Column

Mijn oplossing: wolven in de Oostvaardersplassen

Rob Schouten Beeld Maartje Geels

Ik heb het vroeger allemaal gelezen, 'Kazan de wolfshond' van James Oliver Curwood, 'De zwarte hengst Bento' en 'Manso de poema' van Ditha Holesch, en ja ook 'Bambi' van Felix Salten. Maar dat ik nu beter weet hoe we met de wilde natuur moeten omgaan, nou nee. 

Landschappen, die mooie mix van natuur en cultuur, bergen met wat huisjes ertegenaan, een meer met een bootje erop, dat snap ik allemaal wel, maar aan puur natuur moet ik nog altijd wennen.

Neem de wolf. Op tv hoorde ik een parlementaire dame zeggen dat-ie in Nederland zo snel mogelijk afgeschoten dient te worden want hij gaat onze boeren van zijn schapen beroven. Faunabeheer heet dat met een duur woord. Ze stond erover te praten alsof de wolf ongedierte was, een sprinkhanenplaag. En dat terwijl de wolven-liefhebbers juist kwijlend staan uit te kijken naar het eind van de maand, als zich voor het eerst sinds anderhalve eeuw mogelijk weer een wolf in onze contreien gevestigd heeft. De discussie ja/nee lijkt overigens prima bij dit roofdier te passen. De wolf heeft nu eenmaal altijd een heel slechte en een heel goede pers gehad.

Ik zat in dezelfde tijd dat ik mij inlas in het wilde dier op de padvinderij, bij de welpen en we hadden dus een Akela, zo genoemd naar de wolvin uit 'Het jungleboek' van Rudyard Kipling, die mensenkind Mowgli opvoedt. Duidelijk een goede wolvin, net zoals de wolvin Lupa Capitolina die Romulus en Remus zoogde en zo voor de stichting van de stad Rome zorgde. Maar onze sprookjes zetten even graag de boze wolf in de verf; Roodkapje en de wolf voorop, het oersprookje over verraderlijke slechtheid - angst voor wilde dieren wordt zelfs het Roodkapje-syndroom genoemd (hoewel Roodkapje juist níet bang was); verder duikt veelvraat wolf hongerig op bij de zeven geitjes evenals bij de drie biggetjes, alhoewel in dat laatste verhaal dan weer hoop schemert in de figuur van Wolfje junior, die een goede, varkensgezinde inborst heeft.

Menselijk

Kennelijk projecteren we nogal menselijke eigenschappen op het beest, namelijk goedheid en slechtheid, het beest deugt als het voor z'n welpen zorgt, deugt niet als hij andermans vee doodt. Eigen volk eerst lijkt zijn devies. De wolf is ook een van de weinige dieren waarmee we ons vereenzelvigen, in de klassieke uitspraak 'homo homini lupus' bijvoorbeeld: de mens is voor de medemens een wolf, en ook in de ijzingwekkende figuur van de weerwolf, de mens die 's nachts in een wolf verandert.

Maar terzake, waar sta ik in de wolvenkwestie? Ik weet het niet. Ik ben geneigd het beest het voordeel van de twijfel te gunnen, laat maar rondlopen, het schijnt dat hij reeën prefereert en als die er in overvloed zijn, schapen versmaadt.

Maar waarom de wolf z'n gang laten gaan terwijl het afschot van herten in de Oostvaardersplassen weliswaar naargeestig maar goed overdacht en gerechtvaardigd lijkt. Vind ik een wolf misschien alleen maar leuk omdat het een romantisch dier is? En dat terwijl ik dit jaar juist een beetje consequent zou willen denken.

Mijn voorlopige oplossing: wolven in de Oostvaardersplassen.

Lees meer columns van Rob Schouten op trouw.nl/robschouten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden