Mijn lichaam is 83

Morgen opent de expositie 'Armando vs Armando'. Hoe staat de oude schrijver en beeldend kunstenaar tegenover het 'schuldig landschap' uit zijn jeugd en zijn eigen werk? 'Als ik niet eigenwijs was geweest, was ik nooit schilder geworden.'

Vroeger, als hij in Nederland was, meldde hij zich aan als gastdocent bij de Rijksakademie van beeldende kunsten. Studenten konden zich daarvoor inschrijven. "Ze buitelden over elkaar heen!", vertelt Armando. "Nu zouden ze zeggen: 'Wie is dat?' Vind ik gek. Ik kende vroeger alle schilders die vóór mijn tijd beroemd waren. Ik liep m'n schoenen stuk naar alle galeries. Ook voor werk waarvan ik zeker wist dat ik niet zo wilde schilderen. Op mijn achttiende zag ik de eerste Cobra-schilderijen. Zeer indrukwekkend. Al snapte ik er niks van."

Ook in Duitsland, waar hij woont, willen ze niks meer van het verleden weten. "Ik weet heel veel van de oorlog, lees er nog dagelijks over. Het interesseert ze niet! Terwijl het hun eigen geschiedenis is. De meeste mensen die het hebben meegemaakt, zijn al dood. Het wordt tijd dat ik ook doodga.

Ik ga elk jaar naar de herdenking van kamp Amersfoort. Daar zijn heel oude oud-gevangenen. Sommigen die erin hebben gezeten, weten vrijwel van niets. Ik kan ze daar alles over vertellen. Terwijl ik er niet in heb gezeten."

Armando vertelt over twee jonge onderduikers in zijn ouderlijk huis. "Ik was net 15 toen ze werden opgepakt. Die jongens zijn naar het kamp overgebracht. Zo'n overval vond ik toen gewoon. Zoals de oorlog gewoon was in mijn jeugd. Ze zijn er weer uitgekomen. Uitgehongerd - een was heel ziek - kwamen ze terug. Ik wist alles, via die jongens. Over de directie en de beulen van het kamp, die bij ons in de straat woonden. Ik had er interesse voor. Ik luisterde goed."

Armando ontvangt in het atelier van een bevriend schilder in Amsterdam, gezeten voor zijn jongste werk: een rode hand tegen een zwart decor. De drukte rond de tentoonstelling in het Cobra Museum laat hij gelaten op zich afkomen.

In 1988 verwoordde Armando in 'De straat en het struikgewas' zijn herinneringen aan kamp Amersfoort, waar in de oorlog gevangenen van de Duitsers zaten en daarna de als fout bestempelde Nederlanders.

In een sobere stijl noteerde hij ook de onverschilligheid van de buurtgenoten en het contrast met de schoonheid van het bos: "Het landschap heeft nog steeds geen kik gegeven. Het volgt slechts de bevelen der seizoenen op. Het pronkt, het groeit en het vervalt. Het zwijgt. (...) Ik bedoel dit: aan de bosrand werd een zootje mensen vermoord, er werd geslagen, gekermd, geschreeuwd en geschoten. Intussen zong een vogel het hoogste lied."

De geschiedenis van die plaats heeft hem gevormd, het 'schuldig landschap' werd het symbool van zijn oorlog: in zijn beeldende kunst, gedichten, verhalen en een tv-documentaire. Armando's beeldende kunst kun je zien als toelichting op zijn proza en poëzie - en vice versa. Ook de recente schilderijen en plastieken in het Cobra Museum, met titels als 'Der Baum', 'Der Feldzug' en 'Das Grab', tonen scènes van mysterie en noodlot in een ongenaakbare natuur.

Hij moest als jongen voor de brandstof zorgen, vertelt hij. "Iedereen had thuis z'n functie. Ik moest elke dag een boom jatten. Met een bijl het bos in. Er zijn daar hele bossen verdwenen. Dat werd op z'n zachtst gezegd niet op prijs gesteld. Wij jongens van de straat waren in feite veel ouder dan 15. Iedereen schatte mij toen 17 of 18. Daarom zei mijn moeder als ik wegging altijd: heb je je Ausweiss bij je? Ik ben heel vaak aangehouden. Met 15 ontsprong je net de dans. Vreselijk wanneer de school weer begon. Ik was een vrijbuiter geworden."

Van zijn vijfde tot zijn zeventiende speelde hij viool. "Het enige waarvoor ik ben opgeleid. Door een leraar aan huis. Op mijn twaalfde kon ik alle concerten spelen. Toen had ik er geen zin meer in. Ik was geen wonderkind. Ik wilde alleen nog maar op straat slijpen. Voetballen.

Aan het eind van de oorlog hadden ze het over 'improviseren'. Geen idee wat dat was. Ik had veel techniek, was muzikaal. En ineens kon ik het. Na de oorlog kon ik meteen voor de Canadezen spelen. Ik was nog steeds 15. Soms ging ik 's ochtends zó uit de dancing naar school." Hij vond het wel 'deftig' om thuis door een Canadese auto te worden opgehaald.

"Ik zat op school met jongens die nauwelijks wisten waar de kinderen vandaan kwamen.

En 's nachts zag ik ze maken. In die dancings werd geneukt. En gezopen en gevochten. Eerst hield ik bij zo'n gevecht op. 'Nee, je moet dóórspelen!' Later keek ik er niet eens meer naar om, vond ik dat heel gewoon. Nu denk ik: wat een raar leven heb ik eigenlijk gehad!"

Aanvankelijk werd hij uitbetaald in drank en sigaretten. De sigaretten verkocht hij, de drank gaf hij weg. Het geld dat hij verdiende, gaf Armando thuis af. "Ze vroegen me voor een festival in Amersfoort. Vijf gulden per uur, tot vier uur 's nachts. Dat was goed betaald. Ik speelde met solisten die beroeps gebleven zijn. Je kende allemaal dezelfde amusementsmuziek. Rond mijn zeventiende liep de dansmode een beetje af. We hadden niet zo gek veel meer te doen. Op een repetitie waren ze een keer zo kinderachtig bezig dat ik ben weggelopen. Daarna heb ik dat instrument tot mijn zestigste niet meer aangeraakt."

Hij leende in de bibliotheek van Amersfoort een boek over Van Gogh. "Toen heb ik me dáár helemaal op gegooid. Ik kon goed tekenen, zoals dat heet. En ik was altijd gefascineerd door schilderijen. Van jongs af knipte ik reproducties uit. Die deed ik in mappen. Niemand heeft dat aangemoedigd. Bij mij thuis was het alleen maar sport. Mijn vader zat in de verzekeringen, moeder in de huishouding. Verder geen enkele interesse. Over die beeldende kunst heb ik ze nooit verteld. Niet uit bitterheid, maar omdat het er nooit van kwam. Ik ging mijn eigen gang."

In zijn onderhoud voorzag hij met ongeschoold werk, in fabrieken, de haven of de sloop. "Ik was sterk. Meer kon ik niet. In een brouwerij acht uur lang kisten vullen. Dan keek je op de klok: nu is er wel een uur voorbij. Was het pas tien minuten later. Oh, wat vreselijk! Ik had geen geld om materiaal te kopen. Dus schilderde ik over andere schilderijen heen. Daarna op hardboard. Met lak van het Waterlooplein. Een gulden per doosje. Die schilderde ik er in tien minuten op. En dan maar wachten tot ik weer geld had."

Begin jaren vijftig had hij zo'n schilderij ingezonden voor de Willink van Collenprijs. Die kreeg hij niet, maar wel een uitnodiging van Willy Boers voor de groep Creatie. "Toen exposeerde ik met grote namen als Eugène Brands. In Le Canard, dé avant-gardegalerie van Amsterdam. Dáár ging je heen, destijds. Niet alleen voor de tentoonstellingen, elke avond was er iets anders. Dat speelde een grote rol in mijn leven."

Hij zag er werk van Piet Ouborg en Escher, Remco Campert en Lucebert lazen er voor. Eugène Brands draaide platen met Afrikaanse volksmuziek. Daar kreeg hij in 1954 zijn eerste solo-expositie. "Mijn eerste tekeningen verkocht ik voor 15 gulden per stuk. Ik heb er geloof ik drie verkocht. Ik dacht: ik word rijk!"

In 1957 exposeerde hij in Le Canard 'Peintures Criminelles', die evenals de tekeningen ten doop werden gehouden door de dichter Jan G. Elburg. "Er verschenen alleen maar negatieve kritieken, mijn werk was 'ondemocratisch'. Ik heb er nooit een seconde van wakker gelegen. Ik was dan wel berucht, maar ik verdiende geen cent. De Cobraschilders verkochten aanvankelijk ook niks. Je kon een Appel kopen voor 45 gulden."

In 1967 schreef hij samen met Hans Sleutelaar 'De SS'ers', waarin voor het eerst foute Nederlanders vrijuit spraken. Hij ontdekte hoe gevaarlijk idealisten kunnen zijn - zoals ook een van de geïnterviewden zelf zegt. "Dan maak je slachtoffers. Want jouw ideaal moet worden gerealiseerd. Door het stelselmatig brandmerken van 'de vijand' wisten velen niks anders.

Nog altijd wordt een groot deel van de mensen eenzijdig voorgelicht. Door de kranten die ze kiezen bijvoorbeeld. Ik maak me dus geen enkele illusie. Zolang er mensen zijn, slaan ze elkaar de hersens in. Dat zal altijd zo blijven."

Dat inzicht heeft niet tot begrip voor het vijanddenken geleid. "Ik weet waartoe de mensen in staat zijn. Begrip is wat anders. In de oorlog kon je je überhaupt geen begrip veroorloven. Toen was het: jij of ik. Al ging die oorlog aan het gros van de Nederlander grotendeels voorbij. Bonnen plakken, verduisteren... Maar als er geen mensen werden opgepakt, en je was geen Jood, was het alleen maar lastig.

Zelfs mensen die áán het kamp woonden wisten van niks. Gebrek aan interesse. Ze hebben niks meegemaakt. Of ze keken een andere kant op.

De meeste mensen wonen in een heel kleine wereld. Uit veiligheidsoverwegingen. Want als je daar uitstapt, kom je in een onzekere wereld terecht. Zoals de meesten het makkelijker vinden hetzelfde te doen als hun ouders, hun omgeving.

Achteraf gezien ben ik een uitzondering. Was ik niet eigenwijs geweest, dan was ik nooit kunstschilder geworden. Dan ben je toch maf; dan verdien je toch niks! Dan was ik bovendien nooit uit dienst gekomen. Je moest het graag willen, maar niet in een groep kunnen aarden. Dat kostte mij weinig moeite. Binnen tien dagen was ik eruit."

Daar kreeg hij later 'enigszins ambivalent' spijt van. Armando: "Die hele generatie van mij is in Indonesië geweest, mijn vrienden hebben dessa's moeten platbranden. Was ik in dienst gebleven, dan had ik dat ook moeten doen. Ik was tegen. Hadden we net een oorlog achter de rug waarin we voor onze vrijheid vochten, moesten wij mensen bestrijden die ook voor hun vrijheid vochten. Was ik daarbij geweest, dan had ik een heel ander verleden gehad. Ik was denk ik overgelopen naar de 'vijand'.

Toen ik achter in de twintig was, heb ik me aangemeld bij het Vreemdelingenlegioen. Uit verveling. Nieuwsgierigheid. En het avontuur. Freiheit zum Gehorsam. Ik had het makkelijk aangekund, was bokstraining gewend. Toen had ik weer pech: ze namen, net na die oorlog in Algerije, geen mensen meer aan. Als ik nu beelden zie van het legioen, denk ik nog steeds: ik wou dat ik erbij was."

Armando vestigde zich eind jaren zeventig steeds hechter in Berlijn. Sinds enkele jaren woont en werkt hij in een voormalige militaire paardenkliniek in Potsdam. Is dat uit een voorkeur voor Duitsland of tegenzin jegens Nederland? "Nederland is een klein, dichtbevolkt land. Ik hou ook niet zo van de Nederlandse natuur, of wat daarvan over is. Er is geen bos meer. In Duitsland is er nog woud."

De schilder is broos. Een jaar of tien geleden is hij noodgedwongen met de linkerhand gaan schilderen. Behalve lichamelijk ongemak is er een ander nadelig effect van de ouderdom, zegt hij lachend: "Je geest blijft kinderachtig."

Dan serieus: "Men zegt: je bent zo oud als je je voelt. Dan ben ik 18, of 28. Maar ik bén niet zo oud als ik me voel. Ik ben 83. Of liever: mijn lichaam is 83. Maar mijn geest blijft geretardeerd. Ja, ik heb nu weliswaar meer ervaring. Maar ik kan me niet herinneren dat ik ergens anders over denk."

Wie is Armando?
Armando (Herman Dirk van Dodeweerd, Amsterdam, 18 september 1929) is beeldend kunstenaar, schrijver, dichter en tv-maker. Hij had in 1954 zijn eerste expositie in galerie Le Canard, in hetzelfde jaar debuteerde hij als dichter in Gard Sivik.

In zijn werk staan zijn jeugdherinneringen centraal aan het kamp nabij zijn woonplaats Amersfoort. Armando maakte deel uit van de kunstenaarsgroepen Creatie, de Informele Groep en de Nul-beweging. In de jaren zestig was hij enige tijd journalist en chef kunst bij de Haagse Post. Hij ontving voor zijn geschreven oeuvre onder meer de Multatuliprijs, de Gouden Ganzeveer en de VSB-poëzieprijs. Armando speelde als jongen viool en begon daar weer mee op zijn zestigste. Hij was samen met Cherry Duyns maker van en acteur in het absurdistische tv-programma Herenleed. In 2007 brandde het Armando Museum in Amersfoort af. In september gaat naar verwachting het nieuwe Armando Museum in Oud-Amelisweerd te Bunnik open. Morgen opent in het Cobra Museum in Amstelveen de tentoonstelling 'Armando vs Armando'.

FOTO'S PATRICK POST

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden