MIJN MEEST ONVERGETELIJKE KARAKTER

Decennialang bleven in het Berlijnse Bertolt Brecht-archief vier pagina's getypte Engelse tekst onopgemerkt. Ten onrechte, zo bleek twee weken geleden bij een onderzoek voor een heruitgave van zijn werken, want in dit artikel beschrijft Brecht zijn toevallige ontmoeting met Adolf Hitler op een café-terras in München. Die ontmoeting dateert Brecht rond maart, april 1922, toen Hitlers bekendheid de grenzen van Beieren nauwelijks oversteeg, al was die bekendheid groter dan Brecht doet voorkomen: Hitler stond in die tijd op het punt door te breken als leider van de NSDAP en zijn SA verbreidde al angst en terreur. De tekst echter is in '42 geschreven, toen Brecht in de Verenigde Staten verbleef, waar hij maar moeilijk als auteur kon rondkomen. Het geschrift was bedoeld als bijdrage aan de rubriek My most unforgettable character in het blad Reader's Digest, maar de redactie wilde het tot Brechts woede niet plaatsen. Het mocht voor Brecht een troost zijn dat het blad eerder ook al een bijdrage van zijn lievelingsvijand en exil-collega Thomas Mann had afgewezen. De vraag blijft hoe autobiografisch de anekdote is die Brecht vertelt en die hier voor het eerst in Nederlandse vertaling wordt gepubliceerd. Dat Hitler de joodse schrijver Lion Feuchtwanger, die zich in Brechts gezelschap bevond, in zijn jas zou hebben geholpen, is heel goed mogelijk. Hitler-biograaf Joachim Fest schreef dat Hitler in zijn optreden in die tijd nog een mengeling vertoonde van 'excentrieke en onbeholpen trekken': “Tegenover mensen met enige reputatie was Hitler geremd, onzeker en niet zonder onderdanigheid.” (C) VERTALING JAAP DE BERG, TROUW (C) STEFAN S. BRECHT, 1996. ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN AAN SUHRKAMP VERLAG, FRANKFURT AM MAIN.

Aan het tafeltje naast ons zat een man die er nogal gewoontjes uitzag, met een lelijk terugwijkend voorhoofd, een ongezonde teint en een slechte houding. Hij was in gesprek met enkele mannen die er uitzagen als officieren in burger. Het was een plaatselijke agitator, die zojuist een massabijeenkomst tegen de joden had gehouden in een circus in een buitenwijk, een zekere Adolf Hitler.

Een van de toneelspelers was zo ondeugend ons te verklappen dat Hitler toneellessen nam bij Basil, een acteur van het Koninklijke Hoftheater, en daarvoor acht mark per uur betaalde. We moesten er nogal om lachen en we trokken ons er weinig van aan dat de agitator die aan het tafeltje naast ons zat, ons kon horen.

Deze Basil was een acteur van de oude school; hij speelde doorgaans heldenrollen, gesticuleerde als een Wagner-zanger en voelde zich alleen op zijn gemak wanneer hij de jamben van Schiller van zijn lippen kon laten rollen. Hitler, die uit een klein stadje in Oostenrijk kwam, deed er heel verstandig aan, spraakles te nemen en te leren hoe hij moest voorkomen dat zijn stem hees werd. Het verhaal ging dat hij in zijn toespraken geweldig schreeuwde. Maar het was curieus dat zijn keus op deze tweederangs acteur was gevallen.

Naar we hoorden, kreeg hij er les in, hoe hij onder het spreken en bij optredens in het openbaar zijn handen moest houden, hoe hij een gewichtige indruk kon maken door zich van napoleontische gebaren te bedienen en op een bepaalde manier te lopen. Daartoe moest hij zijn voeten zo neerzetten dat zijn tenen het eerst de grond raakten, en zijn knieën stijf houden. Als je zo liep, maakte je een majesteitelijke indruk, vooral wanneer je tegelijkertijd je kin inhield.

Ik moet toegeven dat dit alles me later minder amusant leek.

Ik heb eens zo'n massabijeenkomst bezocht om hem als publiek redenaar te observeren. Zijn intonatie was precies wat je van een leerling van de grote Basil zou verwachten: mannelijk, heroïek, en altijd een beetje gekrenkt - de intonatie van iemand die ten onrechte, en uiteraard louter uit kwaadwiligheid, wordt beschuldigd.

Maar hij had, zo ontdekte ik, van Basil nog meer geleerd.

Hij had zich aangewend om in grote toespraken zijn argumenten en plannen altijd onder te verdelen en ze te nummeren met 'ten eerste', 'ten tweede', 'ten derde' enzovoorts. Plotseling kreeg ik het idee dat er iets niet klopte. Toen ik hem 'ten vijfde' hoorde zeggen, had ik het vage gevoel dat er helemaal geen 'ten vierde' aan vooraf was gegaan.

De volgende keer lette ik goed op. Ja, daar ging hij weer: 'ten eerste' - en daarop volgde een indrukwekkende pauze. Hij was er, meen ik, op uit te bewijzen dat het verkeerd was dat Duitsland herstelbetalingen deed aan de geallieerden (voor de schade, aangericht in de Eerste Wereldoorlog). Het ging ongeveer zo: “Ten eerste is het verkeerd omdat Duitsland dit enorme bedrag helemaal niet kán betalen, we zitten financieel volkomen aan de grond.” Hij beschreef de situatie vrij vaag, zonder enig statistisch bewijsmateriaal, maar het klonk indrukwekkend. 'Ten tweede' zei hij zoiets als: “Omdat Duitsland de oorlog niet was begonnen”, en 'ten derde': “Omdat de herstelbetalingen alleen maar enorme winsten opleverden voor de joden”. Na 'ten vierde' kwam er weer iets anders, en toen ging hij, opmerkelijk genoeg, over op 'ten zesde'.

Ik keek om me heen.

We zaten in een grote Bierhalle. De toehoorders, merendeels mensen uit de middenklasse, winkeliers, ambachtslieden en hun vrouwen, hadden grote bierpullen voor zich staan.

Ze waren met duizenden en ze luisterden gespannen.

Hitler, op het podium, was zo ver weg dat hij er heel petieterig uitzag. Maar door de tabaksrook heen kon je toch duidelijk zien hoe de haarlok aan zijn zwetende voorhoofd kleefde. Hij had zich al sprekend bijzonder kwaad gemaakt en zag eruit alsof hij ieder ogenblik voorover over de lessenaar kon vallen. Zijn 'ten eerste', 'ten tweede', 'ten derde' enzovoorts accentueerde hij door telkens het bijpassende aantal vingers op te steken.

Niemand in de zaal had beseft dat er helemaal geen 'ten vijfde' was genoemd.

Hitler had het publiek stiekem één bewijs onthouden dat de ongerijmdheid van de herstelbetalingen moest aantonen. Hij was een bekwaam toneelspeler geworden!

Maar toen gebeurde er iets dat nog treffender was.

Toen hij toekwam aan 'ten achtste' of 'ten negende', begon hij, zonder overgang, over iets heel anders te spreken maar ging hij door met nummeren. Vol vuur bleef hij tellen: 'Ten tiende', 'ten elfde', 'ten twaalfde' en daarop volgde nog steeds 'omdat' - maar nu was het: “Ten tiende, omdat men de nationale beweging (hij bedoelde zijn nazi-partij) onderdrukt heeft”, “ten elfde, omdat de joden daar de hand in hadden” enzovoorts, enzovoorts - niets dan omdat-zinnen die geen enkel verband hielden met de ongerijmdheid van de herstelbetalingen. Hij eindigde, als ik me niet vergis, met 'ten twintigste'.

Men zou kunnen denken dat dit alleen maar een kinderachtig spelletje met getallen was, zonder enig belang, maar dat was het natuurlijk niet. Hitler maakte geweldig veel emotie los met deze 'twintig' bewijzen, die als hamerslagen op elkaar volgden, met een onverbiddelijke logica. Niet minder dan twintig stommiteiten en misdaden had de regering van de republiek begaan - en Hitler bewees dit. Hij weerlegde en omtmaskerde de republiek op twintig punten. Daarmee gaf hij aan zijn toespraak een geweldige lading. En waar het hem aan bewijzen ontbrak, gaf hij nog altijd, in houding en gebaar, een prachtige voorstelling van iemand die wél over bewijzen beschikte. Dat was zijn foefje.

Hij speelde logica. Zijn spel was overtuigend. De acht mark die hij per uur aan Basil had betaald, was goed besteed.

Zoals gezegd, die middag in het Café Hofgarten wist ik dat nog niet. Gezeten in de heerlijke lentezon maakten we ons nog vrolijk over de toneellessen. We stelden vast dat hij ze hard nodig had.

Het uur in het Café Hofgarten had een vermakelijke afloop.

Toen we betaalden en opstonden om weg te gaan, wilde Lion Feuchtwanger, de schrijver van 'Jud Süss', zijn jas pakken, die over de rugleuning van zijn stoel hing. Maar Hitler persoonlijk kwam, midden in zijn gesprek, met een sprong overeind, nam met een buiging de jas over van de verbaasde Feuchtwanger en hielp hem er gedienstig in, mompelend: “Staat u mij toe, Herr Doktor”.

Om de humor van dit voorval te begrijpen moet men weten dat Hitler, die zich in kunstenaarskringen bewoog, wist dat Feuchtwanger een jood en een republikein was. Alleen zijn onzekerheid omtrent sociale omgangsvormen en zijn aandrang om hoffelijk te lijken en 'de man van de wereld' te spelen, hadden hem ertoe gebracht, een 'vijand' in zijn jas te helpen. Zijn metgezellen waren al even verrast als wij.

Hij was nog niet bij machte, iedere dag vierentwintig uur achtereen de verbitterde antisemitische 'Führer' te spelen; daar had hij nog wat lessen van Basil voor nodig.

Natuurlijk was dit voorval uit 1922 in het Café Hofgarten niet nodig om Adolf Hitler voor mij tot een onvergetelijke figuur te maken. Daar zorgde hij wel voor toen hij - nog altijd met groeiend meesterschap bezig vorm te geven aan zijn rol van 'Führer' - Feuchtwanger, mij en talloze anderen ertoe dwong in ballingschap te gaan, en de hele wereld in een afschuwelijke oorlog stortte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden