Mijn Held / Mijn held zegt geen sorry, hij komt tot inkeer

Haar held is onaanzienlijk. Hij is scherpzinnig noch zelfbewust. Toch voert filosofe Karin Melis in deze reeks over heldenverering Simon Petrus op, omdat hij zich door de onstuimigheid van zijn hart laat leiden. „Telkens opnieuw struikelt hij. Maar het stof uit de baard schuddend, staat hij even vaak weer op. Waar vind je heden ten dage nog een man die zijn liefde zo schaamteloos tentoonspreidt?”

Het is mij een eer te mogen vaststellen dat de adelaarsneus van Simon Petrus al net zo scheef staat als die van mij. Dankbaar ben ik dat hij en ik de extreme makeovers achteloos aan ons voorbij hebben laten gaan. Zij het om uiteenlopende redenen. Waar ik door het vermoeden van pijn afgeschrikt word, heeft Simon Petrus niet eens weet van zijn fysieke onrechtmatigheid. Totaal onwetend hoe de wereld zich onder een haakse hoek aan hem aandient.

Deze man nu is mijn held. Ik geef grif toe, zeker ook vanwege ons gemeenschappelijke fysieke lot. Maar belangrijker nog omdat hij dat doet wat ik begeer te doen en niet durf. Simon Petrus laat zich door de onstuimigheid van zijn hart leiden. Telkens opnieuw struikelt hij. Maar het stof uit de baard schuddend, staat hij even vaak weer op. Waar vind je heden ten dage nog een man die zijn liefde zo schaamteloos tentoonspreidt?

Zie hem daar staan in alle vroegte op een willekeurige doordeweekse morgen aan het meer van Galilea. Tezamen met zijn broeder Andreas, met wie hij zo vertrouwd is dat uitwisseling van woorden niet meer is dan het verplaatsen van lucht. Elkaars zinnen afmakend gooien zij hun netten uit. Ze worden opgeschrikt door een welluidende stem vanaf de oever. „Volg mij”, klinkt het over de wateren. Zonder mankeren laten de vissers de netten uit de handen vallen en volgen de timmermanszoon.

Zelf had ik me al drieëntwintig keer bedacht. Hoe moet ik dit thuis uitleggen? Daarbij word ik door media en moeders gemaand niemand te volgen. Ik weet maar nooit of ik me aan een sekte overlever of aan een fundamentalistische beweging die mij vraagt mijn verstand in te leveren. Vertrouw niemand, knipperen letters onophoudelijk in mijn hoofd.

Zoniet Simon Petrus. Hij ziet een man gelijk aan hemzelf aan de oever: morsige baard, onbeduidend hemd, barrevoets. En hij gaat. Mijns ondanks springt mijn hart op. Zuivere liefde is hier in het spel. Wat anders beweegt Simon Petrus om het daaglijks brood uit zijn handen te laten vallen?

Welbeschouwd is deze visser geen kandidaat voor het heldendom. Ik althans heb geen poster van de man aan de muur boven mijn bed. Hij is onaanzienlijk. Zal in de afvalraces die we van de televisie kennen, niet opvallen. Niet bepaald een held met wie ik arm in arm gespot wens te worden. Ook sociaal gezien heeft hij weinig in de aanbieding. Hij is scherpzinnig noch zelfbewust. Er is geen enkele filter aanwezig die zijn acties of reacties zuivert. Ook zul je hier geen spoortje zelfkennis aantreffen.

Alles wat mijn held over zichzelf te weten komt, wordt hem aangereikt door anderen. Vooral door de schade die hij aanricht. Een cynicus zou zeggen: een leeg vat. Ik zeg: onbedoeld legt de visser de bewegingen van ons hart bloot. En daarmee onze onvolkomenheden. Het menselijk defect, zo eigen aan de condition humaine. Nu niet bepaald een aansporing tot navolging, laat staan tot bewonderend opkijken.

Maar hoe interessant, hoe beminnenswaardig is een mens zonder onvolmaaktheid, zonder scheve neus? Wij leven in een tijd dat alles psychologisch dan wel chirurgisch opgelapt moet worden. Het motief daarvoor ontgaat mij. We zijn volkomen geëmancipeerd en geïndividualiseerd en toch moeten we allemaal op elkaar lijken. Gebleekte witte tandjes, beetje botox hier en daar. En als het om de onderlinge omgang gaat, weerklinkt de slopende mantra ’Houd het bij jezelf’. We houden zoveel bij onszelf dat het ritsen op de snelweg ontaardt in een guerrilla.

Mijn Simon Petrus houdt niets bij zichzelf. In zijn enthousiasme spreekt hij grote woorden en legt beloften af bij de vleet. Vervolgens is hij onmachtig zijn woorden na te komen. Het toppunt is nog wel dat hij doodgemoedereerd, alsof er niets gebeurd is, bedroefd wordt als het slachtoffer van zijn nalatigheid hem het vuur na aan de schenen legt met eindeloos gevraag of hij, Simon Petrus, hem wel liefheeft. Bedroefd is mijn held. Want zo struikelend als zijn levensweg is, zo rotsvast zijn liefde. Ik zou wensen dat iemand mij zo zou geloven.

Goed. Simon Petrus volgt dus Jezus. En het existentiële drama kan beginnen. Jezus onderricht de visser en zijn woorden vallen in diens ziel zoals de letters die hij ooit in het zand schreef. Het is alsof Simon Petrus voor het eerst van zijn leven begrijpt wat het betekent om oren te hebben. De volgeling raakt zeer, zeer gehecht aan zijn rabbi. Jazeker, hij raakt geestdriftig. En overmoedig. Niets is hem te dol. Hij is een snelle leerling. Maar hij neemt alles letterlijk, als een kind.

Niet licht vergeet hij die stormachtige nacht op het meer toen Jezus onverstoord in de buik van het schip lag te slapen. Kleingelovig, zo duidde de rabbi de paniek die onder de vissers was uitgebroken. Simon Petrus voelt zich nog beschaamd als hij eraan terugdenkt. Maar dan dient zich opnieuw een gelegenheid aan om te tonen hoezeer hij gelooft. En als Jezus dan over het water wandelt, dan wil hij zich maar al te graag bewijzen in trouw en vertrouwen. Hij zal naar zijn meester lopen. Maar zodra Simon Petrus de wind aan zijn baard voelt trekken, realiseert hij zich wat hij aan het doen is. En zinkt als een steen, onderwijl uitroepend: „Heer, behoud mij!”

Kijk, dat vind ik nog eens een staaltje heldhaftigheid. Met de stem van het verlangen belijd je je geloof, bij het eerste het beste vermoeden van tegenslag bezwijk je, om vervolgens doordrenkt van het geloof de Heer alsnog om bijstand te roepen. Niet dat benepene zoals we dat van onze sorrycultuur kennen. Het hoge woord is er nog niet uit of woordvoerder trekt het alweer in. ’Niet zo bedoeld’. Inderdaad, het leidt allemaal tot weinig consistent gedrag. Maar geef mij maar Simon Petrus die zijn hart laat spreken. En als alles gezegd en gedaan is, staat hij gewoon weer op, de teleurstellende ervaring logenstraffend. Je kunt zeggen: het schiet niet op met zo’n mens die niet van zijn eigen fouten leert. Ik zeg: als ik mezelf zou kennen, als ik doordrongen zou zijn van mijn beperkingen, dan zou ik geen stap meer verzetten. Ik beloof hierbij: geen belofte zou meer over mijn lippen komen. ’Ken uzelve’ is een aansporing tot angstvallige begrenzing. Blijf binnen je perken. Ga je niet te buiten, want je zult onherroepelijk op de blaren zitten.

Gelukkig heeft Simon Petrus geen weet van deze lucide Griekse wijsheid. Als Jezus vraagt wie de mensen zeggen dat hij is, dan roept onze visser hartstochtelijk uit dat Jezus de gezalfde is, de Zoon van de levende God. En als hij Jezus in een visioen op de berg ziet vergaderen met Mozes en Elias, wil hij op staande voet maar liefst drie tabernakelen bouwen. Zijn liefde kent, kortom, geen grenzen.

Het leidt tot tenenkrommende situaties die niettemin mijn hart beroeren. Zo raakt Simon Petrus helemaal in paniek als zijn rabbi hem de voeten wil wassen. De wereld op zijn kop, denkt de discipel. Hij moet niet gediend worden, hij is degene die moet dienen. De gezalfde als dienaar. De gedachte alleen al is onverdraaglijk. Simon Petrus voegt de meester nog toe dat hij, zondaar, hem niet waardig is. Jezus houdt onverstoorbaar aan, zeggend dat als Simon Petrus zich niet de voeten laat wassen, hij geen deel aan de Mensenzoon heeft. Nu wil de visser opeens dat Jezus hem helemaal wast. Hoe meer ledematen gereinigd, hoe groter zijn deelgenoot aan het goddelijke, denkt hij. Stumper? Held, zeg ik. Wie durft zich zo open en bloot over te geven? Wie durft op zijn schreden terug te keren en te vragen: was me dan maar helemaal? Opdat ik geheel en al in je opga?

Naarmate het verhaal over de omgang tussen Jezus en Simon Petrus vordert, naarmate de passie van de laatste groeit, voel je in toenemende mate: dit is onhoudbaar.

Zijn passie heeft de trekken van een klassieke, hopeloze liefde: groots en zonder enig voorbehoud. En de minnaar vermoedt aanvankelijk nog niets van het onafwendbare onheil. Met ware doodsverachting stort hij zijn hartstocht uit.

Simon Petrus laat zich door niets en niemand weerhouden. Ook niet door Jezus zelf. Ontdaan is hij als Jezus aankondigt dat hij hem zal verloochenen. Hij, Simon Petrus! Hij, die zo verscheurd wordt door verdriet nu hem verteld is dat de Mensenzoon moet lijden en een weg zal gaan waar hij hem niet kan volgen. En híj zou hem verraden? Tot drie keer toe nog wel?

Met grote hardnekkigheid volgt Simon Petrus Jezus op de voet tot aan het gerecht van de hogepriester. En ik op mijn beurt volg de discipel op de hielen de rechtszaal in. Onderwijl kerm ik: laat deze hartstocht niet ter ziele gaan. Aldaar wordt de geliefde rabbi verhoord en geslagen. Zo welbespraakt als de meester met zijn volgelingen was, zo zwijgzaam is hij nu. De visser kan zijn ogen niet geloven. Is dit zijn god, het licht van zijn ogen? Deze man, ja, deze sterveling die zich laat behandelen als een worm? Achteraf weet Simon Petrus dat er verschillende versies van ook dit tafereel in omloop zijn gekomen. Maar hij herinnert zich eenduidig hoe hij daar bij dat verhoor door de hogepriester Kajafas naar Jezus keek als was hij een vreemde. Het schijnt Petrus toe dat het beeld dat hij van zijn held zo zorgvuldig kneedde en koesterde, jammerlijk in scherven valt. Voor zijn eigen ogen! En wie is hij nog, als Jezus niet meer zijn heer en meester is? Terwijl de angst bezit van hem neemt, vraagt de hogepriester of Jezus denkt de Christus te zijn. Diezelfde naam die Simon Petrus hem in onuitsprekelijke vreugde heeft toegevoegd. En Jezus zegt doodleuk: ja. Ja! Maar zie nu eens: ecce homo.

Ongelovig het hoofd schuddend schuifelt de discipel in het voorportaal van het gerechtshof. En dan vragen passanten: „Jij kende die Galileeër toch ook?” Nee, geen flauw idee over wie u het heeft. Weer wordt hij aangeschoten. En nog eens. Steeds weer diezelfde vraag over die man die zich laat slaan en geen stom woord zegt. Nee, die man kent hij niet. De schrille stem van de haan snerpt door zijn ziel en ineens wordt mijn held vervuld met berouw. Gij zult u geen gesneden beelden maken. Ineens weet hij dat hij al die tijd dit gebod met voeten heeft getreden. Ineens ziet hij hoe hij Jezus buitenproportioneel heeft opgeblazen. En hij weent bitter over zijn eigen verraad.

Wat ik hier aanschouw is de weg van de mens. Meer dan dat: ik zie onverbloemde hartstocht. Die roekeloze hoop bekoort mij. Zelfs al weet ik dat het ons duur komt te staan. Misschien moet ik wel zeggen: juist dan. Ofschoon er vaak geklaagd wordt over een gebrek aan bevlogenheid, zijn wij er ook vaak bang voor. Waarschijnlijk omdat we aanvoelen dat de val diep zal zijn. So what? Welke prijs betalen we als we het hart het zwijgen opleggen?

Mijn held zegt geen sorry, hij komt tot inkeer. Hij heeft Jezus niet zozeer pas in het voorportaal verloochend, het verraad begon eerder, daar, aan die oever van het meer. Dat ziet hij nu. En zijn liefde gaat uit naar deze man van vlees en bloed. Omgekeerd geldt dat wij als lezers geen gestold beeld van Simon Petrus kunnen maken. Als de visser uit solidariteit met de veroordeelde zich luid en duidelijk bekend had gemaakt, dan hadden we op elk dorpsplein een standbeeld voor hem kunnen oprichten. De discipel als medegekruisigde. Maar zo gaat het verhaal niet.

Jezus keert terug uit de dood en komt ook te spreken met zijn loochenaar. En hij die uit het rijk der doden is opgestaan, vraagt uitgerekend Simon Petrus: „Heb je mij lief?” Nu luidt zijn antwoord volmondig ja. Nu weet hij dat de toekomst onzeker is, de vrijheid zonder andere boeien dan zijn eigen eenzame geloof. Zowaar als hij Jezus daar in zijn ware gedaante ziet: een mens in wording. En Jezus voegt hem toe: „Hoed mijn schapen.” Het vertrouwen dat uit die laatste drie woorden spreekt, hoort Simon Petrus niet. Het is hem zwaar te moede dat Jezus geen geloof in zijn liefde voor hem heeft. Maar wat Jezus eigenlijk afsmeekt is het eerste gebod en dat ook nog eens in drieën: „Heb mij lief.” En dan weet je wat die bekentenis betekent: want ik heb jou zo lief.

Het behoeft geen betoog dat het vertrouwen dat Jezus schenkt aan Simon Petrus – hij is de zogenoemde eerste paus – niet aan onze huidige moederkerk is besteed. Die moet het vooral van gestolde beelden hebben. Uitgerekend de beelden die Simon Petrus tot de verloochening hebben gebracht. En, laten we niet vergeten, tot inkeer. Tot het besef dat het menselijke defect in staat is de liefde aan te sporen. Als onvolmaakte mensen kunnen we simpelweg het volmaakte niet liefhebben. Een defecte God klinkt als godslastering, maar is dat niet. Het zou niet in een volmaakt wezen opkomen om te schreeuwen: „Heb mij lief!”

Mijn held Simon Petrus had grote woorden voor zijn verbondenheid. Zijn woorden waren groter dan het leven zelf. En hij wist niet dat alleen de verloochening hem terug kon brengen tot de ware verbintenis die daaraan ten grondslag ligt. Hij verloochende de man Jezus omdat hij de Christus wilde bewaren.

Karin Melis is filosofe en publiciste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden