'Mijn inzet: alles uit een kind halen'

Marja van Bijsterveldt is nu ruim vier jaar bewindspersoon op het ministerie van onderwijs. Wat zij voor ogen heeft, is inmiddels volstrekt helder: de lat moet omhoog. "Er mag iets gevráágd worden van kinderen."

Van uitstel komt geen afstel. Zo ziet minister van onderwijs Marja van Bijsterveldt (CDA) haar eigen beslissing, vorige week, om de uitvoering van twee omstreden plannen een jaar op te schuiven. De boete voor studenten die te lang over hun studie doen, wordt pas in 2012 ingevoerd en ook de bezuiniging van 300 miljoen euro op het zogeheten passend onderwijs hoeft pas een jaar later in de boeken te staan dan aanvankelijk de bedoeling was.

Met dat uitstel hoopt Van Bijsterveldt zich verzekerd te hebben van de steun van de SGP; die is waarschijnlijk hard nodig om de plannen door de Tweede én de Eerste Kamer te loodsen. Deze manoeuvre kon wel eens de voorbode zijn van hoe het minderheidskabinet in voorkomende gevallen moet opereren, zegt de minister.

Is dat hinderlijk? Hebben de kabinetsplannen daardoor in uw ogen schade opgelopen?
"Het is meer een feit. Het regeerakkoord lag er en daar zijn we mee aan de slag gegaan. Maar om de veranderingen rondom het speciaal onderwijs succesvol te kunnen invoeren, moesten we aansluiten bij de wensen van het parlement, en uiteraard hebben we ook gekeken naar de zorgen in het land. Er is nu ruimte voor alle betrokkenen om rond de tafel te gaan zitten en te overleggen. Daardoor kunnen de plannen zorgvuldiger worden uitgewerkt. Het gaat dus niet alleen om geld, maar ook om tijd. Dat is echt winst."

Hoe bevalt het om te regeren met een minderheidskabinet?
"Het is een heel leuke ploeg, met een heel goede sfeer. We gunnen elkaar iets, en dat is belangrijk, want we staan voor moeilijke beslissingen. Dan moet je als team optreden, en dat dóet dit kabinet. En ja, we moeten steeds goed kijken of het nodig is om het draagvlak voor onze plannen te vergroten. We moeten steeds vooruit kijken en niet pas gaan nadenken als een voorstel moeilijk blijkt te liggen in de Eerste Kamer. Dat willen we voor zijn.

"We zijn dus niet te belabberd om compromissen te sluiten. Met een gewoon meerderheidskabinet zit alles vaak potdicht, nu niet. Dat kan de parlementaire democratie versterken. Met het uitstel op het gebied van het passend onderwijs en de langstudeerdersboete laten we zien: we willen ruimte geven aan bezwaren - daar is ook niets mis mee, daar moeten we niet krampachtig over doen - maar we willen wel ons doel bereiken. Want dat doel blijft overeind."

Maar het draagvlak voor die bezuiniging op passend onderwijs is door dat uitstel niet groter geworden ...
"Bezuinigingen leveren nooit juichende spandoeken op. We moeten nu eenmaal de financiën op orde brengen. En de uitgaven voor passend onderwijs zijn de afgelopen jaren echt uit de hand gelopen. Maar het geld dat in het onderwijs bezuinigd wordt, mag elders in het onderwijs worden ingezet om de kwaliteit te verbeteren. Dat gebeurt ook, laten we dat niet uit het oog verliezen."

Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart was in het vorige kabinet al staatssecretaris op het ministerie van onderwijs. De lijn die zij toen inzette, wordt nu zij minister is steeds duidelijker zichtbaar. 'De basis op orde, de lat omhoog', zo staat het in het regeerakkoord; Van Bijsterveldt heeft er zo ongeveer haar motto van gemaakt.

"De basis op orde, daarmee doelen we op de vaardigheden op het gebied van rekenen en taal. Op dat gebied viel onderhoud te plegen, dat heeft het vorige kabinet al vastgesteld. Daarnaast moet ook de lat omhoog. Er mag iets gevráágd worden van leerlingen. Kinderen hunkeren naar veeleisend onderwijs, onderwijs waarin er iets van hen verwacht wordt. Uiteindelijk zijn jonge mensen gelukkiger als hun talent ten volle wordt benut.

"Dat moet op alle niveaus. Ook van vmbo-leerlingen hoor ik vaak dat ze zich te weinig uitgedaagd voelen, dat ze er op hun dooie akkertje doorheen gegaan zijn. Die krijgen van hun leraar te horen: sla dat deel van de tekst maar over, daar ben je nog niet aan toe. Terwijl ze zelf denken: dat kan ik best. Dat vind ik zonde. Als moeder wil ik dat alles uit mijn kind gehaald wordt wat erin zit. Als minister vind ik dat scholen alles op alles moeten zetten om dat voor elkaar te krijgen. Dat is mijn inzet."

U zet vooral in op taal en rekenen en - in het voortgezet onderwijs - op Nederlands, Engels en wiskunde. Zijn geschiedenis en aardrijkskunde minder belangrijk?
"Het een hoeft niet ten koste van het ander te gaan. Het is niet of of, maar en en. Maar rekenen en taal zijn beide heel relevant om zaken te begrijpen. Neem taal. Het gaat er niet alleen om dat je de d's en t's goed zet. Het gaat ook om vragen als: begrijp je wat je leest, kun je verwoorden hoe je je voelt, kun je je mening beargumenteren?

"Het hoger onderwijs gaf een jaar of drie, vier geleden aan: we hebben echt een probleem op dit gebied. En dat is niet voor niets, want of jongeren die basis onder de knie hebben, is uiteindelijk bepalend voor hun succes in het vervolgonderwijs. Aandacht daarvoor is geen verschraling, zoals wel gezegd wordt, maar een verrijking.

"Het hoeft ook niet allemaal in die lesuren Nederlands of wiskunde te gebeuren. Een leraar aardrijkskunde kan ook letten op de taal van z'n leerlingen. En andersom, als een leraar Nederlands een klas een tekst over integratie voorlegt, dan gaat het niet alleen over taal, maar ook over integratie."

Als de lat hoger komt te liggen, komt een diploma voor sommige leerlingen buiten hun bereik te liggen.
"Ja. Als de eisen worden aangescherpt, worden ze moeilijker haalbaar, dat is duidelijk. Maar daardoor neemt de waarde van het diploma toe. Het mbo klaagt nu over het niveau van de leerlingen die ze binnenkrijgen uit het vmbo, het hoger onderwijs klaagt over het niveau van mbo'ers, havisten en vwo'ers. Dat moet veranderen. Je houdt jezelf voor de gek als je te lage eisen stelt. Dan halen jongeren diploma's die niet staan voor wat ze zouden moeten opleveren."

Veel leraren vrezen dat voor een grote groep leerlingen zelfs het laagste vmbo-diploma onhaalbaar wordt als de lat omhoog gaat. Welk perspectief biedt u deze groep?
"De zorg voor kinderen die het niet redden, dat is voor mij een erekwestie. Voor deze jongeren zijn er bijvoorbeeld opleidingen op het laagste niveau in het mbo, niveau 1. Wie niet hoger komt dan dat niveau, moeten we voortaan niet langer een voortijdig schoolverlater noemen. Maar we moeten er niet te snel genoegen mee nemen dat iemand geen diploma op een hoger niveau haalt. Sommige scholen weten wonderbaarlijke dingen te bereiken, terwijl andere, met soortgelijke leerlingen, ver achterblijven. Als je deze jongeren structuur biedt, als je in ze gelóóft, dan kan je veel bereiken."

Ook het havo- en vwo-diploma wordt door hogere eisen voor minder jongeren bereikbaar. Het aantal studenten op universiteiten en hogescholen zal dus dalen. Zet u een streep onder de ambitie van opeenvolgende kabinetten dat vijftig procent van de beroepsbevolking hoog opgeleid moet zijn?

"Een kwantitatief doel kan nooit voldoende zijn. Als het hoger onderwijs steen en been klaagt, dan moeten we ons zorgen maken over de waarde van het diploma. Natuurlijk is het goed als er genoeg mensen het hoger onderwijs halen en daar excelleren. Maar het is niet alleen zonneschijn wat er op de universiteiten binnenkomt, dus het is niet erg dat er wat scherper gekeken wordt naar wie er toegelaten wordt en wie niet.

"Een goede mbo'er op het hoogste niveau, niveau 4, is trouwens ook veel waard. Het is doodzonde dat algemeen vormend onderwijs, zoals havo en vwo, altijd hoger wordt aangeslagen dan beroepsonderwijs. Elke keer als ik een vmbo-school binnenkom, denk ik: wat een leuke kinderen, heel down-to-earth, heel scherp. En mbo is prachtig onderwijs. Ik zie vaak genoeg leerlingen op de havo, waarvan ik denk: die gun ik eigenlijk het mbo."

Door de lat hoger te leggen, wordt het onderwijs zelf niet vanzelf beter. Daarvoor zijn vooral goede leraren nodig, blijkt steeds uit onderzoek. En volgens de onderwijsinspectie schort het daar nog aan. Hoe gaat u dat aanpakken?
"De plannen van het vorige kabinet om de salarissen te verhogen om carrièrekansen te vergroten, zijn overeind gebleven. Daarnaast investeren we in professionalisering en in prestatiebeloning. Dat is een kwaliteitsimpuls. Maar inderdaad, er wordt veel gevraagd van leraren. Ze moeten omgaan met leerlingen met grote verschillen in aanleg en in belangstelling. Van het ene kind moet iets anders worden gevraagd dan van het andere om uitdaging te bieden.

"Dat vraagt ook veel van scholen. Ik wil de komende tijd goed gaan kijken of we de scholen daar genoeg ruimte voor geven. Moeten we niet meer ruimte geven voor maatwerk? Een school moet de ruimte krijgen om bijvoorbeeld een leerling apart te nemen en te zeggen: met jou ga ik nog even extra aan de slag.

"Ik wil daar nog één ding aan toevoegen. We hebben het vaak over leraren. Intussen is het bashen van de managers, de leidinggevenden in het onderwijs schijnbaar heel gewoon geworden. Maar ik zie dat goed leiderschap ongelooflijk belangrijk is. De leraar is belangrijk, maar een leidinggevende die leraren in hun kracht kan plaatsen en inspireren is minstens zo belangrijk."

'De basis op orde, de lat omhoog'
Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart (49) was onder meer burgemeester van Schipluiden en CDA-voorzitter voordat zij, ruim vier jaar geleden, staatssecretaris werd op van het ministerie van onderwijs (met in haar portefeuille voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs). Sinds juni vorig jaar is zij minister. 'De basis op orde, de lat omhoog', luidt haar motto, en dat zet zij al vier jaar in beleid om.

Samen met toenmalig PvdA-staatssecretaris Dijksma heeft Van Bijsterveldt de zogeheten referentieniveaus ingevoerd. Daarin ligt van basisschool tot en met vwo en mbo-niveau 4 vast wat leerlingen moeten kennen en kunnen. Die niveaus liggen vaak hoger dan wat leerlingen nu halen.

De eisen voor de examens in havo en vwo worden verscherpt. Vanaf 2012 moet elke vmbo-, havo- en vwo-scholier gemiddeld minstens een 5,5 halen bij het centraal schriftelijk eindexamen. Een jaar later gaat de regel in dat havisten en vwo'ers maximaal nog maar één 5 mogen halen voor de drie 'kernvakken': Nederlands, Engels en wiskunde. In 2014 wordt bovendien een rekentoets ingevoerd.

In het mbo moeten er centrale examens komen, te beginnen op het hoogste niveau (niveau 4), maar later ook elders in het mbo. Op mbo-niveau 4 moet Engels een verplicht examenvak worden.

Vanaf volgend jaar wordt de Cito-eindtoets verplicht op alle basisscholen. De vrijheid om ook andere toetsen te kiezen, verdwijnt. Er gaat ook gewerkt worden aan de ontwikkeling van een begintoets op basisscholen; die moet meten wat kinderen bij binnenkomst op school kennen en kunnen.

Jongeren mogen in de toekomst niet langer zonder vmbo-diploma beginnen aan een mbo-diploma op het op één na hoogste niveau; nu kan dat nog wel. Wie z'n vmbo-diploma niet haalt, kan straks alleen nog maar terecht op mbo-niveau 1.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden