Mijn mond blijft dood

Stephan Sanders ging een beetje proefgeloven. 'Ik neem het woord God in de mond, om te zien of ik het kan uitspreken zonder te giechelen', zei hij in Trouw. Op deze plek doet hij maaandelijks verslag van zijn vorderingen.

Dit is het verhaal van een dag, of nauwkeuriger gezegd, van anderhalf uur uit die dag, maar zoals vaker wordt het lineaire tijdsverloop doorsneden door herinneringen van langer geleden. Maar het begint hier: bij de Sint Nicolaasbasiliek in Amsterdam, recht tegenover het Centraal Station, waar het gebouw opzichtig lonkt naar de voorbijkomende stroom toeristen en treinreizigers.

A-locatie, zou je zeggen als het een winkel was. Ik wacht hier om 17.00 uur op een filmploeg van het programma 'Kruispunt', KRO-NCRV. Hun verzoek: steeds minder mensen gaan naar de kerk, jij ben er sinds kort juist mee begonnen, daar zit best een itempje in. En omdat de St. Nicolaas mijn kerk is geworden zullen ze hier filmen, en meteen profiteren van het omringende, woelige stadsleven. De Zeedijk om de hoek, waar de kroegen zijn en de tourist traps en waar de nadrukkelijke suggestie hangt van alles wat God verboden heeft. Contrasten - dat filmt lekker.

Nu een sprong achterwaarts, terug in de tijd. Ik ben de St. Nicolaaskerk eindeloos vaak gepasseerd, in vroeger tijden toen ik op de Zeedijk woonde op twee verschillende adressen. Het zal 1982 of 1983 zijn geweest, ik was in ieder geval student en armlastig, en de gemeente stelde toen huuretages beschikbaar voor studenten die de volledig verloederde Zeedijk niet nog meer drugsoverlast zouden bezorgen. Als begin twintiger vond ik het desolate en uitgewoonde karakter van die straat, waar dealers en junks en de politie elkaar voortdurend bezighielden, een uitgelezen kans. Grimmigheid was voor mij synoniem aan een gebrek aan hypocrisie en dus goed. Punk was nog net niet dood.

Vanzelfsprekend

Ik kan me niet herinneren dat de St. Nicolaas toen ook in bedrijf was, het moet een zieltogende parochie zijn geweest, en bovendien weet ik zeker dat ik er nooit een stap binnen heb gezet. Ik ging niet naar de kerk, niemand die ik kende ging naar de kerk, en natuurlijk was je atheïst. Dat was zo vanzelfsprekend dat je er niet van hoefde te getuigen.

Inmiddels is diezelfde Zeedijk onherstelbaar opgeknapt, de camera noteert ijverig de gerestaureerde gevels en de bedrijvigheid van winkeltjes. Ik wijs. Daar woonde ik. "Maar alles was anders toen", zeg ik wanhopig, want de misère van vroeger is zo grandioos overwonnen, dat het verleden een verzinsel lijkt.

En hoe leefde ik dan als atheïst? Dat vraagt de KRO-journalist niet, dat vraag ik me zelf, want je vroegere Ik lijkt wel een ander. Ook hier zou de contrastwerking het goed doen, het leven before and after, met als scharnierpunt een dramatische episode die de ongelovige tot bekeerling maakte. Amerikaanse evangelicals zijn er getraind in, ...and that moment I met the Lord, and everything changed...'. De religieuze coming out, met de voorgeschreven, parelwitte glimlach.

Ik kan me mijn homoseksuele coming-out niet eens herinneren, zo ondramatisch en vanzelfsprekend verliep die, en ook in religieus opzicht staat mij geen donder of bliksem bij. Langzaam maar zeker, jaar na jaar werd God een steeds minder krankzinnig woord en 'geloof' niet bij voorbaat een term om bij te snuiven. Ook op latere leeftijd kan je ergens 'ingroeien', zoals je dat vroeger met een jas deed.

En dan nog dit: als jonge homoseksueel vond ik het mijn plicht iedereen zo snel mogelijk op mijn seksualiteit te wijzen. Die roeping is mij in het religieuze vreemd, ik voel geen neiging te verkondigen, zeker niet tegen dovemansoren, omdat daarmee iets dat per definitie intiem is - mijn relatie tot God en geloof, het gebed - eventjes wordt uitgevent aan een matig geïnteresseerd publiek. Het ideale gesprek is het gesprek met de goede verstaander - u mag hier lezen: De Goede Verstaander - en alles wat je erover vertelt, voelt als verraad aan die innigheid. Daarom is over God spreken ook veel moeizamer en schaamtevoller dan over seks - hoezeer de seksuele bevrijders van de jaren '50 en '60 ook dachten dat het precies andersom zat.

Seks-aan-huis

Ik kan dat bewijzen. De KRO-ploeg heeft zijn shots binnen, we nemen afscheid, en dan kom ik, nog steeds op de Zeedijk, een kennis van vroeger tegen. Dat klinkt iets te onschuldig, dus ik weid uit. Twintig jaar geleden was ik vrijgezel en seksueel behoeftig: het stoorde me dat ik in dat internetloze tijdperk de cafés af moest om aan mijn gerief te komen. Dat kon veel autonomer: ik besloot een bureau te bellen voor seks-aan-huis. Met iets meer hapering in mijn stem dan bij een pizza, bestelde ik een mannelijk type, liefst bruin of zwart. Er meldde zich een lieve jongen, ewig weiblich, met lange uitwaaierende ledematen. Ik vertelde hem dat de afwijzing strikt onpersoonlijk was, ik reclameerde bij het bureau, en toen verscheen er inderdaad een mannelijk type. Wel blank, want gekleurd was niet voorradig. Je kon met creditcard betalen, hij had zo'n apparaatje bij zich.

De kennis van vroeger die ik nu tegenkom op de Zeedijk is de bestelde man van toen, nu twintig jaar ouder. Wij schamen ons niet, we lachen en halen herinneringen op. Maar dan vraagt hij: "Je was daar met een filmploeg? Hoezo?"

Ik noem de Zeedijk, toen en nu, de veranderingen en zo. Maar kerk? Geloof? Mijn tong is verlegen, mijn mond dood.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden