Mijn oudoom Jacobus, de eerste wandelaar

Pionier Jacobus Craandijk bracht aan het eind van de 19de eeuw Nederlanders aan het wandelen. Vanaf volgende week wandelt Flip van Doorn in zijn voetsporen en brengt zo een hommage aan zijn verre oudoom.

Een stevig gebouwde man met een wat gedrongen postuur. Hoe meer ik over hem te weten kom, hoe duidelijker zijn gestalte zich voor mijn geestesoog begint af te tekenen. Korte, krachtige benen, een weelderige en licht krullende haardos. Op foto's valt zijn vastberaden blik mij op. En dan is er die onafscheidelijke wandelstaf. Een uit hout gesneden stok met een ivoren knop die hem op al zijn wandelingen vergezelde.

Jacobus Craandijk; hij heeft heel wat voor Nederland betekend. De eerste wandelaar. Doopsgezind predikant in Borne, later in Rotterdam en ten slotte in Haarlem. Nederland leerde hem kennen als 'de wandelende dominee.' De acht delen van zijn 'Wandelingen door Nederland' met pen en potlood golden aan het einde van de 19de eeuw als een standaardwerk. Meer dan zeventig voettochten beschreef hij, en dankzij zijn verslagen kreeg het wandeltoerisme langzaam gestalte. Wie nu wandelt in Nederland, treedt als vanzelf in de voetsporen van Jacobus Craandijk.

Op een kansel heb ik nooit gestaan. Wandelen doe ik wel, schrijven ook en Nederland ken ik tot in de meest merkwaardige uithoeken. Dat is in de eerste plaats de verdienste van mijn moeders vader, Roelof Rintjema. Onderwijzer in Heerlen, in Rotterdam en ten slotte in Apeldoorn. Toen ik in 1973 naar de lagere school mocht, was hij net gepensioneerd. Zonder overdrijven kan ik stellen dat hij me het plezier in het schrijven heeft bijgebracht en dat hij mij zijn voorliefde voor dit land, het landschap en de geschiedenis naliet. De schoolmeester in hem is nooit helemaal met pensioen gegaan. Meer dan eens nam hij zijn twee kleinzoons mee voor een kleine excursie. Mijn eerste rondvaart door Amsterdam maakte ik met mijn opa. Samen bekeken we de wassen beelden bij Madame Tussauds en en passant kreeg ik een paar gedegen geschiedenislessen mee. Hij liet mijn broer en mij kennismaken met zijn geboortestad Dokkum, dezelfde dag bezochten we het planetarium van Eise Eisinga in Franeker en kocht hij in Leeuwarden voor ons allebei een Fries paspoort. Soms vergezelde mijn oma ons op dergelijke uitstapjes, zoals die keer dat ze foto's van ons maakte in het Openluchtmuseum in Arnhem. Maar ook dan was opa degene die de boerderijen, molens en ambachten van ondertitels voorzag. Ondertussen nam hij mijn Nederlands onder handen. De grammaticalessen in het moderne onderwijs bleven in zijn ogen zwaar onder de maat. Leerlingen kregen onvoldoende mee van zinsontleding en woordbenoeming, de kennis van docenten schoot tekort. Met terugwerkende kracht moet ik hem gelijk geven. Zijn bijlessen legden een solide basis waar ik nog dagelijks op kan terugvallen.

Van schrijven heb ik mijn beroep gemaakt en de combinatie met reizen, fietsen en wandelen is de mooiste die ik kan bedenken. Voor Trouw ga ik regelmatig op pad om wandelroutes te beschrijven.

Ik ben schatplichtig aan pioniers als Craandijk, daar ben ik me altijd van bewust geweest. Dat ik ook aan de wandelende dominee verwant blijk, kwam als een enorme verrassing.

Zoekend naar een overgrootvader van mijn vader die enige bekendheid genoot als kunstschilder, belandde ik in een stil en wat achteraf gelegen hoekje van het internet op een pagina over het geslacht Craandijk. Daar ontmoette ik Johanna Ruperta Wilhelmina Petronella Craandijk, die in 1862 trouwde met mijn betovergrootvader. Dezelfde webpagina noemde Jacobus als waarschijnlijk de bekendste telg van het geslacht.

Een merkwaardige siddering ging door mijn lijf toen ik dat las. De man die Nederland aan het wandelen bracht. Jacobus Craandijk. Het zou zomaar kunnen dat hij familie van mij was. Een eerste snelle inventarisatie, later bevestigd door degelijk onderzoek in de familie-archieven, leerde dat Jacobus een volle neef was van mijn betovergrootmoeder. Een oudoom van mijn oma, derhalve. Het is beslist niet onwaarschijnlijk dat de twee elkaar gekend hebben. Mijn oma was elf jaar toen Jacobus overleed. Ze groeide op in een huis in Hilversum waar haar oma Craandijk een eigen etage had, Jacobus Craandijk woonde in Haarlem. Ik ben één, hooguit twee handdrukken verwijderd van de pionier van het Nederlandse wandeltoerisme. En ik mag oudoom tegen hem zeggen. Oudoom Jacobus.

Zijn mijn voorliefde voor schrijven, reizen en wandelen genetisch bepaald? Ik zou het bijna gaan geloven nu blijkt dat ik van twee kanten erfelijk belast ben. Maar welbeschouwd is het allemaal niet wereldschokkend. Als we maar hoog genoeg in onze stambomen klimmen, vijf, zes, zeven generaties teruggaan in de tijd en oudtantes, achterneven en hun bastaardkinderen erbij betrekken, hebben we allemaal familiebanden met bijzondere personen en met elkaar. Zo ben ik heel in de verte ook verwant aan Amerikaanse presidenten als Roosevelt, Bush en Obama, echt waar. Maar mijn verwantschap met Jacobus Craandijk ontroert me. Het is bijna of ik hem letterlijk kan aanraken. Inmiddels staan de acht delen van zijn 'Wandelingen' prominent op een plank in mijn werkkamer. Ze bevatten een schat aan materiaal. Als ik in zijn voetsporen wandel, ga ik in gedachten met hem in gesprek. Dat hij al 55 jaar dood was toen ik ter wereld kwam, vormt daarbij geen beletsel.

Speurend in archieven, boeken en stambomen ontdekte ik in eerste instantie allerlei feitjes over mijn familie die voor mij persoonlijk heel interessant zijn. Gaandeweg kreeg ik echter ook een inkijkje in het Nederland van het laatste kwart van de 19de eeuw. Een land dat op de drempel stond van grote veranderingen, waar spoorlijnen gebieden ontsloten die voorheen slechts met moeite bereikbaar waren. Waar buiten het spoorwegnet koetsen, trekschuiten, boerenkarren en de benenwagen als de belangrijkste vervoermiddelen golden, waar veel wegen nog onverhard bleven. Een land ook waar vrije tijd een steeds belangrijker rol ging spelen en recreatie, toerisme, natuurbehoud en monumentenzorg voorzichtig begonnen te ontluiken.

Jacobus Craandijk beschreef hoe hij in 1874 de trein naar Markelo nam. Vervolgens wandelde hij naar het station van Goor, waar hij weer op de trein stapte om de thuisreis te aanvaarden. In feite heeft hij daarmee de eerste NS-wandeling gedocumenteerd. Hij ging voor over paden waar nog nooit iemand gewandeld had. Tot die tijd was wandelen een tijdverdrijf dat was voorbehouden aan de elite, op zondagmiddagen in lommerrijke wandelparken of in de romantische parkbossen van buitenplaatsen. Het gewone volk liep. Over jaagpaden langs vaarten, over kerkepaden naar de zondagse preek, over landweggetjes naar de markt. Craandijk was de eerste die over dergelijke paden wandelde en zijn wandelingen uitvoerig en uitnodigend beschreef.

Waarschijnlijk zonder het te beseffen heeft hij zo het pad gebaand voor de Nederlandse wandelaars. Wandelen was voor hem in eerste instantie meer een middel dan een doel. Op een scharnierpunt in de geschiedenis, in een tijd van snelle, nieuwe ontwikkelingen, vertraagde hij de pas en belichtte de kwetsbare schoonheid van een land waar de vernieuwingsdrang al veel verwoest had. In het voorwoord bij het eerste deel van zijn Wandelingen noteert hij dat hij een werk tot stand wil brengen dat een monument is voor het verdwijnende Nederland.

Zijn aanstekelijke verslagen brachten duizenden mensen op de been. Verschenen zijn 'Wandelingen' in eerste instantie gebundeld in dikke banden, later werden ze heruitgegeven in handzame gidsen en per regio gerangschikt. Er kwamen kaartjes bij en in 1892 schreef hij de eerste wandelgids voor Nederland. Hij leerde Nederlanders hun land te waarderen. Jacobus Craandijk is niet alleen mijn verre oudoom, maar de oudoom van alle wandelaars.

Zoals hij een monument wilde oprichten voor het verdwijnende Nederland, wil ik een monument oprichten voor Jacobus Craandijk en voor zijn pionierswerk. Nadat hij voorbij was gewandeld deed de auto zijn intrede, werden wegen geasfalteerd en verrezen nieuwe woonwijken en industriegebieden. Toch is naar mijn eerste inschatting zeker driekwart van zijn wandelingen vandaag de dag nog te lopen, zij het soms aangepast aan de eisen van de wandelaars van deze tijd. De komende tijd treed ik overal in Nederland in zijn voetsporen, haal ik zijn wandelroutes onder het stof der jaren vandaan en steek ze in een hedendaags jasje. Onderweg leg ik mijn observaties naast de zijne om zo een helder beeld te schetsen van de eerste prille stapjes van het Nederlandse wandeltoerisme en de tijd waarin dat opkwam.

Om te beginnen schrijf ik de komende acht weken, vanaf 5 juli, voor Zomertijd een feuilleton. In de eerste aflevering, komende zaterdag, stel ik mij dezelfde vraag als pionier Jacobus Craandijk in 1879: "Kan men wandelen in Drenthe?"

Jacobus Craandijk (1834-1912)

In de jaren waarin hij de doopsgezinde gemeente van Rotterdam voorging maakte predikant Jacobus Craandijk tientallen voettochten. Zijn verslagen, geïllustreerd met litho's van Piet Schipperus, verschenen tussen 1875 en 1884 in de eerste zeven delen van zijn 'Wandelingen door Nederland' met pen en potlood. Het leverde hem de bijnaam 'de wandelende dominee' op. In 1884 werd hij geroepen in Haarlem, waar hij tot zijn pensionering 1900 predikant was. In 1888 volgde nog een deel 'Nieuwe Wandelingen', daarnaast schreef hij talloze historische en kerkelijke publicaties, reisverslagen en toeristische brochures. Jacobus Craandijk overleed in 1912 in Haarlem.

www.jacobuscraandijk.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden