Mijn moeder stopte met werken

De moeder van Caroline Buijs tussen de bloemen, nadat ze is geslaagd voor de moedermavo (1981). Beeld RF

De meeste vrouwen boven de 45 hebben tegenwoordig een baan: de dochters van moeders die destijds vaak stopten met werken als ze gingen trouwen. Zo ook de moeder van journaliste Caroline Buijs.

De gebaksschaal: daar moest ik als kind heel voorzichtig mee zijn. En nog. Als ik weleens sta af te wassen in de keuken van mijn ouders, kan mijn moeder roepen: “Pas op hoor, die schaal heb ik nog cadeau gekregen van mijn collega’s bij ons trouwen.” De gebaksschaal, inmiddels bijna 58 jaar oud en hier en daar wat gehavend, was dus een van haar afscheidscadeaus. De schaal die haar nieuwe thuisleven inluidde.

Zoals zo veel vrouwen van haar generatie stopte mijn moeder met werken toen ze in 1959 trouwde. Of je nu wel of geen opleiding had gevolgd: in de jaren vijftig waren werkende vrouwen een uitzondering. De meeste vrouwen, of eigenlijk nog meisjes, volgden slechts een korte opleiding en werkten tot hun trouwen vaak op kantoor, in een winkel of fabriek. Meer dan negentig procent van de vrouwen trouwde in die tijd, en meestal trouwden ze jong.

‘Nederland was in die jaren een kostwinnerssamenleving’, schrijft hoogleraar arbeidseconomie prof.dr. Joop Schippers in het artikel ‘Betaald werk voor vrouwen: van uitzondering tot regel’. ‘De norm was dat getrouwde vrouwen zich wijdden aan het huishouden en later aan de verzorging en opvoeding van de kinderen. De man zorgde voor het gezinsinkomen en zo was het huwelijk voor een vrouw ook meteen een soort ‘levensverzekering’: eenmaal getrouwd, altijd financieel verzorgd. Maar ook altijd financieel afhankelijk.’

Droombaan: huisvrouw

Je wijden aan het huishouden en de opvoeding van de kinderen: als ik mijn moeder nu vraag hoe dat was, dan zegt ze dat ze dat in eerste instantie heerlijk vond. Mijn moeder (1936) is de oudste van een groot arbeidersgezin en was op haar veertiende klaar met de huishoudschool. Om door te leren was geen geld: ze moest aan het werk om het inkomen van mijn opa, die chauffeur was, aan te vullen. Niet altijd de leukste baantjes - in de huishouding, bij de groenteboer - maar toch vertelde ze er mijn zussen, broer en mij later hilarische verhalen over: zoals hoe ze scheetkussentjes aan de man bracht achter de toonbank van een feestartikelenzaak in de Haagse Passage.

Maar voor het eerst een eigen huishouden, na haar trouwen, dat was waar mijn moeder vooral naar had verlangd: ze had er lol in het huis netjes te houden, en al gauw was ze zwanger van de eerste. Ze borduurde lakentjes voor de wieg, naaide bijna al onze kleren, volgde met veel interesse opvoedcursussen, las de krant en luisterde naar de radio. Naar het programma ‘Moeders wil is wet’ bijvoorbeeld, dat steevast begon met: ‘Huisvrouwen van Nederland, tot tien uur bent u de baas in etherland. Een programma dat voor u is samengesteld door u.’

In elke aflevering sprak Mia Smelt met deskundigen over onderwerpen als opvoeding, hygiëne en gezond leven. Want, zo zei Smelt: “U heeft uw eigen verantwoordelijkheid, u bent de spil van het gezin, u moet kunnen meepraten met uw kinderen.” Vervelen deed mijn moeder zich nooit, en er was in die tijd - zoals ze zelf zegt - nog ‘echt contact met je buren’: geen van haar buurvrouwen werkte buitenshuis.

En dus paste je heel vanzelfsprekend op elkaars kinderen als je even weg moest. Of steunde je een buurvrouw die, denkt mijn moeder nu achteraf, leed aan een postnatale depressie.

Babyboomers

De generatie vrouwen na mijn moeder, de babyboomers, wilden het anders. Anneke Ribberink, onderzoeker politieke geschiedenis aan de VU, vertelt dat door de toenemende welvaart de onderwijskansen van jongens en meisjes toenamen. “Goed opgeleide jonge vrouwen waren niet meer tevreden met het perspectief van een huisvrouwenbestaan. Bovendien waren vrouwen eerder uit de kleine kinderen: dankzij de geboortebeperking werden gezinnen kleiner. Deze onvrede zorgde eind jaren zestig voor de tweede feministische golf: het kostwinner-huisvrouwenmodel stond ter discussie. De vrouwenbeweging eiste niet alleen gelijke rechten voor vrouwen voor betaald werk, ze wezen ook op de grote achterstand in opleiding en scholing.

De slogan ‘Marie, word wijzer!’ van de feministische actiegroep ‘Man Vrouw Maatschappij’ drong ook tot mijn moeder door: begin jaren zeventig volgde ze een VOS-cursus (zie kader) om zich bewuster te worden van wat er in de maatschappij speelde. En daarna had ze de smaak te pakken: ze ging door naar de moedermavo. Mijn vader timmerde een bureautje voor haar in elkaar, en ik herinner me dat als ik naar bed moest - ik zat nog op de lagere school - mijn moeder nog achter dat bureau in haar slaapkamer zat te leren. Want mijn moeder was supergemotiveerd en leergierig: ook als ik weleens ziek was, ging ze naar school, ze wilde geen les missen.

Mijn vader steunde mijn moeder door dik en dun. En wij kinderen ook, door soms pesterig te vragen: ‘Mam, moet je niet eens aan je huiswerk?’ De wc hing ze vol met rijtjes Duitse naamvallen en om haar te helpen leerde ik ze ook uit mijn hoofd - ook al had ik nog geen Duits - zodat ik haar kon overhoren.

Doorleren

Een langgekoesterde wens van haar was om na de mavo door te leren voor verpleegkundige. Maar de combinatie van het zorgen voor vier kinderen en studeren zag ze toch niet zitten - kinderopvang was schaars en moeilijk toegankelijk. Zelf vind ik dat nog altijd zielig om te horen, maar daar wil mijn moeder niets van weten: “Ik wilde zelf graag vier kinderen, dus het zorgen voor het gezin bleef op nummer 1 staan, en daar kijk ik zonder frustratie op terug.”

In de hal van mijn middelbare school hingen posters met slogans als ‘Mijn vader vond tandartsassistente echt iets voor mij. Ik dacht persoonlijk meer aan tandarts.’ Of: ‘Ik voorbestemd om kinderen te krijgen? Nou, dan hebben ze een weledelgeleerde moeder.’ Ook mijn moeder riep, zo lang als ik me kan herinneren: “Ik heb nooit de kans gehad, maar júllie gaan later studeren!” En ze hamerde erop dat we financieel onafhankelijk zouden worden. In onze omgeving zagen we vrouwen na hun scheiding in de bijstand terechtkomen. Dat mocht ons nooit gebeuren.

Ook al kijkt mijn moeder terug op een gelukkig leven, ik (1968) vind het soms schrijnend dat ze nooit is opgegroeid met het zinnetje ‘wat wil je later worden?’ - ik had me haar heel goed voor kunnen stellen als leidinggevende in een ziekenhuis. Schrijnend ook, omdat ik zelf mijn werk nooit zou willen missen. Behalve dat ik nooit financieel afhankelijk wil zijn van mijn man - dat heeft mijn moeder er goed ingestampt - zou ik de voldoening van mijn werk missen: het gevoel bij een goed gelukt verhaal, de mooie gesprekken die ik voer voor verhalen, de steun van collega’s.

Inmiddels ben ik zelf bijna zestien jaar moeder. Behalve dat mijn kinderen zien dat het normaal is dat hun moeder werkt, hoop ik dat ze later (dochter én zoon) het huishouden en de opvoeding zullen delen - net zoals mijn man en ik dat doen. Omdat niet alleen ik maar ook mijn man een dag minder is gaan werken toen we kinderen kregen. Naar het consultatiebureau of zwemles, eten koken of een kinderfeestje verzorgen? Ze weten niet beter dan dat we dat allebei doen.

Karin Fijn van Draat-Wisman en moeder Trudy Fijn van Draat Beeld Maartje Geels

‘Als invaljuf ging ik met kind en box per taxi naar school’

• Trudy Fijn van Draat-Wisman (1938)
• Opleiding: mulo en kweekschool. Werkte tot haar huwelijk in 1963 fulltime als onderwijzeres en van 1963 tot 1981 een paar dagen per jaar als invaljuf.
• Moeder van drie dochters.

“Bij mijn trouwen werd mijn vaste aanstelling als onderwijzeres omgezet in een tijdelijke aanstelling. Ik vond dat zo gemeen: ik heb bij het schoolbestuur voor elkaar gekregen om mijn vaste baan te behouden. Maar toen Karin werd geboren, hield dat op. Kinderopvang bestond niet: als ik weleens inviel, ging ik per taxi met Karin, de box en de wandel-wagen naar school. We hadden geen auto. Karin zette ik voor in de klas in de box en ik liet de kinderen uit de zesde klas met haar wandelen. Ik legde me erbij neer dat ik niet meer fulltime mijn vak kon uitoefenen en zocht op een andere manier een invulling: ik wijdde me met plezier aan de opvoeding, maakte kleren en was actief in de kerk en in de buurt.

Eén van de vrouwen uit onze buurt werkte wel: haar zoon liep soms bij ons door de straat te dwalen en dat vonden alle moeders zielig, dus haalden we hem naar binnen. Veel later, toen de kinderen volwassen waren, gaf ik het onderwijs op en begon ik meubels en boeddha’s uit het Verre Oosten te importeren. Dat heeft er denk ik voor gezorgd dat ik nu met mildheid terugkijk op de jaren dat ik niet of nauwelijks kon werken.

Als ik naar Karin kijk, denk ik vaak: wat is het zwaar als je met drie kinderen zo’n baan hebt. Gelukkig zijn mijn man en ik vangnet als de kinderen ziek zijn. Net als veel van mijn vriendinnen: soms zie ik op het schoolplein alleen maar opa’s en oma’s.”

‘Als vrouwelijke collega’s steunen we elkaar’

• Karin Fijn van Draat (1964)
• Werk: hoogleraar kinderhematologie, werkt in het AMC bijna fulltime (90 procent)
• Moeder van drie dochters, een van 15 en een tweeling van 13.

“Kennis is macht, zei mijn opa al en ook mijn ouders hebben mij altijd gestimuleerd om mijn talenten te ontwikkelen. Dat economische zelfstandigheid ook belangrijk was, leerde ik vooral uit Opzij en uit de boeken van Marilyn French. Mijn moeder zat vroeger klaar met een pot thee als we uit school kwamen, en ik vond dat gezellig en vanzelfsprekend. Schuldgevoel vind ik iets te sterk uitgedrukt, maar zelf ben ik als werkende moeder altijd bezig met het vinden van een goede balans: doe ik mijn kinderen niet tekort? Hoe verdeel ik mijn aandacht? In de korte schoolvakanties plan ik vaak vrije dagen, maar aan het einde van de laatste vakantie zei mijn oudste dochter boos: ‘Je hebt je veel te veel met ons bemoeid, we konden helemaal niet lekker onze eigen dingen doen.’

Ik hoop dat tegen de tijd dat mijn dochters carrière maken het beter is geregeld met de kinderopvang en we als vrouwen onderling minder over elkaar oordelen: ‘Oh, ben je weer een week naar een congres geweest? En je kinderen dan?’ kreeg ik weleens te horen op het schoolplein. Onder mijn vrouwelijke collega’s vind ik steun voor mijn keuzes en wij rooien het allemaal toch maar: daaraan zie ik dat ik niet verkeerd bezig ben. De bevlogenheid voor ons werk verbindt ons.”

Joke Hartman en moeder Janny Hartman-Jansen
Beeld Maartje Geels

‘Had ik maar een baan, dacht ik toen vaak’

• Janny Hartman-Jansen (1933)
• Opleiding: mulo en een type- diploma. Had handwerklerares willen worden. Werkte tot haar huwelijk in 1958 op kantoor.
• Moeder van drie dochters en twee zoons.

“Na ons trouwen verhuisden we van Putten naar Hoofddorp en stopte ik met werken. Ik stikte van de heimwee: als ik een auto in oostelijke richting zag gaan, dacht ik: ach, díé gaat de goede kant op. Had ik maar een baan, dacht ik toen vaak. Ik miste mijn collega’s en had weinig te doen: vanwege de woningnood woonden we in een salonwagen en die had ik natuurlijk in een mum van tijd schoongemaakt. Daarom was ik dolblij toen ik in verwachting raakte en ik ten minste flanellen luiers kon omhaken met een randje katoen.

Later vulden mijn dagen zich met het verzorgen van de kinderen en met breien en kleren maken. Ik kijk daar met voldoening op terug: ik haalde bevrediging uit het werk dat ik deed voor mijn gezin. Bovendien heb ik altijd veel vrijwilligerswerk gedaan. Ik was diaken in de kerk. Soms voelde ik me net een maatschappelijk werkster: ik had een pittige wijk met nogal wat echtparen die uit elkaar gingen.

Maar als ik in deze tijd jong was geweest, was ik beslist gaan werken - ik denk als handwerklerares - al had ik dan misschien niet vijf kinderen gekregen. Het enige waar ik achteraf spijt van heb, is dat ik te netjes was in het huishouden. Ik gunde mezelf nooit de tijd om te lezen, terwijl ik daar wel van hield. Dat haal ik nu in. Kijkend naar hoe mijn dochter Joke zorg en werk combineerde toen haar kinderen klein waren, heb ik weleens gedacht: ach, wat een hectisch bestaan.”

‘Ik vind het heerlijk om leiding te geven’

• Joke Hartman (1961)
• Werk: fulltime manager in de zorg. 
• Moeder van dochter (25) en zoon (23).

“Maar één keer in mijn leven heb ik gedacht: wat moet het heerlijk zijn om nu thuis te kunnen blijven en te gaan stofzuigen. Dat was in mijn examenweek voor de havo. Verder dacht ik er niet over na dat mijn moeder thuis was - het was vooral heel normaal. Ik heb ook nooit bewust gedacht: dat ga ik later anders doen, maar dat komt ook doordat je als ouder voor een puber gewoon een schemerlamp bent.

Ik was een recalcitrante puber: omdat ik vooral een leuke schooltijd wilde hebben, ging ik van het atheneum naar de havo en ik herinner me niet dat mijn ouders daar tegen ingingen - ik denk dat ze al blij waren dat ik überhaupt naar school ging. Naast mijn werk als (oncologie)verpleegkundige, volgde ik altijd wel een opleiding - een tropenopleiding, een docentenopleiding - want hoe leuk ik mijn werk ook vond, ik had behoefte aan meer kennis.

Door mijn scheiding, de kinderen waren toen een en vier, heb ik zolang de kinderen klein waren vijftig procent gewerkt - veel minder dan ik eigenlijk wilde. Maar ik vond het belangrijk om een veilige thuissituatie te creëren en dat voelde goed: ik neem het leven graag zoals het komt. Om mezelf toch te voeden, las ik in die tijd ontzettend veel. Inmiddels werk ik weer fulltime en heb ik ontdekt hoe leuk ik het vind om leiding te geven.”

Wetgeving

Vrouwen in overheidsdienst werden in de periode 1904-1936 ontslagen als ze gingen trouwen. Dat was per Koninklijk Besluit geregeld. In de jaren daarna bleef de ontslagbepaling gehandhaafd, maar werd die geleidelijk versoepeld door de toenemende vraag naar vrouwelijke arbeidskrachten. Pas in 1955 werd dit verbod op betaald werken van getrouwde vrouwelijke ambtenaren afgeschaft. In 1956 werden gehuwde vrouwen per wet handelingsbekwaam. Tot dat jaar kon een gehuwde vrouw geen auto of huis kopen, bankrekening openen of andere wettelijke handelingen verrichten zonder schriftelijke toestemming van haar man. De man bleef tot 1971 ‘het hoofd van de echtvereniging’.

VOS-cursus

In 1972 ontwikkelde emancipatiepionier Krijnie Verlaan het VOS-project: Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving, voor het eerst een gesubsidieerde activiteit voor vrouwen met alleen lagere school en hooguit twee jaar opleiding. Het werd een groot succes. Tienduizenden vrouwen leerden praten over hun eigen ervaringen. Via cursussen werd zo de bewustwording van huisvrouwen bevorderd. Het VOS-project stopte begin jaren negentig.

Moedermavo

De eerste moedermavo begon in 1975 in Middenmeer en was zo succesvol dat er binnen een jaar overal moedermavo’s waren. Directeur Anton Remmers wilde moeders dagonderwijs aanbieden omdat hun kinderen in die uren ook op school zaten. Het ministerie van onderwijs weigerde, omdat volwassenen thuishoorden in avondonderwijs. Remmers bleef het ministerie met brieven bestoken en toen bleek dat nergens in de wet stond dat avondonderwijs per se in de avond gegeven moest worden, ging het ministerie overstag.

Werkende vrouwen

Het aantal werkende vrouwen tussen de 15 en 64 jaar verdubbelde ruimschoots tussen 1947 en 2004: van 23 naar 59 procent. Dat is vrijwel uitsluitend toe te schrijven aan het veranderende arbeids-marktgedrag van gehuwde vrouwen.

Het percentage werkende vrouwen tussen 40 en 64 jaar nam de afgelopen jaren verder toe: meer dan de helft van de vrouwen boven de 45 werkt nu, een mijlpaal die onlangs werd bereikt, zo blijkt uit nieuwe CBS-cijfers. Het huidige aantal werkende vrouwen neemt sneller toe dan het aantal werkende mannen. In de afgelopen drie maanden bedroeg de stijging bij vrouwen gemiddeld 11.000 per maand. Het aantal werkzame mannen steeg met gemiddeld 4000 per maand.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden