Mijn nacht met de Dichter des Vaderlands

,,De grootste verrassing is de chauffeur. Hij is zwart. ('Is he black or is he blackblackblack?', vroeg een Amerikaanse vriendin mij ooit.) In stilte bedank ik de hermesachtige Vodou-god die wegkruisingen en keuzes in zijn pakket heeft.'' Dichter Maria van Daalen las een gedicht voor op de radio, ontmoette daar de Dichter des Vaderlands en werd samen met hem zacht zoevend teruggereden naar Groningen, 'balancerend tussen een tintelende uitwisseling met de stuurman en een kalm gesprek met de dichter achter mij'.

In de antiquarische boekhandel in de Hartenstraat is het een vrolijke bende. Een twintigtal dichters leest elk hun eigen gedicht voor uit de kersverse bloemlezing 'Klotengedichten, poëzie over de mannelijke genitaliën in 69 en enige gedichten', zodat ook de presentatie zelf het karakter krijgt van een bloemlezing. Het publiek geniet. Vanaf de plek waar ik sta, waar elke dichter even komt te staan, kijk ik een levensgroot portret van Johnny The Selfkicker recht in het gezicht. Als niemand er iets van zegt... Ik wijs ernaar, noem zijn naam, en prompt hoor ik van twee kanten een gesmoorde lach. De aanwezige dichters Hans Plomp en Simon Vinkenoog vermoeden wat ik ga zeggen. Maar het publiek is te jong voor deze herinnering, 1966 is voor hen een geboortejaar, geen poëtische datum. Mijn luide Van Doorn-citaat, een staccato 'Kóm / tóch / ééns / kláár, / klóótzak', wordt met verbazing aangehoord. Uit een voorbije wereld. Het infotainment heeft definitief zijn intrede gedaan in de literatuur, en elke geschiedenis is doodverklaard - zo zelfs dat een jonge dichter mij onlangs trots verklaarde, dat de Poetry Slam in Rotterdam was uitgevonden. Toen ik zei dat het fenomeen uit het New York van de Sixties dateerde, uit het roemruchte Nuyorikan Café, was de mededeling niet welkom. Ik heb er maar vanaf gezien om uit te leggen, dat 'Nuyorikan' een talige optelling is van 'New York' en 'Puerto Rico'. Zelfs de West Side Story is niet meer begrijpelijk, denk ik. Het enige voordeel daarvan is, dat niemand meer in MariaMariaMaria uitbarst bij het horen van mijn voornaam. Enfin, dat geldt voor USA net zo; toen ik in 1996, in Iowa City, het net uitgebrachte 'Romeo + Juliet' ging zien, zat de filmzaal vol met vijftienjarige meisjes die in snikken uitbarstten toen Juliet zelfmoord pleegde, want ze waren er niet van op de hoogte, dat de geliefden in dat verhaal doodgaan.

Maar we zijn in Amsterdam, en nu loopt een van de twee samenstellers van de bloemlezing, dichter Daniël Dee, op me toe met een uitgestoken 06. 'Voor jou!' Ik ben de laatste Nederlander zonder mobieltje, maar ik begrijp toch, dat een radioman van Met het oog op morgen mij uitnodigt om in de rubriek 'Vijf voor twaalf' mijn gedicht te komen voorlezen. In hetzelfde programma wordt de Dichter des Vaderlands geïnterviewd, en daarna met de taxi teruggebracht naar zijn woonplaats Groningen. De landsdichter vindt het best dat ik meerijd.

Het telefoontje luidt een vreemde nacht in. Terwijl om mij heen het publiek de flessen stevig aanspreekt, blijf ik angstwekkend helder in mijn glaasje water turen. Ik drink niet als ik nog moet werken, en voorlezen is werk. Bovendien is radio erg leúk werk, de luisteraar kan elke kleine emotie van de spreker volgen aan diens stem, en het is een mooi spel om daarmee rekening te houden, als ik mij vooroverbuig naar die gevoelige radiomicrofoon. Komaan, op weg. Ik verplaats mij naar Amsterdam-Zuid, naar het huis van mijn oudste broer, en kort daarop wordt er aangebeld. Uw taxi staat voor. Wat een luxe, voor een arme dichter. 'Oh Lord, won't you buy me a Mercedes Benz?', maar de grootste verrassing is de chauffeur.

Hij is zwart. ('Is he black or is he blackblackblack?', vroeg een Amerikaanse vriendin mij ooit. Ik wist niet dat je zo economisch met taal kon omspringen.) Hij spreekt een keurig Noordhollands, maar zijn voor- en achternaam is Amerikaans. In stilte bedank ik de hermesachtige Vodou-god die wegkruisingen en keuzes in zijn pakket heeft. Sinds ik mij met die religie ben gaan bezighouden, is het leven er beduidend vrolijker op geworden, en of dat dé werkelijkheid is, of míjn werkelijkheidsperceptie, daarover ga ik niet muggenziften.

Ik ben dol op zwart, mits het Noordamerikaans is. In Noordwest-Europa heb ik immer de stellige indruk dat ik een tweederangs mensensoort ben, als vrouw. Dat onderscheid, met die pijnlijke en subtiele bewegwijzering in voegwoorden en bijwoorden, bestaat in Noordamerika ook, maar dan overgeheveld naar de scheiding tussen blank en zwart. En ik ben blank, blond, Europees en een vrouw. Altijd aan de goede kant van de spoorlijn. Ga een jaar in de USA werken, mededames. Een wereld van taalverschil. Het gebeurde mij met het eerste zwarte vriendje, dat hij aarzelend zei, 'luister eens, als ik met jouw goedvinden blijf slapen, en jij belt morgen de politie en je zegt rape, dan word ik zonder verdere plichtplegingen in de boeien geslagen, en verdwijn achter de tralies'. Dat klopt, al heb ik dat toen niet uitgeprobeerd. Maar zwarte mannen slaan ook, en 'to O.J. someone' is tegenwoordig een werkwoord. Amerikaans Engels is een jonge taal, er ontbotten voortdurend nieuwe woorden aan.

De chauffeur en ik zijn snel in een vrolijk gesprek gewikkeld. Hij is student bedrijfsinformatica, en heeft net een eigen firmanaam bedacht, 'feel-IT'. Kunst is vormgeving van emoties, zeg ik ter hoogte van Naarden-Bussum, en merk terloops op, dat mijn beide ouders in Oud-Valkeveen begraven liggen. Ik ben sinds 1969 niet meer per auto over deze weg gereden, en het voelt alsof de Mercedes zorgvuldig voortglijdt op de onzichtbare grens tussen twee tijdzones, die van een verre jeugd, en die van de toekomstige tijd van morgen, waarin de haastige opdrachten wachten. Het hier en nu is een kleine eeuwigheid met zachte hiphop op de zwartlederen achtergrond.

Als ik de radiostudio binnenstap, zit de Dichter des Vaderlands al achter het glas, en kijkt bekommerd naar de interviewer, en naar de plek waar de stem van een onzichtbare spreker uit de speakers komt. Een anonieme opbeller, veronderstel ik, omdat ik het niet goed kan horen, want aan deze kant zijn nog verscheidene technici in de weer. Mij wordt wel driemaal op het hart gedrukt, mijn gedichtje alvast op te zoeken, want, tsja, aan mijn gezicht valt niet af te lezen dat ik het kunstje al achttien jaar beoefen. Ik blijf met moeite ernstig. Een onbekende dichter heeft meer pret, dan één waar voortdurend op gelet wordt. De anonieme stem is die van Ilja. Ik hoor het pas later, in de auto, van de Dichter des Vaderlands. Wat zei hij? Van Wissen zucht, en ik begrijp dat de gedoodverfde kandidaat voor het landsdichterschap, Ilja Leonard Pfeijffer, niet tot de meest sportieve verliezers gerekend mag worden. En zijn Revisor heeft ook al de wacht aangezegd gekregen, denk ik erbij, maar dat vermeldt de landsdichter niet, die is wat tobberig door de mangel van een week met veertig interviews, en het gesprek onderweg vordert mondjesmaat. Ik vraag hem of hij al een programma heeft. Nee, dat moet ook nog.

Maar eerst mag ik in de studio mijn sonnetje voorlezen. Ik heb het speciaal geschreven voor de bloemlezing, en het beeld erin is dat van twee kiwi's, donkere en behaarde vruchten, en in de hand met een soort gewicht dat vaag bekend voelt. De landsdichter heeft het gedicht niet voor zich, zoals de interviewer, maar nadien, in de auto, blijkt uit uitspraken over mijn rijm en regelval, dat Van Wissen het goed op het gehoor gevolgd heeft. Dat is een vaardigheid die weinigen bezitten. Het zal samenhangen met zijn vormkennis.

Als de interviewer in de allerlaatste minuut nog twijfelend vraagt 'of nu maar alles in de poëzie geoorloofd is', want ook in Hilversum mag de kunst vooral niet met kut en kloten deel uitmaken van het leven, welnee, vort!, poëten!, terug jullie ivoren toren in!, had de vermoeide dichter nog wel graag het woord gekregen, maar helaas, de tijd is om, de taxi wacht.

Ik zet mij naast de chauffeur op de voorbank - do you want to sit shotgun zeggen mijn vrienden in Iowa, want bij de postkoets zat daar de man met het geweer - en Van Wissen, de chauffeur en ik besluiten dat wij erge haast hebben, zodat de zwarte tijdscapsule zich zacht zoevend de nacht in boort. Handig balancerend tussen een tintelende uitwisseling met de stuurman, en een kalm gesprek met de dichter achter mij, overvalt me opnieuw dat gevoel dat tussen-twee-zones te rijden, of halverwege twee verhalen, is het een Matrix-versie van Sinterklaas, of een 'Tom Poes en de Dichter des Vaderlands', geschreven door Gerard Reve en getekend door Dick Matena?

Voor de bekendmaking, op de Avond van het Gedicht, had ik een uitnodiging, maar ik liet verstek gaan. Het gebeuren bij NPS leverde hilarische tv op. Een land dat het Poet Laureate vervangt door de niet-vertaling 'Dichter des Vaderlands', kan weinig meer verwachten dan te worden opgezadeld met de keuze tussen een pompeuze juffrouw De Waard, een te diep doorleefde meneer Pfeijffer, of een brave leraar uit Hoogezand. De taal ordent het denken, en vertaalfouten kunnen dus onverwachte gevolgen hebben. ,,Ik begrijp dat archaïserende 'Dichter des Vaderlands' niet'', zei Van Wissen in de auto. Ik ook niet, maar het leidt wel tot een galmende visie op dichterschap, parallel aan het 'Vader -' en 'Moeder des Vaderlands.'

In het hele NPS-programma zat maar één leuke kritische kanttekening, en die is iedereen in de media ontgaan. Van elk van de drie kandidaten was een filmpje gemaakt, en dat was van muziek voorzien. Bij De Waard en Pfeijffer was de muziekkeuze niet opmerkelijk, maar het filmpje over Driek van Wissen begon met een stevige neurie, die ik, hikkend van de lach in mijn huiskamer, meteen herkende als de inzet van Rufus Wainwright's 'Oh What A World', van de cd Want One (2003). Nergens in de opname werd het hele nummer ten gehore gebracht, het bleef, herhaaldelijk, bij dat doordringende geneurie. Ik geef u de tekst:

Oh What A World

Men reading fashion magazines

Oh what a world it seems we live in

Straight men, oh what a world we live in

Why am I always on a plane or a fast train

Oh what a world my parents gave me

Always travelling but not in love

Still I think I'm doing fine

Wouldn't it be a lovely headline:

'Life is Beautiful' on the New York Times

in vertaling ongeveer dit:

Mannen die modebladen lezen

O, in wat voor wereld we nu toch leven

Heteromannen, o, in wat voor wereld leven we

Waarom ben ik aldoor per vliegtuig of trein onderweg

Wat voor wereld hebben mijn ouders me geschonken

Aldoor op reis maar nooit verliefd

Toch denk ik dat ik wel goed bezig ben

Wat zou het leuk zijn, op de voorpagina:

'Het leven is mooi' als kop van Trouw

De zanger zei er zelf later over: ,,Ik heb het thema van Ravels Boléro gebruikt, omdat het geen begin en geen eind heeft, het gaat maar door, en dat suggereert een steeds terugkerende nachtmerrie, vind ik. Maar vreemd genoeg wordt die terugkerende nachtmerrie dan iets vertrouwds. Ik denk dat ik mijzelf met die song eraan kon blijven herinneren, dat het leven nog steeds mooi is.''

Zo, lieve lezertjes. Maak het verhaaltje zelf af en kleur de plaatjes. Ik persoonlijk vind het prima dat de focus van de media nu op Groningen is. Dat had de landsdichter nog niet bedacht, bleek uit het gesprek; we waren intussen ter hoogte van Leek aangekomen, en het liep al tegen half twee. De boordcomputer van de zwarte stuurengel gaf aan dat we nu moesten afslaan naar Boerakker. Maar Van Wissen woont in Groningen-stad. Gelukkig was de dichter heel helder, al reed hij zelf geen auto, en de taxi werd nog net op tijd van de afslaande rijstrook terug de weg op gepalaverd. Daarmee was de landsdichter op tijd thuis, en eerder dan ik. De meter wees 308 euro aan, en de Mercedes kwam tot ruststand voor mijn sociale woningbouw. Nee, het was niet mijn bedoeling om nog te gaan koffiezetten voor onverwacht bezoek, en ik wuifde de zwarte engel vriendelijk mijn straat uit.

Het leven is mooi. Ik voorzie een hele nieuwe generatie dichters die het podiumcircuit zullen verlaten voor de huiskamer, om daar aan hun werk te puzzelen, met het retrograde rijmwoordenboek onder die ene wiebelende tafelpoot. Zonder herinnering. Alles is vorm.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden