Mijn oom

Hamburg. Kerstmis 1942. Mijn grootmoeder is gastvrouw op Kerstavond. Haar beide zonen - geboren in 1902 en 1909 - zijn op 'thuisverlof'. De jongste, mijn vader, heeft zoals onder bezetters gebruikelijk, cognac uit Parijs meegebracht. De oudste, mijn oom Paul, te oud voor de normale legerdienst, was opgeroepen voor de politie en is geruime tijd in Polen geweest. De familie viert in groter verband de Kerst en het weerzien.

Er wordt gedanst. De cognac is al royaal aangesproken. Mijn oom danst met mijn moeder. Hij blijft midden onder de dans staan en zegt tegen haar: “Kun je je voorstellen dat ik jonge vrouwen zoals jij heb moeten doodschieten?” Mijn moeder is op slag nuchter en merkt dat ze een zware hoofdpijn heeft. Ze trekt zich terug. De familie denkt dat ze dronken is. De volgende dag krijgt ze bezoek van mijn oom, angstig en opgewonden praat hij op haar in en laat haar beloven dat ze niemand over het doodschieten van joden zal vertellen.

In 1967, ik ben 15 jaar, en woon bij mijn ouders in Sleeswijk-Holstein, komt mijn oom op bezoek. Hij woont in Nedersaksen en is eigenaar van twee schoenenzaken. Af en toe komt hij bij ons op bezoek, de broers kunnen het goed met elkaar vinden. Maar deze keer komt hij niet van huis, maar uit Hamburg, waar hij betrokken is bij een proces. Ik zit mee aan tafel en hoor voor het eerst wat hij in de oorlog heeft gedaan: als lid van een politiebataljon in Polen joden doodschieten. Vrouwen, kinderen, mannen.

Ik schreeuw tegen hem, hoe hij dat heeft kunnen doen. Hij kijkt me aan - heeft hij tranen in zijn ogen? - en beweert dat hij zelf zou zijn doodgeschoten als hij niet geschoten had. (Die Zentrale Stelle der Landesjustizverwaltungen zur Aufklürung nationalsozialistischer Verbrechen in Ludwigs- burg heeft vastgesteld, dat van de SS-ers die weigerden deel te nemen aan het doodschieten van mannen, vrouwen en kinderen niemand is veroordeeld en geëxecuteerd, laat staan ter plekke geëxecuteerd. Hoogstens werden ze uitgescholden of naar een andere eenheid overgeplaatst.) Huilt hij uit zelfbeklag of treurt hij om de slachtoffers? Mijn vader zegt niets en kijkt oneindig treurig, mijn moeder verbijt haar weerzin. 'Befehlsnotstand'. Wil ik dan, schiet me door het hoofd, het leven van mijn oom op het spel zetten?

Te moeilijke vragen voor een 15-jarige. Maar ik weet nu, dat de joden, zoals ik net op school leer, niet uitsluitend in vernietigingskampen vergast zijn. En ik weet dat de daders niet anoniem zijn. Ze heten niet alleen Hitler, Himmler, Göring en Heydrich, wiens foto de geschiedenislerares ons heeft laten zien met de opmerking dat men wel kon zien dat het een misdadiger was. De daders heten ook oom Paul.

Mijn oom, die vleugels krijgt door mijn verstommen in het aangezicht van de verpletterende problemen, vertelt nu over het proces. Hij noemt namen: die van zijn commandant Trapp en ook die van een zekere W.S. uit de buurt van Hamburg. Deze namen onthoud ik. Maar vooral vertelt hij dat hij de moorden niet wil toegeven. Hij heeft gezegd dat hij het zich niet kan herinneren. Een vroegere 'kameraad', die evenals hij moet getuigen, maakt van de gelegenheid gebruik om voor de rechtbank alles te vertellen wat hij weet: de waarheid. Mijn oom maakt zich vrolijk over deze man, spottend toont hij zijn onbegrip voor diens gedrag - die belast toch alleen zichzelf. Hij zal maar weinig zeggen. Hij zal aan de waarheidsvinding niets bijdragen.

Oost-Pruisen 1902. Als tweede kind en eerste zoon wordt Paul geboren, en behalve hem nog acht kinderen, vier sterven er kort na de geboorte. Ze wonen op een boerderijtje, de dichtstbijgelegen stad van betekenis is Tilsit. Pauls vader vertelt graag dat ze afstammen van verdreven protestanten uit de buurt van Salzburg. De omstandigheden zijn eenvoudig, maar de boerderij is eigendom van de familie. Daar zijn ze trots op. De kinderen bezoeken allemaal de lagere school. 's Zomers lopen ze op blote voeten.

De vader komt zwaargewond terug uit de Eerste Wereldoorlog, zijn mening over de oorlog wordt niet door hoera-patriotisme bepaald, hij vertelt over de verschrikkingen van de oorlog en maakt daarmee indruk op zijn gezin. Toch ontvangt de gevoelige man in het dagelijks leven van zijn kinderen geen bijzonder respect. De moeder domineert deze familie met christelijke gestrengheid. Ook onderscheidt ze zich door verstand en hartelijkheid.

Paul gaat in de leer bij een meubelmaker en woont bij zijn leermeester in een andere plaats. De relatie met een jong meisje blijft niet zonder gevolgen: al in 1925 is Paul vader van een buitenechtelijke zoon. De uitgesproken levenslustige jonge man wil niet trouwen. Als meubelmakersgezel verlaat hij Oost-Pruisen bij 'bei Nacht und Nebel' richting Hamburg - zelfs zijn ouders zijn niet op de hoogte. Hij heeft geen zin de zedenpreken van zijn moeder aan te horen.

In Hamburg geniet Paul van het leven, na het werk in een chocoladefabriek bezoekt hij graag vermaaksgelegenheden. Hij neemt vioolles en verdient er wat bij met vioolspelen in eenvoudige gelegenheden. Bij de vioolles leert hij zijn toekomstige vrouw kennen. In 1929 wordt zij zwanger, in 1929 wordt er getrouwd, drie maanden na de bruiloft wordt er een zoon geboren, die maar een paar dagen leeft.

In 1929 volgt mijn vader de wegens zijn grotestadservaringen bewonderde oudere broer naar Hamburg. Als schoenmakersgezel verdient hij de kost, tot hij tijdens de economische crisis zijn baan verliest. Paul heeft een idee: Zijn jongere broer moet hem in sneltreinvaart tot schoenmaker opleiden, zodat ze samen een winkel kunnen openen. In Barmbek hebben ze een schoenmakerij in bedrijf. Het gaat niet lang goed: Paul laat zijn broer met materiaalrekeningen zitten. Het goedige broertje had de rekeningen op zijn naam laten zetten. De winkel moet worden gesloten.

De moeder in het verre Oost-Pruisen is daarover meer dan kwaad, ze wil de jongere voor de slechte invloed van de oudere beschermen door hem naar huis terug te roepen. In 1931 treft ze alle voorbereidingen voor de terugkeer van de zoon - maar die wil de grote stad niet meer verruilen voor het platteland. Daarop verhuizen nu ook de ouders naar Hamburg. Aan hun plattelandsbehoeften komt het Schreberpark tegemoet - het nieuwe familietrefpunt. Mijn vader richt een schoenmakerij in bij zijn ouders thuis, Paul één in Wandsbek.

Intussen zijn de nationaal-socialisten aan de macht. Pauls ouders zijn 'tegen', hetgeen onder andere tot uiting komt in het feit dat het vlaggen zo lang mogelijk wordt uitgesteld en vervolgens met het uithangen van een belachelijk klein vlaggetje wordt gedwarsboomd. De beide broers delen de mening van hun ouders. De motivatie blijft onduidelijk, voor politiek hebben ze zich nooit bijzonder geïnteresseerd. De vader zegt herhaaldelijk dat Hitler oorlog betekent - een veelgehoorde opvatting. Steeds weer benadrukt hij dat hij van de eerste oorlog genoeg schade heeft geleden.

Men trekt zich in het privéleven terug. Familiefeestjes en bezoeken aan dansgelegenheden wisselen het leven van alledag af. De broers - in 1931 is ook mijn vader getrouwd - gaan nog steeds graag samen uit. Als het de moeder ter ore komt roept ze haar volwassen en getrouwde zonen op het matje en draagt hen op voortaan hun echtgenotes op hun fuiftochten mee te nemen. Hetgeen ook gebeurt.

De broers sparen voor motorfietsen, gezamenlijk worden tochten naar de Oostzee ondernomen. Men geniet van het leven. En fluistert over de dingen die niet in de krant staan. In de marge van een optocht van de Nazi's door Hamburg spreekt een verbolgen SA-man mijn vader aan: “Je moet de vlag groeten!” Vanaf die tijd gaat men niet meer naar optochten kijken.

De joodse medebewoners in de huurhuizen in Wandsbek kent men natuurlijk. Men registreert hier en in de omgeving via verwanten wie er emigreren. Bijzonder verbijsterend is het verhaal van de oude buurvrouw Frau R., die na de Eerste Wereldoorlog uit Straatsburg weg moest: als Duitse. “En nu worden we zo behandeld”, zegt ze, als ze haar grote woning moet ontruimen voor een “Duits gezin”. (Frau R. werd naar Minsk gedeporteerd en daar vermoord.)

Mijn moeder helpt in de schoenmakerij van mijn vader en bedient de klanten. Op een dag komt er een man die vraagt of ze 'arisch' is. Ze zegt geschrokken ja. “Dan hebt u geluk, ik heb dezelfde naam als u en ik ben joods.” Zoiets vertelt men 's avonds en men is blij dat men niet joods is en net zo behandeld wordt als de medebewoners. “De betrekkingen die vrijkwamen doordat joden werden ontslagen, werden natuurlijk door Duitsers overgenomen.” Ook dat wordt opgemerkt en men is zich er niet eens van bewust dat men 'ertegen' is en toch onderscheid maakt tussen Duitsers en joden. Later schaamt men zich als men mensen met de jodenster ziet, die op het voetpad voor je opzij gaan of die in de winkel achteraan moeten gaan staan. Dat gaat toch te ver. “Het waren toch ook mensen.”

In 1939 begint de Tweede Wereldoorlog. Het Nazi-systeem haalt de broers binnen. Nu gaat het om henzelf. Eerst moeten de motorfietsen worden afgegeven: geen tochtjes meer. In 1940 wordt mijn vader als 31-jarige opgeroepen voor het leger en als bezettingssoldaat naar Parijs gecommandeerd. Hij was liever op zijn motor blijven rijden. Verlangende brieven schrijft hij naar huis. In 1940 wordt ook Paul opgeroepen - voor de politie. Zijn bijzonder verhaal begint.

Met politiebataljon 101 gaat hij naar Polen. Daar is hij lid van de ordepolitie. Hij maakt deel uit van de bataljonsstaf en werkt in de schoenmakerij. Maar dat is niet het enige. Ook bewaakt hij het ghetto van Lodz, de plaats die nu Litzmannstadt heet. 'Herhuisvestingsacties' in Posen (Poznan) en omgeving behoren eveneens tot het actiegebied. Het bataljon keert naar Hamburg terug, in 1942 maakt het zich op om opnieuw in Polen te worden ingezet. Met de trein naar Zamosc. Vervolgens naar de plaatsen Bilgoraj, Radzyn, Parczew en Kock, aansluitend ongeveer zes weken naar Chelm aan de Bug om stellingen te bouwen, dan weer naar Kock en Miúdzyrzec.

De leden van het bataljon schieten duizenden joden dood. Ook Paul schiet. Mijn moeder zal hij vertellen dat hij niet vaak werd ingezet. Hij zal haar vertellen dat hij ook vrouwen heeft doodgeschoten. Hij zal mij vertellen dat er voorafgaand aan de acties veel alcohol werd uitgedeeld. Hij zal een ander familielid vertellen dat hij op vluchtende joden heeft geschoten. Hij zal mij vertellen dat er bij het bataljon een dominee was die de mannen zielzorg aanbood voorafgaand aan de acties en dat de mannen hem in elkaar hadden geslagen.

Ze weten wat ze doen: ze vermoorden burgers, vooral joden, en kennelijk weten ze beter dan de man van de kerk dat het niet klopt. Ze laten zich niet vergeven wat ze doen. Voor de wereldlijke rechtbank, vele jaren later, herinneren ze zich precies de algemene omstandigheden, maar de weergave van hun eigen daden blijft daarbij meestal eigenaardig vaag.

Dat geldt ook voor de Pauls verklaringen. In zijn eerste verhoor op 25 september 1964 laat hij onder andere in het proces-verbaal opnemen:

“In juni 1942 rukte Politiebataljon 101 opnieuw naar Polen uit. Commandant was nu een zekere majoor Trapp. Als mijn compagniescommandant herinner ik me een zekere kapitein Wohlauf. Maar afgaande op mijn herinnering heb ik nooit bij de compagnie dienst gedaan: ik werkte als schoenmaker bij de staf van het bataljon. Als ik het me goed herinner, betrokken we in Polen eerst een oud klooster. Daar bleven we maar een paar dagen, waarna we naar een groot barakkenkamp zijn verhuisd. Maar plaatsnamen kan ik me met de beste wil van de wereld niet herinneren.

Het was waarschijnlijk eind januari 1943 toen ik voor het eerst thuisverlof kreeg en met verlof uit Lukow afreisde. Tijdens dit verlof kreeg ik vlektyfus en kwam in Hamburg in het ziekenhuis terecht. Mijn ziekte duurde ongeveer een half jaar. Na mijn genezing - waarbij ik moet aantekenen dat ik nooit meer helemaal gezond ben geworden, maar voor vijftig procent als oorlogsinvalide werd erkend - kwam ik niet meer bij het bataljon terug, maar deed dienst in Hamburg.

Als u mij hier nu vraagt naar jodenacties waaraan het bataljon in het district Lublin deelnam dan moet ik meteen zeggen, dat mijn geheugen door de ziekte erg geleden heeft en dat ik me gebeurtenissen uit die tijd nauwelijks nog kan herinneren. Voorzover ik het me voor de geest kan halen heb ik persoonlijk maar één actie meegemaakt, waarover ik hier dus ook nog wat kan vertellen.

Het moet in het najaar van 1942 zijn geweest dat ik vanuit Lukow met mijn kameraden van de bataljonsstaf werd ingedeeld bij de begeleiding van een jodentransport. Mijn groepsleider bij deze actie was pelotonswachtmeester S., die ook in het kledingmagazijn van het bataljon mijn superieur was. Daarnaast moet nog een ander commando van ons bataljon ongeveer ter sterkte van een peloton zijn ingezet. Maar van welke compagnie dit commando was en door wie het werd geleid, weet ik niet meer.

Bij deze actie hebben wij nu ongeveer vijftig tot honderd joden uit een gevangenis afgehaald en te voet ongeveer vijf tot tien kilometer buiten de stad naar een weiland gebracht. Hier moesten we de joden eerst bewaken. Maar van hieruit kon men al op een afstand van ongeveer honderd meter een ongelijkmatige zandvlakte met lichte begroeiing zien. We konden ook zien dat daar al veel doden lagen. In de nabijheid waren mannen, vermoedelijk joden, bezig één of meer kuilen te graven. Bewaking kon ik niet ontdekken, bovendien meen ik me te herinneren dat een deel van deze mensen bij ons verschijnen wegliep.

Na een bespreking met de leider van het andere commando deelde S. ons mee, dat het onze taak was de door ons gebrachte joden ginds bij de kuilen te fusilleren. Omdat ik met S. op goede voet stond, zijn mijn kameraad van de schoenmakerij A. en ik toen samen naar hem toegegaan en hebben hem gezegd dat wij daar niet toe in staat waren. S. heeft ons toen voor de bewaking van het weiland aangewezen, terwijl de overigen door S. bij het executiecommando werden ingedeeld. De joden werden nu vanuit het weiland in groepen van ongeveer tien man naar de kuil gevoerd en daar gefusilleerd. Het schiet me nog te binnen dat ook S. niet met de executies heeft meegedaan en eveneens als bewaker achterbleef.

De executies werden geleid door de leider van het reguliere peloton. Bij de slachtoffers ging het voor zover ik me herinner uitsluitend om mannen. Voor de executie moesten ze hun bovenkleding uitdoen. Desgevraagd: Ik kan met zekerheid uitsluiten dat de joden totaal naakt werden geëxecuteerd. Wat er uiteindelijk met de kleren is gebeurd, kan ik niet zeggen. Ik vermoed dat ze door Polen van de executieplaats zijn weggehaald, want op de terugweg kwamen we al een paar Polen met boerenwagens tegen. Vraag: Hebt u tijdens deze actie op de executieplaats politieofficieren of SS-ers gezien? Antwoord: Deze vraag kan ik nu niet meer beantwoorden. Ook wat de tijd betreft kan ik deze actie niet nader plaatsen. In ieder geval is het nog in de herfst geweest, voor het invallen van de winter.

Niet bekend

VERVOLG OP PAGINA 18 VERVOLG VAN PAGINA 17

Ook van de represaille-actie in Kock heb ik niets vernomen, hoewel ik me anderzijds kan herinneren dat pelotonswachtmeester J. is doodgeschoten. Wel heb ik uit de verhalen van kameraden moeten opmaken dat hun acties deels met joden te maken hadden. Ik herinner me ook van kameraden gehoord te hebben dat zij joden hadden afgevoerd of naar het station hadden gebracht. Maar details kan ik niet verschaffen. Ook van acties waarbij ondergedoken joden werden doodgeschoten, heb ik niets gehoord. Meer kan ik er niet van zeggen.'' (Bron: Zentralstelle Ludwigsburg. AZ 208/AR-Z 27/62, Band VII, Blatt 1569 e.v.).

Zijn verklaring behoort tot de kortste van het vooronderzoek. Uitvoeriger zal hij ook later niet zijn.

Noch tegenover mijn moeder noch tegenover mij noemt hij plaatsnamen of precieze details. In strijd met zijn verklaring is hij al met Kerstmis 1942 thuis in Hamburg, waar hij mijn moeder verslag doet. Of hij daarna nog een keer in Polen is geweest, blijft onduidelijk. Dat hij vlektyfus heeft gekregen, wordt door de familie bevestigd. In het proces-verbaal van een verhoor uit 1978 is te lezen: “De getuige geeft aan de verhorende ambtenaar een schrijven van het gemeentebestuur van de hanzestad Hamburg, gedateerd 25 maart 1943, ter inzage. Het gaat daarbij om een doktersverklaring ten behoeve van de politie. Met betrekking tot toenmalig reservewachtmeester Paul F. werd verklaard dat hij tussen 1 februari 1943 en 25 maart 1943 wegens vlektyfus ter behandeling was opgenomen geweest.”

Het identiteitsbewijs waaruit blijkt dat hij zwaar oorlogsinvalide is, is gedateerd 7 juni 1944. Of hij in Hamburg of in Polen vlektyfus heeft gekregen wordt niet duidelijk.

Mijn moeder, die nog tot juli 1943 in Hamburg is gebleven, tot ze wordt weggebombardeerd, vertelt dat Paul na de ziekte totaal was veranderd. Zij denkt bij zichzelf dat de ziekte een reactie op de acties kan zijn. De rest van de familie, niets vermoedend, verbaast zich over hem. Paul, die altijd een opgewekt mens was, lacht niet meer en maakt een totaal gesloten indruk.

Bijna alle leden van de familie in Hamburg zijn na de grote bomaanvallen dakloos. Van de woning en de schoenmakerij van mijn ouders is niet meer over dan puin en as. Onder het puin vandaan haalt Paul de voor een schoenmakerij nodige garneringsmachine en brengt die over naar zijn nieuwe onderkomen. Hij maakt gebruik van zijn - zoals hij steeds zal benadrukken - zuiver formele betrekking tot de SS en krijgt voordelen bij het verwerven van een bouwterrein.

Officieel wordt Paul op 30 mei 1946 door de Engelsen uit de politiedienst ontslagen. In de 'medische beoordeling' op zijn ontslagbrief wordt vermeld: “Conditie na vlektyfus. Beperkt arbeidsgeschikt”. Met veel energie bouwt hij een zaak op, en later een tweede. Trots komt hij zijn eerste auto laten zien, een Borgward Goliath. Zijn broer is pas vele jaren later in staat een VW-kever te kopen, hetgeen voor Paul herhaaldelijk aanleiding is voor afkeurende opmerkingen.

De bezoeken van Paul aan ons gezin verlopen steeds op dezelfde wijze. Hij bekritiseert alle politici over de hele lijn en deelt mee dat hij in zijn woonplaats de enige is die DFU (Deutsche Friedensunion, in 1960 opgerichte en door de DDR ondersteunde linkse partij, doet sinds 1969 niet meer aan de verkiezingen mee) stemt. Nooit uit hij zich anti-semitisch, hij laat zich helemaal niet over joden uit. Waarschijnlijk vermijdt hij het onderwerp en zegt hij niet wat hij werkelijk denkt. 's Avonds wordt er meer gedronken dan in ons gezin gebruikelijk is: het is feest. Paul hangt zich graag een oude, in huis aanwezige schoudermantel om, gebruikt een kroonkurk als monocle en poseert als versierder. Er wordt gezongen. Liefst operettemelodieën. Soldatenliederen worden er nooit gezongen. In het bijzonder zingt men graag: “Glücklich ist, wer vergisst, was nicht mehr zu ündern ist.” (Gelukkig is men als men datgene vergeet waaraan men niets meer kan veranderen.)

Jarenlang spreekt hij niet meer over zijn oorlogservaringen. Pas als ik ouder ben en hem na de dood van zijn vrouw en van mijn vader af en toe opzoek, komt hij altijd over de oorlog te spreken. In de loop van de jaren varieert zijn gedrag tussen trotse afweer en de behoefte tot praten, zij het ook met beperkingen. Een keer zegt hij: “Wat gebeurt er in de oorlog? Er worden mensen omgebracht.” Hij wil zich eruit praten, een gesprek over zijn schuld wil hij niet.

Paul weet dat alleen de hoofdbeklaagden in het proces van Hamburg, waartoe ook zijn compagniescommandant Wohlauf behoorde, tot gevangenisstraffen van vijf tot acht jaar werden veroordeeld en dat beklaagden van zijn rang in de regel werden vrijgesproken. Op een keer vertelt hij dat hij zijn toenmalige commandant in P. heeft opgezocht. Hij wilde hem op de oorlogsdaden aanspreken. Maar W.S. heeft hem weggestuurd en heeft niet met hem over de gebeurtenissen van destijds willen praten. Paul constateert het met verbittering. Tenslotte had hij uit loyaliteit vermeden zijn commandant voor het gerecht 'zwart te maken' - zo zegt hij.

Paul heeft de behoefte de waarheid te zeggen, maar zonder het risico van strafrechtelijke consequenties te willen lopen. Hij probeert met een dominee een gesprek aan te gaan. Daarna merkt hij op dat die hem ook niet heeft kunnen helpen. Zijn verhalen zijn altijd heel kort, hij vermeldt het feit van de executies, maar geeft geen details. Eén keer vertelt hij me dat hij alle documenten die met het proces te maken hadden, heeft vernietigd. Een andere keer laat hij me de enige brief zien die hij heeft bewaard: een missive van de Officier van Justitie bij de Hamburgse rechtbank met het bericht dat het onderzoek tegen hem 'wegens geringe schuld' is stopgezet. Als ik de brief nauwkeuriger wil lezen, trekt hij die weg. Ik onthoud 'Polizei-bataillon 101'.

Wat ik niet weet: Paul heeft ook behoefte om te praten omdat er nog altijd onderzoekingen tegen leden van het bataljon gaande zijn. Op 28 februari 1978 wordt Paul opnieuw gedagvaard. Bij het verhoor verklaart hij nog minder dan tevoren:

“Ik kan op het ogenblik ook geen uitspraken doen over hetgeen ik destijds in Polen heb meegemaakt. En ik kan ook niet meer bevestigen wat ik vroeger ooit in het proces van Hamburg over mijn inzet in Polen heb verklaard.

Vraag: Herr F., klopt het werkelijk dat u zich niet meer kunt herinneren wat u bij het vroegere verhoor over de executie van joden in Lukow heeft verklaard? Het onderzoek tegen u is toch later stopgezet. U moet toch in uw gedachten sterk met deze aangelegenheid bezig geweest zijn. Antwoord: Het spijt me, ik heb geen herinneringen aan mijn inzet in Polen. Na doorvragen: Ik voel me niet echt ziek. Maar mijn geheugen is sterk verminderd. Ik ben al 76. Na verder doorvragen: Het gaat er niet om dat ik zou weigeren verklaringen af te leggen, ik kan het me gewoon niet meer herinneren.''

Vermoedelijk zien de ambtenaren niet dat de 76-jarige na het verhoor - hij heeft zich zojuist nog op zijn leeftijd beroepen - met zijn limousine wegstuift. Nog op zijn negentigste zal hij graag en veel auto rijden.

In 1983, Paul is 81, wordt hij weer gedagvaard.

“Na in zijn woning te zijn bezocht verschijnt de gepensioneerde Paul F. en legt na ondervraging thans de volgende verklaring af:

1. Begin 1940 ben ik in Hamburg in dienst gekomen. Ik was bij de hulppolitie.

2. Ik was de eerste tijd nog hulppolitieagent. Later werden wij overgenomen door SS-politieregiment 25. De precieze aanduiding kan ik me niet meer herinneren. Begin 1942 heb ik vlektyfus gekregen. Ik ben naar Hamburg teruggekeerd en heb toen in het ziekenhuis van Altona gelegen. Daarna ben ik niet meer bij het regiment teruggekomen. Ik heb in Hamburg nog dagdienst gedaan en ben later ontslagen. Nadat ik ziek geworden ben, ben ik nooit meer bij de eenheid teruggekeerd en ik kan dus geen verklaringen afleggen met betrekking tot de vragenlijst en de in 1942 en 1943 begane daden.'' Daarna wordt hij tot aan het einde van zijn leven in 1993 niet meer gedagvaard.

Na de dood van zijn vrouw in 1974 verkoopt hij zijn huis en laat op hetzelfde terrein een huisje bouwen. Met de nieuwe eigenaren komt hij overeen dat deze hem zullen verplegen als hij hulpbehoevend zou worden. Maar zover komt het niet. Hij wil eigenlijk de rechten op zijn terrein niet opgeven, maakt door kleinzielig en ook denunciërend gedrag de nieuwe eigenaar het leven moeilijk en verstoort zo de goede verhoudingen. Nog altijd rijdt hij graag auto en onderneemt met een vriendin uitstapjes. Nog altijd gaat hij graag vissen.

In 1986 geef ik hem mijn boek “Jeden Moment war dieser Tod”. Het bevat interviews met joodse vrouwen die Auschwitz hebben overleefd. Na Pauls dood vinden wij het als enige boek in zijn huis. Hij heeft het in de linnenkast verstopt.

Op 90-jarige leeftijd krijgt Paul twee keer kort na elkaar een beroerte. De tweede beroerte is zo zwaar dat hij, hoewel hij na geruime tijd weer kan lopen, niet meer kan spreken. Al zou hij al willen: nu kan hij niets meer over de oorlog vertellen. Mijn zuster wordt zijn verzorgster; samen bezoeken we Paul in het verzorgingshuis waar wij hem hebben laten opnemen. De communicatie is moeilijk, hij gedraagt zich heel agressief en zondert zich in het huis van iedereen af. Hij hangt aan enkele verpleegsters die heel begripvol met hem omgaan. Zij kennen zijn geschiedenis niet.

Meerdere malen gaat hij zo tekeer dat hij in de psychiatrische afdeling van het gemeentelijk ziekenhuis moet worden opgenomen. Meerdere malen laat men ons komen omdat hij op sterven ligt. Wij zitten aan zijn bed en zien dat hij niet kan sterven.

Niet lang na Pauls beroerte verschijnt het boek van Christopher Browning, Ganz normale Münner. (Nederlandse vertaling: 'Doodgewone mannen - Een vergeten hoofdstuk uit de jodenvervolging'; vert.). Voor het eerst lees ik iets over Pauls politie-eenheid. Ik weet nu de details die Paul niet heeft verteld. Ik weet nu hoe brutaal de executies in hun werk zijn gegaan. Ik weet nu welke beelden van de slachtoffers Paul waarschijnlijk verhinderen te sterven. Is het gemakkelijker te sterven als men zijn schuld heeft erkend?

Paul overlijdt in 1993. Meer dan een jaar heeft hij niet meer kunnen zeggen wat hem door het hoofd gaat. Hij had vastgelegd dat er geen plechtige uitvaart zou zijn en dat er pas na de begrafenis een overlijdensbericht zou verschijnen. Vijf mensen begeleiden hem op zijn laatste weg. De vrouwelijke dominee heeft zijn geschiedenis van mij vernomen. Ze bedankt me voor het gesprek en vertelt dat een familielid van haar treinen naar Auschwitz heeft bestuurd. De dominee leest woorden uit Psalm 18: “Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij. Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij. Als mij bang was, riep ik den Heere aan, en riep tot mijnen God: Hij hoorde mijne stem uit zijn paleis, en mijn geroep voor zijn aangezicht kwam in zijn ooren.”

De dominee spreekt deze woorden omdat Paul een briefje met deze psalm bij zich droeg. De psalm en de brief van de Hamburgse Officier van Justitie met het bericht van de beëindiging van de procedure tegen hem 'wegens geringe schuld', zijn ontslagbrief en de invalidekaart uit 1944 zijn de enige persoonlijke documenten die Paul bewaard heeft. En enkele foto's. Een daarvan toont een kleine man in uniform, die vrolijk lacht. Mijn oom. Op de achterkant staat: 'In Polen 1942'.

Terwijl ik naar Pauls opgebaarde doodskist kijk, bedenk ik dat de mensen die hij geëxecuteerd heeft geen doodskisten hadden. Kuilen, massagraven, geen gebeden. Geen rouwende nabestaanden - die konden er niet zijn, omdat iedereen werd vermoord. Hij werd 91 jaar oud. Meer dan 50 jaar heeft hij met zijn schuld en met de beelden van de executies moeten leven. Hij heeft 91 jaar mogen leven, veel langer dan degenen die hij heeft doodgeschoten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden