gaan over Jezus Christus. De exegese heeft tot taak de dogmatiek bij het ruwe materiaal te houden, niet om haar met pensioen te sturen.

Den Heyer komt de eer toe dat hij ons dwingt weer hardop na te denken over dingen die vaak buiten beeld worden gehouden. Maar ik hoop wel dat hij nog eens verder schrijft, want nu heb ik het gevoel dat een spannend verhaal op het hoogtepunt stopt ten gunste van een korte reclameboodschap over postmodern geloven, terwijl daarna de stroom uitvalt. Hoe kunnen wij de verdere route van Bijbel naar kerk en geloof gaan?

Het slot van het boek: 'geloven zonder dogma's' vind ik, als ik zo onvriendelijk mag zijn, een wat goedkope stelling. Dat de 'voorbeeldige leraar' Jezus geen dogma's heeft geformuleerd, dat weten we nu wel. Maar hoe kunnen we over Jezus denken na zijn dood? Als de gedode rechtvaardige die voortleeft in die leerlingen die met hem de weg van de Tora gaan? Zoveel energie heb ik niet, als ik net heb gelezen, dat mensen hem om het leven hebben gebracht. Of als de opgestane Heer die mij overtuigt dat de weg van de Tora ook werkelijk op leven uitloopt en niet op dood? Sommigen noemen dat een gemakkelijke oplossing, maar toch, het geeft wel moed, te lezen dat God hem heeft opgewekt uit de dood. Deze discussie draagt, voor zover ik weet, al enige eeuwen de naam 'dogmatiek' en ik zou niet weten hoe het er zonder moest. Een exegeet kan niet beweren dat zijn ruwe materiaal hier de keuze voor hem maakt. Iedere lezer moet steeds weer zelf een plek zoeken tussen historische vragen en geloofsvragen.

Wie het vak serieus neemt, zal nog wel eens vaker een dierbare zinswending moeten inleveren. Maar zijn daarmee de dogma's weg? Wel als de 'historische Jezus' ons model is van religie en humaniteit. Maar daar gaat een exegeet niet over. Het zijn de gelovigen zelf die besluiten of ze aansluiten bij de lange rij van generaties die met Paulus en anderen mee op vele manieren hebben nagedacht over de opgestane Heer.

Lodewijk Dros (12 augustus) schrijft dat de strijd om de 'verzoening' in de jaren zeventig een gevecht was om het karakter van de (Gereformeerde) kerken. Dat sluit aan bij mijn opmerking aan het begin, dat ook de huidige discussie weer vooral een territoriumstrijd is. Ongewild misschien, geeft zijn artikel ook een indruk van de kaalslag die dat tot gevolg had:

- hoofdrolspelers van toen bevinden zich naar eigen gevoel 'vrijwel aan de rand van het christelijk geloof';

- het eindresultaat staat in zijn laatste zin: 'Verzoening in de bezemkast'; een plastiek, verbeelding van de verzoening, is als niet meer passend uit de kerkzaal verbannen. De Gereformeerden hebben het woord 'verzoening' niet meer in hun 'mission statement' staan, zo schrijft Dros. Misschien moest hij dan die bezemkast maar weer eens open doen. De moderne theologie heeft zeker nuttig werk gedaan, door een aantal autoriteiten te verwijderen, maar het verschil tussen bevrijding en leegheid is inmiddels moeilijk meer te zien.

Dat lijkt me een goede reden om nu de territoriumstrijd te vermijden en het gesprek tussen bijbelwetenschappen en dogmatiek maar eens vrolijk en serieus te gaan voeren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden