Mijn kruisteken is veel te weids van gebaar

We zijn in Griekenland waar ze de bushalte ’stase’ noemen. Dat vind ik nou leuk. Twee keer leuk zelfs. Allereerst omdat ik het woord herken en ijverig herleid. En allertweedst omdat de Grieken dit plechtige woord een feestneus voorbinden en als ’halte’ langs de weg zetten.

Bij de bakker herkende ik vervolgens ’yklukh’ als ’gluco’, wat glucose, zoet, is natuurlijk. Daarna had ik van de borden ook al gauw een oogarts afgeleid en een ijzerhandel zelfs. Kinderhand, ik weet het.

Na landing spoedden we ons meteen naar de Acropolis waar het Nike-tempeltje helaas aan het oog wordt onttrokken, omdat het nu voor de derde keer helemaal herbouwd gaat worden. Derde keer? Hoeveel Nike-tempeltje is dan eigenlijk nog over? Ook het Parthenon staat in de steigers. Je ziet de hijskranen wel staan, op rails zelfs, maar er gebeurt niks. Het is natuurlijk een jaar nadenken en dan één steen een beetje verschuiven.

In Epidauros wordt een en ander voortvarender aangepakt. Daar is de plaatselijke gemeente maar eens begonnen aan een vernieuwende restauratie waarbij men uit één schijf een hele zuil afleidt. Op Kreta was Arthur Evans indertijd zeer creatief aan het opgraven, waarbij hij uit een potscherf, een halve munt en een verweerde inscriptie een compleet paleis met wagenmenner, paard en strijdwagen ineenflanste, desnoods met fresco’s erbij. Maar zo gaat het niet op de Akropolis, al kan ik dat alleen maar uit het tempo van de gebeurtenissen afleiden.

Ik had de gids bij me die ik 35 jaar geleden kocht voor mijn eerste bezoek aan Griekenland, geschreven door Mr. Henrik Scholte en verschenen bij Allert de Lange. Mr. Scholte is denkelijk niet meer onder ons. Hij is van de J.J. Voskuil-generatie en vindt modern Grieks ’een verhipt moeilijke taal’. Scholte weet bij elke bult in het landschap welke Griek, God of geit zich daar ooit op betekenisvolle wijze heeft opgehouden en doet er verslag van in soepel proza. Hij spaart je veel opzoekerij en biedt trouwens aanzienlijk meer dan ik zou vinden al ging ik zoeken, want hij kent zijn klassieken veel beter dan ik. Wij nemen, al is het wat laat in de dag, nog altijd onze hoed af voor Mr. Scholte.

Op zondag ben ik naar de kerk geweest. Het was in Katakolo op de uiterste westpunt van de Peloponnesus. De dienst begon om half acht in een sympathiek klein kerkje, laat negentiende-eeuws, en perfect onderhouden door de kleine welvarende geloofsgemeenschap van het stadje. Men kan wel een paar centen missen zo te zien. Helaas werden die besteed aan een overbodige geluidsinstallatie. De priester en een leek werken zich, urenlang heen en weer zingend, door een aantal teksten heen die mij onduidelijk zijn, behalve dan de kyrië’s. Reve’s term ’poppenkast’ is hier te bescheiden, er staan tientallen poppenkasten in de kerk in de vorm van een rij dressoirs in het midden. Op elk dressoir bevindt zich een icoon achter glas. Mensen blijven binnenlopen en gaan alle iconen af waarbij ze voorzichtig het glas kussen voor de afbeelding. Ab Osterhaus zou er een stuip van krijgen.

Ik sta, zit, sta, bij de vrouwen, zie ik veel te laat. Niemand zegt er iets van. Ik val toch al op door mijn kruisteken dat veel te weids is van gebaar. Ze doen het hier meer friemelend tegen de borst aan. De misdienaar is een wat oudere heer in lichte broek en overhemd. Het veel gebruikte wierookvat heeft belletjes! Dat zou ik als misdienaar indertijd zeer gewaardeerd hebben. Deze misdienaar knielt niet, maar leunt nonchalant tegen het altaar, het ene been over het ander geslagen. Wat opvalt is het terloopse, het niet-plechtige, van de sfeer. Als er een bekende van de misdienaar binnenkomt verlaat hij het altaar om even de kerk in te lopen, een hand te geven en de kaartavond van gisteren door te praten.

Ergens halverwege de dienst was er een crescendo, waarbij het licht hoger werd gedraaid en de klok begon te luiden, maar een en ander zette niet door tot in een daadwerkelijk plaatsvindende dan wel symbolisch aangeduide transsubstantiatie. Na een goed uur stak ik zelf wat kaarsen op achterin en verliet de kerk diep buigend en mezelf ijverig bekruisend in de hoop daarmee alle kritiek van Boven, maar ook die van onder, af te weren.

De iconografie is iets anders hier. Jezus die het voorgeborchte binnenbreekt kende ik al wel, maar ik werd dit keer getroffen door de afbeeldingen van de dood van Maria. De moeder Gods ligt op haar sterfbed. Ze wordt omringd door treurende apostelen. Achter haar sterfbed staat Jezus in serene rust met haar ziel op zijn arm in de gedaante van een kind. Je ziet hier wel een variant op in de middeleeuwen bij ons, als de ziel in vergelijkbare gedaante bij de laatste ademtocht door de mond van de stervende ontsnapt.

Je zou bijna denken dat mensen al eeuwen weten wat Wittgenstein nog eens benadrukte: het beste beeld van de menselijke ziel is het menselijk lichaam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden