'Mijn leven hangt van geluk aan elkaar'

De Nederlander Dolf Douwes werkte tijdens de Tweede Wereldoorlog als dwangarbeider aan de Birma-spoorweg. 115.000 mensen overleefden de aanleg niet. Zij worden volgende week herdacht. „De dag dat de oorlog voorbij was, is de mooiste dag in mijn leven.”

Geluk, dat associeer je niet met ruim drie jaar krijgsgevangenschap in Indonesië, Burma en Thailand. Zeker niet als van die tijd nog eens anderhalf jaar dwangarbeid is verricht aan de beruchte Birma-spoorweg. En toch zegt Dolf Douwes (1923) blijmoedig en met volle overtuiging dat hij ’onvoorstelbaar veel geluk’ heeft gehad tijdens zijn gevangenschap, die duurde van maart 1942 tot de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945.

Douwes’ definitie van geluk getuigt van een opmerkelijk optimistische levenshouding. In plaats van om te zien in wrok en frustratie over wat hij in die oorlogsjaren allemaal heeft moeten doorstaan, prijst hij zich vooral gelukkig om de ellende die hem bespaard is.

Bij het werken aan de Birma-spoorweg behandelden Japanse militairen het groepje van Douwes betrekkelijk mild. Hij leed aan dysenterie, maar werd net op tijd behandeld in een militair hospitaal in Singapore. Hij overleefde twee bombardementen waarbij honderden mensen om het leven kwamen. Hij ging op het nippertje niet op transport naar Japan, waar veel andere dwangarbeiders door uitputting of bombardementen de dood vonden. Zelf koestert Dolf Douwes goede herinneringen aan het ’Kale Koppen-kamp’, Tjimahi op West-Java. „Ik heb daar heel veel geleerd.”

Als 18-jarig dienstplichtig militair van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) belandde Dolf Douwes na de overgave van het KNIL aan de Japanse bezetter in maart 1942 in krijgsgevangenschap. Het KNIL was geen partij voor het Japanse leger. „Ik moest me voor mijn eerste opkomst melden in Bandoeng. We kregen een blauwe korte broek, een wit hemd en een honkbalknuppel. Na een paar weken kreeg ik zelfs een klewang (zwaard, red.) en later een geweer met kogels die er niet in pasten. Ik vroeg aan onze luitenant: ’Hoe moeten we vechten? We hebben alleen een bajonet’. Toen de Japanse vliegtuigen overkwamen, konden we er – gelukkig – niet op schieten.” De KNIL-eenheid had nog willen doorvechten, maar merkte al gauw dat de lokale bevolking op de hand van de Japanners was. „De inheemse bevolking dacht dat de Japanners hen zouden bevrijden.”

De militairen werden vastgezet in het Djati Nangkor-kamp. De Japanners leken de teugels niet zo strak aan te trekken: jongens glipten ’s nachts onder het prikkeldraad door om naar hun familie in Bandoeng te gaan. Met de executie van drie jonge gevangenen in dit kamp werd echter een voorbeeld gesteld. In andere kampen gebeurde hetzelfde. „Die jongens zijn afgemaakt met bajonet en kogels. Ik heb het niet willen zien en heb me onder m’n tampat (bed, red.) verstopt.”

Na drie maanden werd Douwes overgeplaatst naar het Kale Koppen-kamp op Tjimahi, waar tussen de gevangenen een ’bijna collegiale’ band bestond, ongeacht rang of stand. Douwes vond het KKK-kamp ’eigenlijk erg leerzaam’. „Ik kon er lessen en lezingen volgen, leerde schaken en sterrenkunde. De opgeroepen leraren gaven achter de barakken les aan gevangenen die daar belangstelling voor hadden. Wie geen geld had, kreeg bonnen om chocolademelk te kopen of marmelade die was gemaakt van de ingeleverde sinaasappelschillen. Er werd veel gemusiceerd. Wim Kan vertelde over Buziau (een toentertijd populaire komiek, red.) en trad op als Sinterklaas.”

In Tjimahi had Douwes al profijt van de niet zo verwende opvoeding die hij en zijn broers Frans en Sjef hadden gekregen. Dolf was gewend met weinig tevreden te zijn, ook omdat het gezin geen inkomen meer had sinds de inval van Duitsland in Nederland. Voor de jonge Douwes was de gevangenschap anders dan voor mannen die gescheiden waren van hun vrouw en kinderen. „Ik was wel gewend om alleen te zijn. Het enige was dat ik het ontzettend jammer vond van die nutteloze tijd. Daarom was ik blij met de saamhorigheid in het KKK-kamp.”

Eind 1942 kwam er een einde aan Douwes’ verblijf in Tjimahi. Per trein en boot werden gevangenen afgevoerd naar Birma om de spoorlijn naar Thailand aan te leggen (zie kader). Hun enige bezit: een matje om op te slapen, een etensblik en lepel en een tjawat, schaamlap. Naar omstandigheden, zegt Douwes, heeft hij ook bij de Birma-spoorweg geluk gehad. „Onze groep van zestien man stond onder leiding van luitenant De Vries. Een man die voor ons opkwam, terwijl andere officieren zich vaak niet lieten zien. We werkten als een team en konden het daardoor volhouden.”

Het werk bestond uit het eindeloos in een mandje scheppen van grond en die dan naar het tracé van de nieuwe spoorlijn brengen en leegkiepen. Vaak in de stromende regen in de modder op blote voeten, waardoor de gevangenen onder de smurrie kwamen te zitten. De kunst was om het werk zo te doseren dat het nog draaglijk was en tegelijk de Japanse opzichters tevreden hield.

De Japanse soldaten waren volgens Douwes de beroerdsten niet. „We kregen wel slaag, maar dat was te harden. Je moest oppassen dat ze niet met hun geweerkolven tegen je schenen sloegen. Recht blijven staan en hen niet aankijken. Echte excessen deden zich bij ons niet voor. De twee Koreaanse bewakers in ons groepje waren wel echt gemeen. Je moest zorgen dat je niet alleen met hen was. Ik heb geluk gehad. In al die tijd ben ik maar twee keer geslagen, alleen m’n bril was kapot en een paar tanden waren stuk.”

Nog een geluk was dat het tentenkampje aan een rivier lag die vol vis zat. „Daar konden we water uit halen om thee te zetten en ’s avonds de modder van je af te spoelen. Vis vangen gebeurde met behulp van Japanse handgranaten. Die mannen wilden ook weleens wat anders eten.”

Van de groep van zestien overleefden er dertien de periode van dwangarbeid, een bijzonder hoog aantal. De groep werkte ongeveer een jaar aan de spoorlijn en moest daarna voor het onderhoud en de reparaties zorgen. Er werden olifanten ingezet om te helpen bij het zware werk en bijvoorbeeld als er een locomotief of wagon uit de rails was gelopen.

Dolf Douwes kreeg malaria en werd met een groep op ziekentransport naar Bangkok gezet. „Onderweg moesten wij munitie van een trein over de spoorbrug in een andere trein laden omdat de bruggen niet al te sterk waren. We werden door Amerikaanse jagers gebombardeerd. Ik dacht: ’Ik wil niet invalide worden, dan ben ik ten dode opgeschreven’. Dus ben ik onder een wagon met munitie gekropen met het idee ’liever dood dan invalide’, maar toch groef ik uit een soort bescherming met mijn handen in de grond. Een bom raakte de rails. We moesten eerst de spoorweg repareren voordat we verder konden.”

De groep eindigde in de haven van Bangkok, in afwachting van het gevreesde transport naar Japan. „Wij dachten: dat overleven we niet.” Twee dagen na aankomst bombardeerden Amerikaanse vliegtuigen de haven van Bangkok. Ze wilden benzine-opslagplaatsen vernietigen. „Het was een verschrikkelijk bombardement. Het gevolg was dat we niet konden uitvaren. We moesten in die gebombardeerde loods blijven en het puin van het spoorwegemplacement in Bangkok opruimen. Maar ons grote geluk was dat we niet konden vertrekken naar Japan.”

De gevangenen hadden geen benul hoe de oorlog verliep, tot op een avond een Japanse soldaat Douwes toefluisterde: ’War soon over, then we are friends again’. Dat vond ik zoiets merkwaardigs. Wij wisten niets, hoorden alleen geruchten die nooit klopten. We vroegen ons af hoe de oorlog zou eindigen, hoe lang het zou duren voordat we hier werden weggehaald en naar huis teruggebracht? En dan komt zo’n Japanse soldaat ineens vertellen dat de oorlog binnenkort voorbij is!”

Op de dag van de capitulatie, 15 augustus 1945, zaten Japanse militairen in de haven van Bangkok ’heel devoot’ met gebogen hoofd naar de radio te luisteren. De Japanse keizer sprak in een voor hen onbegrijpelijke keizerlijke hoftaal. De boodschap van de keizer: De zon was op Japan gevallen en had vele doden en gewonden veroorzaakt, maar veel erger voorkomen. Het was daarom beter vrede te sluiten.

De overgave verliep geruisloos. Dezelfde avond kregen alle krijgsgevangenen van Thai een gevulde eend. „Ze waren zó blij dat de oorlog was afgelopen. Voor mij was het de mooiste dag van mijn leven.”

Dolf Douwes heeft het consequent over ’Japanners’, waar anderen de term ’Jappen’ gebruiken. Haat heeft hij nooit gekend. „Na de capitulatie werden de Japanners in kampen opgesloten en moesten zij ons groeten. Dat vond ik belachelijk. Ik keek dan maar de andere kant uit.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden