Mijn uitkijkpost op de oorlog

offensief | Hoe is het om te leven nabij een oorlog? Correspondent Judit Neurink ziet in haar standplaats Erbil, vlak bij het front in Irak, dagelijks de gevolgen van de strijd om de stad Mosul.

Ik woon in Irak. Dat zinnetje is in de acht jaar dat ik in de Koerdische regio van Irak woon meestal het startschot voor hoofdschudden, wenkbrauwen fronsen en verbaasde uitroepen. Maar sinds Irak niet meer alleen synoniem is met oorlog, maar vooral met de misdaden van de islamitische groep ISIS, verklaren mensen me of voor gek, of juist voor heel dapper. Ik ben geen van beide. Wat niet wil zeggen dat mijn leven niet al geruime tijd beheerst wordt door die vervelende jihadisten en de ellende die ze aanrichten.

Dat de Koerdische president Barzani onlangs voorspelde dat het einde daarvan in zicht is, is een kleine geruststelling. Volgens hem zal de bevrijding van Mosul de veiligheidsdreiging die over Koerdistan ligt wegnemen: en daarom doen de Koerdische peshmerga-troepen zo enthousiast mee in de slag om Mosul die op 17 oktober is begonnen.

Die dreiging, dat is inderdaad waar vrienden en kennissen altijd aan refereren als ze het hebben over mijn relatieve nabijheid tot het front. Toen ISIS in 2014 Mosul en de Iraakse provincies Sinjar en Nineve veroverde was die afstand hooguit veertig kilometer.

Het gekke is dat alles went, weet ik na twee jaar vlak bij de frontlinie wonen. In het begin kon ik de strijd min of meer zien vanuit mijn raam in een flatgebouw aan de buitenrand van de Koerdische hoofdstad Erbil; als er rook opsteeg aan de horizon wist ik dat er aan het meest nabije front gevochten werd. Mijn woonkamer werd mijn uitkijkpost op de oorlog, en mijn werkkamer het archief van de wandaden, het lijden en verdriet als gevolg ervan.

Sinds de peshmerga met hulp van Amerikaanse luchtaanvallen ISIS wat terug dwong om de stad meer lucht te geven, kan ik de strijd alleen nog volgen via mijn vrienden, kennissen en gesprekspartners, naast de Koerdische en Iraakse TV, Twitter, Facebook.

Die dreiging, wat je daarvan merkt? Op het oog heel weinig. Het verkeer dendert door voor mijn raam, de moskeeën slaan geen gebedsoproep over, de supermarkt verkoopt gewoon zijn producten, de cafés waar mannen elkaar ontmoeten om te roddelen en een waterpijp te roken zijn even vol als altijd, en er gaan zelfs nieuwe restaurants open. De jaarlijkse marathon van Erbil is gewoon gelopen en het vliegveld meldt een recordaantal passagiers.

Maar dat is een verhullend beeld. Want ik woon wel degelijk in een land in oorlog, waar iedereen de hele dag vooral met die oorlog bezig is. Toen ISIS in 2014 steeds verder oprukte richting Erbil, koos een deel van de bevolking het hazenpad en kreeg ik van mijn vrienden de opdracht toch vooral altijd de benzinetank van mijn auto vol te houden zodat ik in noodgevallen ver genoeg kon vluchten.

Het is allang niet meer zo hijgerig, en ik rijd mijn tank weer leeg, maar het front blijft dichtbij. Je ziet ambulances voorbijsnellen en weet dan dat die gewonde peshmerga gaan ophalen. Er zijn begrafenissen waarbij de halve stad uitloopt om de gesneuvelde strijder de laatste eer te bewijzen. Bijna iedereen heeft wel iemand in de familie die bij de strijd is betrokken.

Jongeren in mijn omgeving zamelen geld in om vluchtelingen te helpen, en de kampen raken overvol. Dat drukt zwaar op een regio die in een economische crisis terecht is gekomen door de combinatie van de oorlog en de dalende olieprijs. Ook die bijna twee miljoen ontheemden en vluchtelingen (op een bevolking van zo'n vijf miljoen) voelen er de gevolgen van.

Medewerkers van hulporganisaties werken zich uit de naad om voldoende tenten en voorraden aan te slepen. We discussiëren over de voorspellingen: nog eens een miljoen vluchtelingen uit Mosul? Waar laten we die in godsnaam? Maar ik hoor van mijn vrienden met familie in de stad dat die de oorlog willen uitzingen in hun diepe kelders, altijd toch al gevuld met noodvoorraden en lekker koel in de hete zomers. Maar het wordt straks winter, en ik bibber zelf al bij de gedachte aan de klamme kou.

Uit ontzette dorpen komt de vluchtelingenstroom al op gang. Video's van burgers die zich met een onderbroek als witte vlag aan de frontlinie melden ontroeren me, net als de zorg van die geharde peshmerga-strijders die de kinderen onmiddellijk hun water geven. Maar ook die wanhopige vader die met zijn drie kinderen aan komt lopen over een weg die best bezaaid kan zijn met ISIS-mijnen, zwaaiend met die onderbroek, z'n hemd omhoog hijsend om te laten zien dat hij toch echt geen bomgordel om heeft.

Je weet hoe de oorlog mensenlevens ontwricht, maar hier is het tastbaar. Ik hoor van christelijke vrienden hoe de een na de ander in hun familie naar het buitenland vertrekt - maar ook dat ze daar niet gelukkig zijn en morgen zouden terugkeren als hun stad bevrijd wordt. De emotie is zo sterk, dat nog voor het Iraakse leger die bevrijding heeft afgerond, er feest is in de straten en de kerken. Waarmee deze mensen onbewust alsnog de wraak van ISIS over zich afroepen, want die steekt alle huizen voor hun aftocht in brand. Nu hebben jullie niets meer om naar terug te keren, hoor ik ze bijna roepen: Wij niks, jullie ook niks.

Ik weet hoeveel mensen staan te popelen op toestemming om terug te gaan, wachtend op het ruimen van de mijnen om hun leven weer te kunnen oppakken. Hun oude leven, wilde ik tikken, maar we weten allemaal dat dat niet meer kan. Ik denk aan die zuster die de afgelopen twee jaar een school uit het niets opbouwde, maar die zonder nadenken wil inruilen voor terugkeer om datzelfde in haar eigen woonplaats over te doen. "Ik weet nu dat het relatief makkelijk is." Dat wel, maar de politiek, het bestuur, wie krijgt het voor het zeggen: dat zijn straks de grootste onzekerheden.

Ik zie de verschillende groepen, het gebrek aan respect op veel niveaus, en het toneelspel dat wordt opgevoerd. Koerdistan staat open voor de minderheden, maar veel Koerden kijken neer op yezidi's, die ze vies vinden, christenen, die het verkeerde geloof hebben en op Arabieren, die allemaal wel met Saddam zullen hebben geheuld. Ik overdrijf, maar met een gemengde vriendenkring is het wantrouwen tussen de groepen is soms heel voelbaar. Het Nederlandse concept van een vriendenkring waarin vrijwel iedereen het wel met elkaar kan vinden gaat hier niet op.

Gelukkig is er ook humor, hoe wrang ook. Een christelijke vriend kreeg foto's van zijn verbrande huis in Qaraqosh, en zette er eentje op Facebook. Die van zijn verwilderde achtertuin, waar kippen en een eend een goed leven lijken te hebben. "Gelukkig hebben de kippen van mijn dochter ISIS overleefd," was zijn cynische commentaar. Of misschien voelde hij dat wel zo: ik merk dat mensen die alles hebben verloren zichzelf gaande houden door zich juist op die kleine meevallers te concentreren.

Ik luister naar de verhalen uit Mosul, die van verschillende kanten op me afkomen. Over de armoede van sommigen, die alleen nog brood eten. Over de angst en tegelijkertijd de minachting voor de ISIS-strijders en aanhangers, voor hun verwarde geesten en hun obsessieve geloof. Over een tocht naar de andere kant van de Tigris, die opeens een avontuur is geworden omdat de brug ondermijnd kan zijn. Over luchtaanvallen, schade aan je huis, en de noodzaak bij ISIS uit de weg te blijven. En over de angst dat ISIS je simkaart zal vinden, en tegelijkertijd de noodzaak om die te gebruiken om zelfs maar een paar minuten met familie buiten je ergste smart te delen.

De regionale en nationale media berichten bijna over niets anders meer dan de oorlog en de gevolgen ervan. Via een paar Koerdische omroepen kan je er zelfs via een livestream bij zijn aan het front. De discussie laait op: geven we daarmee niet te veel informatie prijs aan de vijand? Ik haak al snel af want kijken naar de stream is saai; af en toe zie je een rookwolk als er een luchtaanval is, of als een bomauto met mortieren wordt opgeblazen.

De sociale media worden overgenomen door de tweets en berichten van buitenlandse reporters die zijn ingevlogen om de strijd aan het thuisfront te presenteren, en die als ze niet aan het front zijn bijna allemaal op een kluitje zitten in de christelijke voorstad Ainkawa, tien minuten van mijn huis. Daar vloeit de drank en iedereen kent iedereen. 'Ik ga morgen naar het front, wie gaat er mee?' laten ze elkaar via Facebook weten, om zo de kosten te delen van de lokale fixers, vertalers en chauffeurs die sinds het begin van de slag de pan uit zijn gerezen, wat vooral voor freelancers zoals ik een groot probleem is.

De Koerden zijn blij met al die journalisten, en geven ze aan het front enorme vrijheid, zonder ze wezenlijke bescherming te kunnen bieden. Een bevriende Koerdische fotograaf werkt zonder scherfvest en helm en raakt gewond door granaatscherven; twee Iraakse collega's komen om en anderen lopen lichte verwondingen op door de bomauto's van ISIS die soms heel dichtbij komen voor de mortieren ze tot ontploffing kunnen brengen. Doe die helm op, dat scherfvest aan, roepen we tegen elkaar. Zelfs al laat ik het front graag aan anderen over, er is geen betere manier om ervan doordrongen te zijn hoe kwetsbaar we zijn.

Ik noteer ook hoe de oorlog avonturiers aantrekt; sommige van de verslaggevers hebben geen idee van de gevaren, noch van de achtergronden van de strijdende partijen. Wie gewond raakt ziet zichzelf verheven tot een bijna-heiligenstatus, waarbij zijn verhaal een prominente plaats krijgt in de eigen media en een plek in de talkshows gegarandeerd is.

Als ISIS in Kirkuk, een stad op zo'n negentig kilometer bij mij vandaan, een verrassingsoperatie uitvoert, is ook voor ons de dreiging even heel goed voelbaar. Want als de groep zo'n honderd man de stad in kan brengen zonder dat daar een haan naar kraait, wat zegt dat dan over onze eigen veiligheid? We weten dat er ook in Erbil slapende cellen zijn, want die worden regelmatig ontdekt. Ze zijn ook ondanks de scherpe veiligheidsmaatregelen al een paar keer in actie gekomen.

De oorlog wordt nog meer voelbaar als ISIS oliebronnen in brand steekt aan de overkant van de Tigris, op hooguit tachtig kilometer bij mij vandaan. De wind brengt de zwarte roetwolken naar ons toe die als smog over de stad hangen. De luchtvervuiling wordt nog erger als daar de giftige deeltjes bijkomen van eveneens in brand gestoken zwavelvelden. Net als ik me afvraag of ik me zorgen moet maken, hoor ik dat vrienden in Mosul gasmaskers hebben weten aan te schaffen.

Ik heb niets te klagen, berisp ik mezelf. Al die explosieven die ISIS overal achterlaat: in speelgoed, in de theepot, bovenop de deur naar het toilet, bij de ingang van de school, achter het schuurtje... Daar hebben wij hier geen last van. De helikopters maken je wel wakker 's nachts, maar vliegen verder. De legers trekken langs ons heen, maar vechten elders. Wij komen niet onder hun vuur te liggen, of worden door ISIS van ons bed gelicht om als schild mee te lopen terwijl ze de aftocht blazen. En wij zitten niet angstig te wachten tot de oorlog onze straat bereikt.

Ik woon alleen maar naast de oorlog. Om vanaf mijn uitkijkpost de wereld te vertellen hoe het er middenin moet zijn. Omdat die wereld dat moet weten.

Judit Neurink. foto maartje geels

Grote roetwolken begeleiden de intocht van het Iraakse leger in de stad Qayyarah, op ongeveer dertig kilometer ten zuiden van Mosul. foto eddy van wessel

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden