Mijn man de schrijver

Een besmettelijke ziekte treft een Algerijnse stad; nadien raken ook de verhalen over helden en lafaards tijdens de epidemie besmet met geruchten. Kristien Hemmerechts verplaatst het perspectief uit Albert Camus’ klassieker ’De pest’ van dokter Bernard Rieux naar diens vrouw Yvonne. „Had Bernard van mij gehouden? Had ik van hem gehouden? Waarom had hij nooit aan iemand verteld dat niet hij maar ik het boek had geschreven?”

’Op een mooie ochtend in de maand mei reed een elegante vrouw op een magnifieke voskleurige merrie tussen de bloemen door de lanen van het Bois de Boulogne.”

Als bij het horen van deze zin een glimlach op uw lippen verschijnt, dan hebt u het boek gelezen waar mijn man, Bernard Rieux, zijn roem aan dankt, een roem die hij nooit heeft gezocht en die haaks stond op de principes die hij in het boek verdedigde. Bernard was op zijn hoede voor helden en heiligen.

Ik had de zin gelezen in een schoolschriftje van Bernard dat zijn moeder had bewaard, maar viel Bernard niet lastig met mijn ontdekking. Hij had zijn handen vol met het gezin van de gouverneur, dat ten prooi was gevallen aan cerebrale malaria. Vooral de ijlkoorts van de oudste zoon baarde hem zorgen. Iedereen weet intussen dat de jongen het eerste officiële slachtoffer werd van de pest, waardoor Oran zijn naam nooit zal vergeten. Bernard en ik woonden de begrafenis bij en werden achteraf uitgenodigd op een sobere maaltijd in het huis van de gouverneur.

Diezelfde avond nog sloeg ik Bernards oude schoolschriftje open en maakte enkele notities over de uitvaart. Bernard had pakkende woorden gewijd aan de machteloosheid die een arts ervaart wanneer hij het onderspit delft. Nu las hij over mijn schouder wat ik schreef. Ik hoopte hem tot verdere ontboezemingen te verleiden, maar hij beperkte zich tot de sombere mededeling dat we met zijn allen ’in de val’ zaten. Ik huiverde omdat ik me de rat herinnerde in de val die ik op Bernards aandringen in de keuken had gezet. Geelbruine stront was uit zijn aars gelekt en zijn bek met de scherpe tanden was opengesperd, alsof hij krijsend de geest had gelaten. Oran gonsde van de rattenverhalen, maar niemand verbond het lot van de beesten met het onze.

De maanden die volgden werden de gelukkigste van ons huwelijk. Bernard kwam meestal uitgeput thuis, maar altijd had hij iets gehoord of gezien dat ik moest opschrijven. Wanneer zijn ervaringen en observaties in telegramstijl op papier stonden, aten we samen een stukje. Soms dronken we daarna een kop koffie op het balkon, soms vroeg hij me de zinnen voor te lezen waarin ik gepoogd had de losse feiten en bedenkingen te gieten die hij me eerder had laten noteren. Geamuseerd hoorde hij namen opduiken van mensen over wie hij het had gehad, maar die ik nooit had ontmoet: Cottard, Jean Tarrou, Castel, Raymond Rambert, Joseph Grand. Sommige zinnen liet hij me een tweede of zelfs een derde keer voorlezen. Wanneer hij tevreden was moest ik er een kruisje naast plaatsen. Die aangekruiste zinnen zijn zonder enige uitzondering in het boek terechtgekomen.

De uitgever liet drieduizend exemplaren drukken van ’Oran besmet’ door dokter Bernard Rieux. In minder dan twee weken moest er een nieuwe bestelling bij de drukker worden geplaatst. L’echo d’ Oran bracht hulde aan Bernard omdat hij al wie geruisloos was ten onder gegaan een stem had gegeven. „Volgens de dokter heeft de pest niet onze moed, maar onze menselijkheid op de proef gesteld. Van die menselijkheid getuigt de dokter zelf door een mild portret te schetsen van Cottard, de kwakzalver die intussen zijn verdiende straf in de gevangenis uitzit. Dank u, dokter Rieux en bravo!”

Het regende uitnodigingen voor Bernard. Iedereen wilde hem horen vertellen over zijn boek, alsof het boek op zich niet volstond.

„Een schrijver is soms niet meer dan een klerk”, zei Bernard in een uitzonderlijk interview. „Hij observeert, hij luistert en hij noteert.”

Hoe meer hij de roem afwees, hoe meer roem hem te beurt viel. De pestbacillen hadden plaats geruimd voor roembacillen.

Op een avond belde Bernards uitgever. De Académie Française had hem opgedragen Bernard uit te nodigen als gastspreker op hun jaarlijkse diner. De president van de Republiek had toegezegd op voorwaarde dat dokter Bernard Rieux het woord voerde.

We waren nog geen drie uur op Franse bodem toen Bernard door een gehelmde motorrijder werd aangereden. In onze hotelkamer, waar ik onze koffers uitpakte terwijl Bernard sigaretten ging kopen, hoorde ik de klap. Bernard kreeg een staatsbegrafenis. De arts uit Oran werd met de hoogste eer ten grave gedragen.

De taxichauffeur die me van de luchthaven naar huis voerde, keek meer in zijn achteruitkijkspiegel dan naar de weg. Toen hij zich ervan overtuigd had dat ik was wie hij dacht dat ik was, bood hij me zijn condoleances aan.

„Ik respecteer uw beslissing om meneer niet mee terug naar Oran te brengen”, zei de taxichauffeur.

„Dank u.”

Ik wist dat hij loog. Hij was een Arabier en voor Arabieren was het onbegrijpelijk dat ik Bernard in vreemde grond had gelegd, zelfs al lag die grond op de beroemde Père Lachaise begraafplaats.

Ik draaide de sleutel in het slot en hoorde de telefoon rinkelen. Het was de conciërge. Ook hij bood zijn condoleances aan. Er stonden in zijn kantoortje twee grote zakken met post voor me. Mocht hij die komen brengen?

Ik nam een brief en scheurde de envelop open. Een patiënte van Bernard schreef over de schok die het vreselijke nieuws haar had bezorgd, en hoe groot moest die niet voor mij zijn. Gelukkig was er het boek. De tweede brief kwam van de weduwe van een patiënt. Ook zij had het over de schok, het boek en de troost.

Op dat moment werd er aan de deur gebeld.

Het was Joseph Grand met een boeket rode rozen. Hij snikte als een kind en ook mijn tranen welden op.

In het boek heb ik van Joseph Grand een vijftigjarige man gemaakt met een blonde snor en smalle schouders. Omdat hij groot is, kromt hij zijn rug. Bernard, die wist dat de voorstelling niet met de werkelijkheid strookte, corrigeerde me niet. Het amuseerde hem dat al deze mensen in mijn verbeelding een eigen leven leidden. En ook Grand zelf en Tarrou, met wie Bernard en ik sinds de publicatie van het boek meermaals hadden gedineerd, zagen er de grap van in.

„Wat zou je ervan denken als we een herdenkingsplechtigheid organiseerden?”, vroeg Grand. „Je moet iets doen, Yvonne. Men neemt het je kwalijk dat je Bernard in Parijs hebt laten begraven.”

„Wie neemt mij dat kwalijk?”

„Cottard heeft in L’Echo d’Oran”

„Cottard zit in de gevangenis!”

„Ze hebben hem vrijgelaten.”

„Cottard had een illegale handel in waardeloze drankjes en pillen. Hij kocht voor een appel en een ei de inboedel op van mensen die door zijn schuld geen geld meer hadden om brood te kopen. Of om zijn rommel te betalen. En die Cottard mag mij nu de les lezen?”

„Hij zegt wat andere mensen denken.”

Om kwart over zeven belde Joseph opnieuw aan. Hij had Rambert meegebracht, die sinds kort in dienst was getreden bij Oran Matin om de monopoliepositie van L’Echo d’Oran aan het wankelen te krijgen. Geflankeerd door beide heren liep ik naar La Comète, het restaurant waar Bernards uitgever een feestje had gegeven toen het vijftigduizendste exemplaar van ’Oran besmet’ over de toonbank was gegaan. We bestelden het aperitief en dronken op Bernard. Niet veel later kwam Jean Tarrou het restaurant binnen. Hij was meteen enthousiast over Grands plannen. „Bernard heeft ons een tweede leven geschonken”, zei Tarrou. „Wie waren Jean Tarrou, Joseph Grand en Raymond Rambert voor ze in Oran besmet opdoken?”

„Op Bernard”, zei Rambert.

„Op Bernard!”

Terwijl Grand en Rambert het niet eens konden worden over de naam die de plechtigheid moest krijgen, wendde Tarrou zich tot mij. Er werd gefluisterd dat hij en niet Bernard het boek had geschreven, en dat Bernard dat ook in zoveel woorden had toegegeven. Hij schrijft immers dat Tarrou notities maakt. Na Tarrou’s zogezegde dood citeert hij uit de notitieboekjes. Volgens sommige Oraniens was het zonneklaar dat Bernard Tarrou had bestolen én de diefstal had bekend. Waar zou een dokter in volle epidemie de tijd hebben gevonden voor een boek?

Tarrou verzekerde me dat hij alles deed wat binnen zijn vermogen lag om de geruchten tegen te spreken.

„Geruchten zijn als ratten”, zei hij.

Grand kwam me ophalen met een taxi. De plechtigheid begon pas over een uur, maar veel mensen waren al onderweg naar het stadion. Hij vertelde dat Rambert van zijn hoofdredacteur de hele voorpagina had gekregen voor een verslag. Gelukkig had Tarrou hem zijn speech al bezorgd.

„Zijn speech?”

„Wel ja”, zei Joseph, „eerst spreekt de gouverneur, dan de uitgever en vervolgens neemt Tarrou het woord. Daarna getuigen patiënten van Bernard.”

En wanneer was dat dan beslist?

Die vraag brandde op mijn lippen, maar ik slikte ze in.

„Tussen haakjes, de gouverneur wil jou aan het slot bloemen geven. Neem je die in ontvangst?”

Niet alleen nam ik de bloemen in ontvangst, maar ik greep de microfoon en richtte me tot mijn stadsgenoten. Ik zei dat Bernard in het boek Oran lelijk en slaapverwekkend noemt, maar dat hij in werkelijkheid veel van de stad en zijn inwoners had gehouden. Leve Oran! Leve de Oraniens!

Aan de staande ovatie leek geen einde te komen.

Rambert smeerde zijn materiaal uit over drie artikels in Oran Matin. Het eerste bracht verslag uit van de plechtigheid. Het tweede werd een dag later afgedrukt en bestond grotendeels uit de getuigenissen van Bernards patiënten. Voor het derde had hij meer tijd nodig gehad. Het werd een week later geplaatst onder de titel ’In werkelijkheid’. Ik zag het pas ’s avonds in La Comète, waar ik met Tarrou en Grand dineerde.

Rambert begon ermee dat die twee onschuldige woorden, die ik in het voetbalstadion had uitgesproken hem aan het denken hadden gezet. De werkelijkheid zou wel eens sterk kunnen afwijken van de fictie die Oran als werkelijkheid werd voorgeschoteld. Het was een lastige zoektocht geworden naar patiënten die wilden of konden getuigen. Terwijl over de gehele stad genomen een vijfde van de bevolking was bezweken, had slechts iets minder dan de helft van Bernard Rieux’ patiënten de epidemie overleefd. Volgens de moeder van een driejarig jongetje dat al in de eerste week van de epidemie was gestorven, viel de verklaring niet ver te zoeken. De dokter was meer geïnteresseerd in de ziekte en haar afzichtelijke symptomen dan in een mogelijke behandeling.

„Ik schrijf dit omdat dokter Bernard Rieux mij gevraagd heeft als journalist de moed te hebben de waarheid te zeggen. De dokter Rieux in het boek vraagt het aan de journalist Rambert in het boek. In werkelijkheid heeft dat gesprek nooit plaatsgevonden. Hij en ik waren niet met elkaar bevriend. Onze contacten waren sporadisch en louter van professionele aard. Bernard Rieux heeft een groot en belangrijk boek geschreven, maar hij was geen groot en belangrijk man, en al helemaal was hij niet de held van de pest. De echte helden en heldinnen kunnen niet meer spreken. Zij hebben onbaatzuchtig hun leven gegeven voor hun broeders en zusters.”

„Wat bezielt hem?” vroeg ik.

„Alles voor zijn nieuwe krant”, zei Grand. „Hij wil hoofdredacteur worden.”

„Wat als het waar is?” zei Tarrou.

„Als wat waar is?”

„Wat Rambert schrijft.”

Ik sloeg met mijn vlakke hand op de tafel. „En die brieven dan? Waarom zouden al die mensen me brieven hebben gestuurd als Bernard een gewetenloze opportunist was?”

„Dat waren brieven van lezers”, zei Tarrou. „Misschien hadden ze zelfs het boek niet gelezen, maar alleen de artikels over zijn abrupte dood en luisterrijke begrafenis in de hoofdstad.”

„En misschien heb jij het boek geschreven”, zei ik scherp, want ik herinnerde me het gerucht waarover hij me had verteld. Hoeveel geruchten circuleerden er in deze stad? En wie verspreidde ze? Waar haalde ik het idee vandaan dat deze mensen mijn of Bernards vrienden waren? Jean Tarrou, Joseph Grand en Raymond Rambert hadden hun status en bekendheid te danken aan mijn man. Zelfs Cottard had veel aan Bernard te danken.

Ik stond op.

„Ik ga naar huis.”

Hoewel het windstil was zag ik vuilnis bewegen alsof de wind erin speelde. Maar ik wist beter. Als ik goed keek zou ik de staart zien zwiepen of de donkere kralen van ogen heen en weer zien schieten. Ze waren er weer. Ze smulden hun buikje rond aan het lekkers dat Oran hen serveerde.

De volgende dag stond op de voorpagina van L’Echo d’Oran een foto van Tarrou met in zijn hand het gewraakte artikel van Rambert. Jean ontkende het hardnekkige gerucht dat hij de notities had gemaakt waarop Bernard zich voor het boek had gebaseerd. Bernard en niemand anders had die gemaakt. Of dat betekende dat Bernard geen tijd voor zijn patiënten had gehad, kon hij niet zeggen. Ook kon hij bevestigen noch ontkennen dat Bernard zijn patiënten als researchmateriaal had misbruikt.

Grand belde. Of ik het gelezen had. En wat ik van plan was te doen.

„Ik ga rattenvergif kopen.”

Grand vond dat ik me met Tarrou moest verzoenen. We konden ons geen breuk veroorloven. Oran Matin had brieven afgedrukt van lezers die dankbaar waren omdat de waarheid eindelijk kon worden gezegd.

„Je kunt ze beter niet lezen, Yvonne.”

Maar natuurlijk las ik ze. Iedere ochtend kocht ik L’Echo d’Oran en Oran Matin. Ik wilde weten wat over Bernard en mij werd beweerd. Mensen die ik van haar noch pluim kende deden uitspraken over mij, mijn man en mijn huwelijk. Ik wilde er geen letter van missen. En daarna bleven die woorden en zinnen in mijn hoofd malen. Ik was aan hun gif verslaafd.

Rambert achtte de tijd rijp voor zijn vierde en laatste artikel. Het begon in typische Rambertstijl met een retorische vraag. Dit keer wilde hij van zijn lezers weten of het hun was opgevallen dat mevrouw Rieux geen enkele rol speelt in het boek. „In het begin van het boek wordt ze weggestuurd naar een sanatorium en aan het slot komt per telegram het bericht van haar dood.” Een alinea verder ontmoet hij in de Arabische wijk de vrouw bij wie Bernard geregeld langsging in de jaren voor ons huwelijk. Rambert omschrijft het anders. Hij laat Bernard bij haar ’troost zoeken’. Hun ’liefde’ zou geduurd hebben tot Bernards dood. De vrouw, van wie een wazige foto bij het artikel stond afgedrukt, heette Fatima. Als we Rambert mochten geloven.

Mijn handen werden klam omdat ik wist wat er zou volgen. Fatima had het leven geschonken aan een zoontje, dat ze Bernard had genoemd naar zijn vader. En ja, daar stond het. Fatima was hoogzwanger geweest toen het nieuws van Bernards dood haar bereikte. Ze had drie dagen en nachten aan een stuk gehuild. Vreemd genoeg had Rambert haar niet laten poseren met de baby. Misschien wilde hij die troefkaart achter de hand houden. Aan baby’s was in de Arabische wijk geen gebrek. Ook niet aan baby’s met Europese trekken.

Hield ik rekening met de mogelijkheid dat Ramberts artikel de waarheid onthulde?

Ja, daar hield ik rekening mee. Elke getrouwde vrouw in Oran hield rekening met de mogelijkheid dat haar man af en toe een ommetje maakte naar de Arabische wijk. Waar diende zo’n Arabische wijk anders voor?

Ik zou het kind kunnen adopteren. Ik zou Joseph kunnen sturen en hem laten uitzoeken of het waar was. Die vrouwen sliepen met elke man die hun geld toestopte. Zeker tijdens de pest. En met dat geld betaalden ze de wondermiddeltjes van Cottard. Zo stroomde het terug naar de Europese wijk.

De telefoon rinkelde niet. Niemand kwam langs.

Had Bernard van mij gehouden? Had ik van hem gehouden? Waarom had hij nooit aan iemand verteld dat niet hij maar ik het boek had geschreven? Het was mijn idee geweest, het was gebaseerd op mijn notities en het stond vol met mijn zinnen. Hij had een paar correcties gesuggereerd en hier en daar een woord geschrapt. En hij had er zijn naam onder gezet. ’Oran besmet’ van dokter Bernard Rieux. Mijn cadeau aan hem ter vervanging van het kind dat ik hem niet kon geven.

Badend in het zweet schrok ik wakker. Ik wist dat Rambert de waarheid had geschreven. Ik greep de hoorn om Grand te bellen. Het was drie uur in de ochtend. Twijfel maakte zich opnieuw van me meester. Waar. Niet waar. Waar. Niet waar. Waar. Niet

Zelfs als er een kind was, dan was het niet mijn kind.

Op de radio vertelden Tarrou en Grand in een gezamenlijk interview dat Bernard zijn demonen op hen had geprojecteerd. Grootmoedig namen ze hem dat niet kwalijk. Over de kwestie van het kind wensten ze het zwijgen te bewaren. Die behoorde immers tot de privésfeer. Tarrou nam het woord: „In het boek laat hij me zeggen dat het kwaad in ieder van ons schuilt. Kan er een duidelijkere schuldbekentenis bestaan? Dokter Bernard Rieux was inderdaad geen held.”

’Oran besmet’ was een heel ander boek geworden. Het was nu een slecht boek. Het stond vol leugens en de stijl deugde niet. Het was geschreven door een overspelige huichelaar. Een slecht mens.

Ik sloeg het open en begon het te lezen.

Ik herkende het niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden