Mijn Nederland

De nieuwkomers: Wat vinden ze mooi? Wat herinneren ze zich? Hoe zijn hun ervaringen met Nederland? Welke plek koesteren ze? Vandaag deel 1: De Posbank.

In de afgelopen jaren is er volop gedebatteerd over de vraag of nieuwkomers kunnen zeggen dat Nederland ook van hen is. Wat vinden ze mooi? Wat herinneren ze zich? Hoe zijn hun ervaringen geweest met Nederland? Wat hebben ze dit land te bieden en wat missen ze zelf? Welke plek koesteren ze? Journalist üzkan Gölpinar gaat in een serie op zoek naar de mooiste plekken van Nederland vanuit de ogen van nieuwkomers. Vandaag deel 1. Erhan Gürer, literair vertaler.

Mijn vader heeft nooit doorgehad in wat voor context hij naar de Achterhoek kwam. Hij had het gevoel dat hij als gastarbeider erop vooruit was gegaan toen hij in 1975 voor Thomassen & Drijver in Doesburg ging werken. Hij had een huis, een oude Ford Taunus en een inkomen. Wat wil een mens nog meer? Vijftien jaar lang heeft hij in deze fabriek gewerkt. Elke dag verpakkingen maken. Van werk naar huis en van huis naar werk. En dat zonder morren. Maar wat hij niet wist, was dat hij alleen welkom was om zijn spierkracht. Met zijn spierkracht nam gaandeweg ook de Nederlandse gastvrijheid af.

De eerste jaren woonden mijn ouders nog alleen in Doesburg. Toen duidelijk werd dat zij niet na een paar jaar werken zouden terugkeren, werden de kinderen uit Turkije overgehaald. Dat waren hun mooiste jaren. Althans dat vonden zij zelf. Als zoon van een gastarbeider droeg ik de last van de eerste generatie migranten. Ik kon lezen wat er over ze werd geschreven. Ik hoorde het gefluister waarin afwijzend werd gereageerd op hun aanwezigheid. Ik wist hoe denigrerend er naar ze werd gekeken. Maar ik heb ze nooit verteld dat zij aan de onderkant van de samenleving zaten. Dat de periode dat ze gewenst waren afgelopen was.

Ik wilde mijn ouders beschermen tegen die pijnlijke constatering door er over te zwijgen. Terwijl ik er wel elke dag mee werd geconfronteerd. In de stad en op school. In de Nederlandse geschiedenisboeken werd het Ottomaanse Rijk de 'Zieke man van Europa' genoemd. In de Turkse geschiedenisboeken hadden wij juist geleerd dat het Ottomaanse Rijk altijd een grootmacht was geweest. Een trotse wereldmacht waarover men met achting diende te spreken. Maar in de Nederlandse lesboeken vond ik van die achting niets terug. Elk Rijk kent een periode van opkomst, bloei en ondergang. Maar in de Nederlandse boeken werd, althans in mijn herinnering, alleen de laatste periode, die van het verval, beschreven. Het kan ook zijn, dat ik een bijzondere gevoeligheid had ontwikkeld voor het negatieve. Als ik nu terugkijk denk ik dat ik in mijn kinderlijke fantasie extra ontvankelijk was voor alles wat met mijn etnische achtergrond te maken had. Je geest gaat dan selectief te werk. Je slaat alleen dat op, wat je wilt onthouden. Waar je je aan kunt vastklampen. Zo herinner ik mij niet alleen de geschiedenisboeken. Ook durfde ik niet de aardrijkskundeboeken open te slaan. Dat had te maken met een angst voor de daarin getekende landkaarten. Landkaarten waarop in verschillende kleurtinten de mate van welvaart werd weergegeven. Rood stond voor rijkdom. Nederland, Duitsland, Zweden en Zwitserland waren dieprood gekleurd.

Turkije daarentegen had een lichte kleur, bijna pastel, tegen het witte aan. Dan waren er nog de statistieken over het aantal telefoonaansluitingen per honderd inwoners, het aantal auto's, artsen etc.

In de klas kon ik met mijn Turkse achtergrond nergens over opscheppen. Status moet je immers ergens aan ontlenen. Omdat wij het financieel niet breed hadden, kon ik niet uit. Ook deelname aan een sportclub zat er niet in. Daarbij was ik een nogal verlegen jongen die bij het minst of geringste begon te blozen. Er hoefde dan ook niet veel te gebeuren of ik liep rond met de rode kleur van Nederland uit de aardrijkskundeboeken op mijn kaken.

Mijn teleurstelling bereikte een hoogtepunt nadat ik openlijk door mijn leraar werd berispt over een schrijfopdracht. Ik had namelijk geschreven dat het Turkse leger de trotse hoeder was van de seculiere republiek Turkije. En dat Atatürk, de grondlegger van het moderne Turkije, een groot staatsman was. Volgens mijn leraar was Atatürk een dictator en had het Turkse leger niets gedaan om trots op te zijn. Vanaf dat moment is me duidelijk geworden dat we alleen door Nederland geaccepteerd zouden worden als wij een duidelijke toegevoegde waarde hadden.

Daarmee brak voor mij het moment aan om onderzoek te verrichten naar mijn identiteit. Ik geloof dat ik vervolgens een groot deel van mijn leven, van mijn tiende tot mijn twintigste in de openbare bibliotheek van Doesburg heb doorgebracht. Je hoefde er geen entree te betalen, het was er warm, ze hadden chocomel en niemand vroeg je wat je er te zoeken had.

Ik heb daar alles gelezen wat me maar verder kon helpen in de Nederlandse samenleving. Kennis is immers macht. Zinnen en woorden werden gaandeweg mijn munitie. Ik las niet alleen boeken over de Nederlandse geschiedenis, maar ook alles wat betrekking had op Turkije. Gevoed vanuit een oeroud instinct om mijzelf te kunnen verdedigen. Ik klampte mij vast aan elk snippertje positief nieuws over mijn geboorteland. Elk snippertje waarmee ik tegenwicht kon bieden aan de in mijn optiek voortdurende vernedering.

Om aan mijn realiteit van het 'anders zijn' en 'niet geaccepteerd worden' te ontsnappen. Ik was dan ook in alle staten toen ik van mijn decaan vernam dat er een mogelijkheid was om Turkologie te studeren in Utrecht en in Leiden. Het was dan ook geen wonder dat ik mij daarvoor aanmeldde. Ik zou Nederland laten zien, dat Turken wel degelijk wat te bieden hadden. Het heeft jaren geduurd voordat er een evenwicht kwam in mijn beleving van identiteit. Mijn Nederlandse kant heb ik pas ontwikkeld nadat ik een Nederlandse vriendin kreeg. Via haar kwam ik voor het eerst in contact met Nederland. Het voelde aan als een warm bad. Haar vader was Fries en haar moeder Gronings. Ik werd door hen volledig geaccepteerd.

Ik leerde een totaal nieuwe kant van Nederland kennen. Een kant waar ik mij onbewust voor had afgesloten. Zo mocht ik mee op hun zeiltochten over de Friese meren, hun bezoekjes aan de camping en aan verschillende musea. Zij bewoonden een groot huis in Haren (Groningen). Vanuit Haren leerde ik de schoonheid van Nederland ontdekken door hun ogen. Zeilen, sporten, kamperen, zelfs verjaardag vieren heb ik met hen voor het eerst gedaan. Ik begon steeds meer van Nederland te genieten. Dat was misschien ook voor het eerst dat ik Nederland als 'mijn land' kon claimen. Ik maakte immers deel uit van een Nederlands gezin. Ik was geen buitenstaander meer, de rivieren, bossen en meren waren opeens van mij.

Mijn schoonouders werden mijn nieuwe opvoeders. Door hun aanwezigheid sloeg ik door naar de andere kant, waarbij ik kritischer werd naar mijn eigen geschiedenis.In plaats van boeken over Turkije, begon ik de Nederlandse klassiekers te lezen. Ik werd heen en weer geslingerd tussen gevoelens van trots en angst. Angst voor het verlies van mijn Turkse geschiedenis die ik zo zorgvuldig had getracht te koesteren. Onbewust had ik steeds meer afstand genomen van mijn Turkse familie en Turkse vrienden. Ik liet een verschroeide aarde achter en merkte op een gegeven moment dat ik overal los van was gekomen.

Met de hernieuwde kennismaking met Nederland was ik ook iets kwijtgeraakt. Ik kwam er pas later achter wat dat was. Namelijk mijn eigenheid. Ik wilde dat mijn nieuwe vaderland niet alleen mij maar ook mijn geschiedenis zou accepteren. Het zou accepteren als een onlosmakelijk onderdeel van mezelf. Iets dat zo in je botten en in je poriën zit dat het nooit meer loskomt. Hoe vaak je je ook wast met het Hollandse water.

Met mijn Nederlandse vriendin heb ik zes jaar een relatie gehad. In die zes jaar heb ik nooit het gevoel gehad dat zij me helemaal begreep. Er was steeds iets dat ontbrak. Dat had volgens mij te maken met een subtiel verschil van inzicht in de wijze waarop wij met emoties en onze geschiedenis omgingen. Twee keer kwamen wij lijnrecht tegenover elkaar te staan. De eerste keer waren we op vakantie in West-Turkije, op het zogenoemde 'Abantmeer' in Bolu. Ik raakte zo in vervoering door het landschap en de atmosfeer dat ik voorstelde om te gaan eten in een luxe restaurant bij het meer. Bij het afrekenen betaalde ik zoveel fooi dat mijn vriendin helemaal overstuur begon te raken. Zij begreep mijn vervoering niet en bracht alles terug tot rationele proporties. Maar het leven is niet altijd te vangen in rationaliteit. Sommige dingen moet je ondergaan, je ervoor openstellen, ook voor het mystieke, het onbegrijpelijke en het onverklaarbare.

De tweede keer waren op vakantie in Seattle, Noord-Amerika. Daar werden we in een hotel geholpen door een dame die op het eerste oog een Indiaans uiterlijk had. Mijn vriendin stelde gelijk de vraag 'Where are you coming from?' Waarop de verbouwereerde vrouw antwoordde 'Seattle'. Vervolgens bleef mijn vriendin maar doorvragen: 'But where do you come from originally?'

Ik vond dat zo illustratief voor Nederland. Steeds maar weer de vraag waar iemand oorspronkelijk vandaan komt. In Seattle werd mij duidelijk, dat hoe goed ik mijn best ook zou doen, ik nooit helemaal deel uit zou maken van hen. Ik heb nu ook meer evenwicht teruggebracht in mijn leven. Ik heb mijn ideale baan gevonden. Voor de centrale bibliotheek van Den Haag mag ik schrijvers uit Turkije uitnodigen voor literaire manifestaties. In mijn vrije tijd vertaal ik Nederlandse boeken naar het Turks en schrijf daarnaast zelf gedichten en korte verhalen. Ik heb onlangs Bernlefs 'Hersenschimmen' vertaald in het Turks. Over een maand wordt het in Istanbul uitgebracht. Bernlef zal er zelf ook bij zijn.

Den Haag is de stad waar ik woon, maar ik kan net zoveel genieten van Doesburg, waar ik ben opgegroeid. Ik hou van Groningen en Friesland net zo veel als van al die andere plekken die mij hebben gevormd. Het dorpje Darbogaz in Turkije waar ik ben geboren, zal ik altijd koesteren als mijn geboorteplek. Vanuit Doesburg leerde ik Nederland kennen. Op de fiets. Over de brug over de IJssel richting de Veluwezoom. Naar de Posbank. Fietsen langs boerderijen, langs de geelbruine akkers en weilanden en heide met fruitbomen, wilgen, populieren en klaprozen.

Als ik naar mijn gedichten kijk, dan zie ik dat ze bijna allemaal over de natuur gaan of gedroomde oorden en dode beschavingen waarover ik las tijdens geschiedenislessen of lessen Latijn op de middelbare school. Er is een prachtig gedicht van Peter van Lier, Licht in de verte, dat ik tijdens een reis met de nachttrein in het tijdschrift Rails had gezien. Ik heb nog nooit een zo vertrouwd gedicht gelezen. Het licht dat gastvrijheid uitstraalt. Ik heb het meteen eruit gescheurd en in het Turks vertaald. Ik word altijd vrolijk als ik dit gedicht lees.

De Posbank is mijn geheime, eenzame plek. De plek waar ik mij in mijn jeugd het gelukkigst voelde in Nederland. Op mijn fiets beklom ik de heuvels totdat ik bij het oude koffiehuis aankwam, mijn centrum van de wereld. Daar zette ik mijn fiets tegen een rek en liep door de heiden en bossen om mij na een wandeling van een paar uur neer te vlijen op de glooiende heide. Ik sloot voor een moment mijn ogen en luisterde naar het getjilp van de vogels en het zachte ruisen van de wind. Ik overdacht dan mijn leven, probeerde alles op mijn manier op een rijtje te zetten en tegen de avond, net voor de schemering, voldaan en met hernieuwde energie, fietste ik terug naar Doesburg.

Destijds was er een duidelijk onderscheid tussen de Turkse en Nederlandse bezoekers van de Posbank. Wij zaten met onze vingers in de bramenstruiken en zij zaten met hun boterhamzakjes op de bankjes. Wij zagen ons als een onlosmakelijk onderdeel van de natuur. Zij zagen zich als de beheersers van diezelfde natuur. Alles moest geordend en geoormerkt worden.

Maar in mijn beleving van de natuur passen geen wandelpaden en openingstijden. Afhankelijk van onze gemoedstoestand besloten we met de familie eropuit te trekken. Of het nou ochtend of avond was. Wij zochten een rustige plek in het dennenbos en spreidden een doek op de verende dennennaalden. Wat aten we? Meegebrachte tomaten, brood, kaas en druiven misschien? Als mijn vader sliep, speelde ik met mijn zusje en broertje met droge takken en zand in het bos. Ik groef droge irrigatiekanaaltjes in het zand, met waterreservoirs en akkertjes. Ik herinner me de Posbank als een heuvellandschap waar het altijd herfst is. Om de zoveel weken gingen we ernaar toe om bramen te plukken of kastanjes te verzamelen om ze 's avonds te koken of in de oven te poffen, net als in Turkije. Later is dat gevoel ten onrechte belachelijk gemaakt door de discussie over het zogenoemde 'Smulbos' voor allochtonen. Alsof Nederlanders niet van de vruchten van de natuur houden. Het idee werd afgeschoten omdat men ervan uit ging dat het exclusief voor allochtonen was bestemd. Maar we kunnen allemaal niet zonder de natuur. Hoe meer we ervan verwijderd raken, hoe ongelukkiger we worden.

Daarom is het ook jammer dat Nederland steeds meer verstedelijkt. Met de verstedelijking wordt de behoefte groter om de natuur te bedwingen. Ik begrijp dat wel, maar ik verzet me ook ertegen. Ik zie de reden er niet van in, waarom er niet een enkele paardenbloem tussen de stoeptegels mag uitgroeien. Waarom er in de stedelijke omgeving zo weinig terug te vinden is van diezelfde natuur. Vanuit mijn werkkamer van de centrale bibliotheek van Den Haag, kijk ik vanaf de vierde verdieping, uit over de stad. Ik zie dat er steeds meer wordt gebouwd en dat er steeds minder natuur ervoor terugkomt. Bomen worden vervangen door steen en glas.

Nergens een mooie fontein. Niet zo'n moderne flut-fontein zoals die naast het stadhuis op het plein, waar af en toe stralen water schichtig over en weer springen. Nee, een echte, zo'n mooie ronde, waar het water voortdurend krachtig omhoog spuit. Waar je op de rand van de fontein kunt zitten, met je voeten in het water en de flanerende mensen kunt aanschouwen. Noem mij maar een romanticus, maar ik mis de geschiedenis van Den Haag, met zijn statige lanen en parken. Je ziet dat overal door Nederland heen. Boeren trekken weg. Heide wordt omgeploegd en daarvoor in de plaats krijg je steeds meer Vinex-wijken die, door stringente bouwvoorschriften, nog geen millimeter verschillen van elkaar. Op deze wijze raakt een belangrijk deel van de Nederlandse geschiedenis steeds meer in de vergetelheid.

Net zoals dat de schrijvers van diezelfde geschiedenis steeds meer in de vergetelheid zijn geraakt. Vooral de schrijvers die oog hadden voor het alledaagse, voor het kleine. Schrijvers als Simon Carmiggelt. Zo staat er een standbeeld van Carmiggelt voor het stadhuis van Rheden. De meeste mensen die in Rheden wonen, valt het niet eens meer op dat het beeld daar staat. Carmiggelt zit daar met zijn vrouw op een bankje terwijl hij uitkijkt over de IJssel. De kunstenaar heeft op het bankje een plek vrij gehouden waardoor je naast het stel op het bankje kunt gaan zitten. Dat doe ik dan ook en ik probeer me voor te stellen wat hij destijds heeft gezien. Hij had een meesterlijk oog voor de details uit het leven.

Ik vergelijk Carmiggelt altijd met de Turkse schrijver Sait Faik Abasiyanik. Abasiyanik, die vooral furore maakte in de jaren 1940/1950 was de 'vader van het korte verhaal'. Hij was net als Carmiggelt sterk in het uitvergroten van de details uit het gewone leven. Tussen beide schrijvers is maar één verschil. Abasiyanik wordt in Turkije nog steeds geëerd, er zijn literaire prijzen naar hem vernoemd. De gedachte aan hem wordt nog steeds levendig gehouden, maar Carmiggelt raakt in Nederland langzaam in de vergetelheid. Veel jongeren kennen hem niet meer. Maar hij hoort wat mij betreft net zo goed in het rijtje thuis van Bomans, Reve, Campert, Vestdijk, Wolkers en Mulisch. Het is alsof zijn verhalen niet meer worden gekoesterd. Wellicht omdat wij vandaag de dag het gewone leven niet meer koesteren als iets waardevols.

Carmiggelt schreef over wat hij zag. In zijn verhalen figureerden geen helden. Mij sprak dat aan. In mijn omgeving waren ook geen helden. Zo heeft hij ooit een verhaal geschreven waarin hij de eerste generatie Turkse gastarbeiders die in en om Rheden woonden beschrijft. Tijdens een bezoek aan een café hoort hij de gastarbeiders van het pension 'Zomerlust' opgewonden 'Poel Poel' zeggen. Carmiggelt vraagt zich af wat ze daarmee bedoelen. Later blijkt dat ze wanhopig op zoek waren naar postzegels. Deze postzegels vormden voor hun de enige navelstreng met Turkije. In die tijd kon je alleen via brieven communiceren. Carmiggelt heeft dat prachtig beschreven.

Het was voorzover ik kon overzien voor het eerst dat een Nederlandse schrijver over gastarbeiders schreef. Niemand heeft echt oog voor ze gehad. Maar ze hadden wel recht op erkenning van hun bestaan. Het waren gewone mensen die met hard werken hun brood probeerden te verdienen. Iedereen is ze vergeten. Terwijl ze mede dit land hebben opgebouwd, zien wij ze buiten de AOW statistieken nergens meer in terug. Wat hebben ze achtergelaten? Ze keren niet terug in standbeelden en ook niet in boeken. Na een paar decennia zijn wij ze ook vergeten. Maar ik wil de eerste generatie gastarbeiders niet vergeten. Ze zijn de reden dat ik er ook ben, dat ik ook besta.

In tegenstelling tot wat veel Nederlanders denken, heeft de eerste generatie gastarbeiders altijd van Nederland gehouden. Ze leerden dit land ontdekken op een moment dat ze jong, sterk en nieuwsgierig waren. Ook al leefden ze in twee werelden, na dertig, veertig jaar waren ze meer Nederlander geworden dan ze ooit hadden kunnen bevroeden. Sommigen van hen waren zelfs uitgesproken monarchistisch ingesteld. Ze hebben vanuit hun eigen achtergrond, waarin autoriteit een belangrijke rol speelde, het koningshuis meer macht toegedicht dan het in de werkelijkheid had. Juliana en Beatrix groeiden in de ogen van sommigen uit tot mythische proporties. Er werden bij ons thuis hele gesprekken gevoerd over de fysieke uitstraling van beide koninginnen. Mijn ouders vonden dat het gezicht van Juliana weldaad uitstraalde. Haar dochter, Beatrix, had een meer autoritaire uitstraling. Beatrix was zowel een weldoener als een heerser waarvoor je bang moest zijn. Daarbij speelde nog mee dat destijds, als je Nederlander wilde worden, een officiële brief moest schrijven aan de koningin. Velen hebben gedacht dat het daadwerkelijk de koningin was die over hun verblijf in Nederland besliste. Nog steeds zijn er horden Turken die van mening zijn dat alleen de koningin ze kan helpen. Een paar jaar geleden werkte ik als persoonlijk medewerker van Fadime ürgü, tweede kamerlid voor de VVD-fractie. Zij ontving wekelijks brieven van Turken die haar vroegen of zij persoonlijk een brief kon doorsturen naar de koningin. Of het nou om een verblijfsstatus ging of om de afwijzing voor een uitkering, de koningin had de macht om onrecht te herstellen.

Daar denk ik nog steeds met veel plezier aan terug op het moment dat ik mijn auto parkeer naast het beeld van kunstenares Daphné du Barry van Beatrix op de fiets op de Posbank. Het beeld 'Koninklijk fietsen' staat er pas sinds 2002. De Posbank heette eigenlijk Herikhuizenveld maar is in 1928 veranderd in 'de Posbank' nadat er op één van de hoogste toppen in de omgeving een gemetselde stenen bank werd neergezet voor dhr. G.A. Pos, de toenmalige voorzitter van de ANWB. Ook staat het oude koffiehuis met terras er niet meer. Nu staat er een groot glazen paviljoen dat in de weekeinden wordt bevolkt door honderden dagjesmensen die allemaal met hun stationwagons met daarin hun hond, vrouw en twee kinderen in twee uurtjes de Posbank aandoen. Ze wandelen een half uurtje over de gemarkeerde paden en gaan vervolgens aan de koffie met appeltaart.

Toch ga ik elke keer als ik er ben naar het uitkijkpunt naast het bankje van dhr. Pos. Licht en lucht krijgen er een andere betekenis. Ik raak dan bevangen door een heel ander gevoel van schoonheid. Het licht verandert van kleur naarmate de dag verstrijkt. Vervolgens verdwijnt het om de duisternis toe te laten. Op dat moment slaat de extase over in een vorm van angst. Je ogen zoeken dan naar licht en als je dan in de verte het licht van een dorp of een stad kunt ontwaren, dan weet je dat je ondanks de duisternis een doel hebt.

Een plek om thuis te komen. Je weet dat de heuvels je zullen laten gaan omdat je geen vreemdeling bent. Ik zal pas thuiskomen op de plek die mij accepteert om wie ik ben. Met mijn geschiedenis en mijn verlangen naar de toekomst. Daarom is het ook goed om altijd op zoek te gaan naar die plek. Die plek in de verte waar licht straalt.

Ik heb me mijn hele leven in Nederland afgevraagd of ik op een gegeven moment geen vreemdeling meer zou zijn. Of er ergens in de verte licht te zien was, het hoefde geen zonlicht te zijn. Kunstlicht mocht ook. Een huis in Nederland waar ik welkom ben, waar de deur niet op slot staat. Ik denk dat ik het heb gevonden. Niet in Doesburg, niet in Leiden, niet in Den Haag en ook niet in Groningen. Ik heb het gevonden in Overijssel, in Ommen. Daar woont sinds kort een bevriend stel van mij in een boerderij net buiten de stad. Het is een gemengd stel, een Turkse man en een Nederlandse vrouw. Bij hen staat buiten op de deur de volgende tekst in het Turks: anahtar çizmenin içinde, wat zoveel betekent als 'de sleutel zit in de laars'. Volgens de eigenaar is het voor een verdwaalde Turkse wandelaar. Deze wandelaar is Gods gast en het is dan aan de eigenaar om hem gastvrij te ontvangen. Gastvrijheid bij Turken is een heilig begrip; de onbekende bezoeker wordt 'Gods gast' genoemd en er is een soort geloof onder Turken dat als je iemand aan de deur weigert, God dat verschrikkelijk zal straffen omdat de vreemdeling misschien door God zelf gezonden zou kunnen zijn. In het klassieke Turkse proza komen bijna altijd scènes voor waarin iemand hartelijk wordt ontvangen en verzorgd door de gastheer. Hij krijgt eten en een bed met een karaf water en een kom fruit op het tafeltje ernaast. De volgende ochtend vertrekt de gast, niet voordat hij zijn zegen heeft uitgesproken over de gastheer en hem overvloed heeft toegewenst. 'Zegen aan uw geldbuidel', zegt hij dan, of 'mogen de zielen van je voorouders rust vinden'.

Ik kan naar deze boerderij in Ommen wanneer ik wil. Ik weet nu dat ik met mijn eigenheid ergens welkom ben. Dat ik herkend en erkend wordt. De meeste mensen die ik ken, of het nou om Turken of Nederlanders gaat, klagen over het leven in de grote stad. Maar ze doen geen moeite om de stad te verlaten. Ze zitten zo vast aan de crèche en sportvereniging van hun kinderen, dat ze vergeten zijn dat ze niet zonder de natuur kunnen. Maar in Ommen zit nu dus een gemengd Turks-Nederlands stel dat vitaliteit brengt in een stukje Nederland dat steeds meer ontvolkt dreigt te raken. Ze blazen de omgeving nieuw leven in met hun liefde voor Nederland.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden