Mijn Held Kiezen tussen held en heilige

Letter & Geest vraagt deze zomer een aantal scribenten naar hun talent voor heldenverering. Als eerste in de reeks: ethicus Frits de Lange over zijn fascinatie en huiver voor Dietrich Bonhoeffer (1906-1945). „Hij werd mijn held, maar ik kon nooit voor hem op mijn knieën. Er is tussen ons altijd iets van een klassenstrijd blijven woeden.”

Als religie zowel fascinatie als huiver is, dan was wat mij als jonge student theologie midden jaren zeventig in het boemeltje van Kampen naar Zwolle overkwam, een religieuze ervaring. Ik las Dietrich Bonhoeffers ’Widerstand und Ergebung’, een goedkope Siebenstern-editie met brieven uit de gevangenis. „De mens heeft geleerd alle grote problemen zelf op te lossen zonder terug te vallen op de ’werkhypothese God’. [...] De aanval van de christelijke apologetica op de mondigheid van de wereld vind ik zinloos, onfatsoenlijk en onchristelijk.”

Ik herinner me de opwinding die het lezen teweegbracht. Verrast over het lef en de intellectuele eerlijkheid waarmee deze theoloog de secularisatie tegemoettrad, de moed om als Duitser verzet te plegen tegen Hitler, de ongebroken geestelijke spankracht waarmee hij zijn gevangenschap onderging, de aardse spiritualiteit die me helemaal geschikt leek om straks als jonge dominee de ontkerkelijking mee tegemoet te treden. Ik dronk de zinnen in, zonder ze te begrijpen. „Kerk is alleen kerk als ze kerk voor anderen is.” „God doet ons weten dat wij moeten leven als diegenen, die hun leven inrichten zonder God.” Ga d’r maar aan staan.

Naast het fascinans overviel me ook het tremendum, dat meteen afstand schiep: huiver voor de man achter de theologie, de cultuur achter zijn brieven. Allemaal een paar maten te groot voor mij. De man zelf: een autoritaire persoonlijkheid, die eronder leed dat hij anderen met zijn aanwezigheid kon verpletteren. Zijn cultuur: geworteld in een elitair academisch milieu, dat volstrekt haaks stond op het mijne. Gewend aan leiderschap en schijnbaar altijd zeker van zichzelf. Iemand die domheid geen intellectueel, maar een moreel defect noemt, en ronduit zegt dat hij mensen die het bij een luchtaanval in hun broek doen van angst veracht. Die een pleidooi voert voor een ’aristocratisch christendom’, dat uitgaat van de kracht van mensen in plaats van hun zwakheden. Die discipline, tucht en zelfbeheersing propageert als toegangspoort tot vrijheid.

Ik las zinnen die ik thuis, in het gereformeerde arbeidersmilieu waarin ik opgroeide, nooit gehoord had, laat staan dat ik ermee was groot geworden. Ik proefde in Bonhoeffers openlijke elitisme waarmee hij aan zijn soort mensen een natuurlijk leiderschap toedichtte, niet alleen een grote onbekendheid met mijn wereld, maar ook iets van een hautaine afkeer ervan. Dat stak. Temeer omdat ik er geen argument tegenin kon brengen, alleen een vaag gevoel van ressentiment dat enkel zijn verachting bevestigde.

Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) werd mijn held, maar ik kon nooit voor hem op mijn knieën. Er is tussen ons altijd iets van een klassenstrijd blijven woeden. Niet zo vreemd achteraf dat het onderwerp van mijn proefschrift ’Burgerlijkheid bij Dietrich Bonhoeffer’ werd en de centrale vraag daarin: wat betekende het voor zijn theologie dat hij in dít gegoede Berlijnse Bildungsbürgertum was groot geworden?

Ik kon me er vier jaar lang mee bezig houden. Ik mocht toen als onderzoeker worden wat ik van huis uit nooit had gekund: toehoorder zijn bij gesprekken op niveau over politiek en kunst in de salon van huize Bonhoeffer, de partituur omslaan als Dietrich zijn familie op de vleugel begeleidde bij Schubert en Schumann, de boeken van Goethe en Stifter lezen die zij in hun gevulde huisbibliotheek net weer in de kast gezet hadden. De natuurlijke zelfverzekerdheid waarmee de Bonhoeffers zich vrij in de wereld bewogen, zou nooit de mijne kunnen worden. Maar toch, in het veeleisende gezelschap van deze man, zijn familie en zijn wereld kon ik uitgroeien boven een jeugd waarin ik bij ’muziek’ alleen aan een psalmenzingende moeder en bij ’boeken’ aan de Spiegelserie en de Bijbel met Kanttekeningen kon denken.

Ik werd deel van de Bonhoefferfamilie. In overdrachtelijke zin, als lid van de wereldwijde Bonhoeffer Society waarin elk detail uit zijn leven en werk, ook het meest persoonlijke, werd vastgelegd. Maar ook letterlijk: promovendi werden door Dietrichs vriend Eberhard Bethge en zijn vrouw Renate (een nicht) zo huiselijk onthaald en gastvrij deelgenoot gemaakt van het private bestaan van de familie dat je je er soms ongemakkelijk bij voelde. Ik pluisde niet alleen de briefwisseling uit de jaren veertig tussen de twee vrienden na – de een in een Berlijnse gevangenis vanwege zijn aandeel in het verzet tegen Hitler, de ander als legerpredikant aan het Italiaanse front – maar ontving (het is me één keer overkomen) veertig jaar later ook Bethge bij mij thuis en serveerde hem de koffie.

Toch werd ik nooit helemaal eigen met de familie. Ergens in mij werd verzet aangetekend. Het had iets te maken met verstikkende moederliefde, waar ik een allergie voor had ontwikkeld. Met de onafhankelijkheidsdrang van de adolescent ook, die blij is dat hij eindelijk op eigen benen staat en zich niet weer wil binden. Maar ook met protestantse afkeer van heiligenverering die je ervan weerhoudt om voor iemand anders op de knieën te gaan dan voor God alleen. Ik was er altijd bij, maar hield mijn reserves bij de internationale Bonhoeffer Society, een rondreizend circus dat eens in de vier jaar op congressen bijeenkomt. Zij heeft de lovenswaardige wetenschappelijke doelstelling Bonhoeffers theologische erfenis te beheren en creatief verder te ontwikkelen, maar tegelijk ook iets van een sekte die ritueel zijn stichter herdenkt.

In de jaren zestig en zeventig hadden die congressen nog iets van een reünie. Bonhoeffers leerlingen uit het seminarie Finkenwalde konden elkaar weer eens treffen in een door de Muur verdeeld Duitsland. De nuchtere, vrome eenvoud van iemand als Albert Schönherr, na de oorlog luthers bisschop van Oost-Berlijn, stond weldadig haaks op de prille cultus die langzamerhand rond Bonhoeffer ontstond. Bonhoeffer was voor hen weliswaar een docent en leider van kaliber die met kop en schouders boven hen uitstak, maar niets menselijks was hem vreemd geweest. Het was soms, wisten sommigen te melden, ook een onmogelijke, onaangename man geweest, gesloten en ontoegankelijk, uit de hoogte ook, te veeleisend voor zichzelf en anderen.

Daar wilden ze verder geen punt meer van maken. Want waar ging het werkelijk om in die jaren dertig? Om de moed om op het juiste moment de juiste keuzes te maken. Als jonge lutherse jongens hadden zij zelf eindeloos geworsteld met dilemma’s als: uit de kerk treden of erin blijven, en vervolgens: dienst in het leger van Hitler weigeren of je toch laten oproepen. Zij hadden zelf de guts gehad om toe te treden tot de Belijdende Kerk, maar verder? Politiek, daar moest je als lutheraan verre van blijven, hadden ze thuis geleerd en dienstweigeren was een brug te ver. Bonhoeffer had echter van meet af aan tot sabotage van de nazistaat opgeroepen en het evangelie verstaan op de enige mogelijk manier: compromisloos. Hij mocht zich intellectueel en cultureel voor hen, boerenjongens, op onbereikbare hoogten bewogen hebben, hun respect was toch vooral van morele en gelovige aard. Het gold de radicaliteit waarmee Bonhoeffer van meet af aan zwart-wit bleef denken, terwijl alles grijs leek. De moed ook, om daarna ook persoonlijk voor de consequenties daarvan in te staan. Bonhoeffer was de koele kikker met ruggengraat geweest, de leider met visie die ze in die jaren nodig hadden.

Van Bonhoeffers vroegere leerlingen kon je op die eerste conferenties het angstzweet uit de oorlog nog ruiken; toen zij in de loop der jaren langzamerhand uitstierven en de Society het zonder hen moest doen, werd Bonhoeffer steeds meer een superstar, een held uit een spannend oorlogsboek. De enige reden waarom zijn generatiegenoten hem tot held hadden gehad (zijn moed, hen ten voorbeeld) verdween naar de achtergrond.

Ook voor hen die de oorlog hebben meegemaakt is het heldere onderscheid tussen ’goed’ en ’fout’ doorgaans een legitimerende constructie achteraf. Bij de Bonhoeffers thuis wisten ze echter van meet af aan hoe het zat: ze moesten van de proleet Hitler niets hebben en wisten dat er oorlog van kwam. Hadden ze daar morele redenen voor, politieke overtuigingen, religieuze principes? Ongetwijfeld, maar die hoefden nooit verwoord te worden. Ze voelden gewoon aan hun water wat er aan de hand was. Een familie met een haarfijn onderscheidingsvermogen voor wie deugde en wie niet. Joden pesten – zo begon het. Maar al gauw werd het discrimineren, verachten en vervolgen. Zoiets doe je niet als beschaafd mens. „Wie niet voor de Joden schreeuwt, mag ook geen gregoriaans zingen”, zou Dietrich later zeggen toen het echte vervolgen begon. Als enige binnen de Belijdende Kerk zette hij van meet af aan de ’Joodse kwestie’ op de agenda. (Vergeefs overigens, omdat ook die kerk zelfbehoud uiteindelijk belangrijker vond.) Zijn inzet berustte niet op diepzinnigheden, maar was gewoon een kwestie van fatsoen.

Zo verwoordde mijn promotor Gerard Rothuizen het. Hijzelf was van de generatie die in de oorlog te jong was voor het verzet, maar oud genoeg om te ervaren wat het van mensen vroeg. Geconfronteerd met morele dilemma’s waarover hij als ethicus achteraf niet uitgepraat raakte. Er werd in de familie Bonhoeffer evenwel niet gedebatteerd over wat goed of fout was (dat wist je gewoon), maar alleen over hoever jij in je verzet tegen ’fout’ moest gaan en wat het je zou kosten. Uiteindelijk kostte het behalve aan Dietrich zelf ook aan zijn broer Klaus en twee van zijn zwagers (Rüdiger Schleicher en Hans von Dohnanyi) het leven; zij werden net voor het einde van de oorlog opgehangen voor hun aandeel in de voorbereiding van Stauffenbergs mislukte aanslag op Hitler, 20 juli 1944.

Van Berlijn moet je geen Hollywood willen maken, van Bonhoeffer geen filmheld.

En toch gebeurde dat langzamerhand, letterlijk ook, toen de zwart wit-documentaires met geïnterviewde tijdgenoten plaatsmaakten voor spannende speelfilms met blonde atleten in de hoofdrol. Rondom Bonhoeffer is in de VS inmiddels een hele merchandising industrie ontstaan, compleet met T-shirts waarop hij zegenend staat afgebeeld.

Zijn vriend Eberhard Bethge zou het met lede ogen hebben aangezien. Maar ook hij is nu dood en kan er niets meer van zeggen. Hij noemde Bonhoeffer ooit ’ein unbequemer Aussenseiter’ – iemand die je onrustig maakt omdat hij jou op het geweten werkt. Bij die Bonhoeffer krijg je nooit harmonieuze gevoelens van piëteit. Dat is de Bonhoeffer die ik van Rothuizen meekreeg en van wie ik zelf ook heb leren houden: iemand die niet toestaat dat je van hem gaat houden.

Het wordt steeds moeilijker om de weerbarstige Bonhoeffer van de light-versie te onderscheiden, de querulant van de buikspreker. Daarin lijkt zijn geschiedenis wel wat op die van zijn eigen held, Jezus van Nazareth. Ik maakte die godsdiensthistorische vergelijking in een bijdrage aan het laatste internationale congres, in Rome 2004. Zij ontlokte wel een glimlach aan mijn collega-theologen, maar eigenlijk was men not amused. De Bonhoeffer Society is een soort kerk geworden die net als het vroege christendom nu in haar tweede fase is beland, die van de ’vroege katholicering’. Bonhoeffer zelf is de martelaar-stichter, zijn studenten uit Finkenwalde waren zijn discipelen, zijn vriend Eberhard Bethge, ’de discipel die hij liefhad’, was de apostel en de eerste paus. Die hele generatie ooggetuigen is nu weggevallen. De oorspronkelijke Bonhoefferbeweging is een instituut geworden, met conflicten om de macht en met ketters die eruit worden gezet als ze niet recht genoeg in de leer zijn.

Mijn persoonlijk verhaal met Bonhoeffer begon ooit als cultuurschok. Hij werd voor mij een model als levenskunstenaar, intellectueel, muzisch, sportief – en dat allemaal tegelijk. Iemand die onbevangen en gretig inging op elke nieuwe horizon die zich aandiende, zo zou ik het ook wel willen. Daarna kwam de ethicus Bonhoeffer, mijn held in de morele zin van het woord. De verzetsman aan wie ik me zou willen spiegelen als er opnieuw oorlog uitbrak en de onderduikers voor mijn deur zouden staan.

Het is daar niet bij gebleven. Want, realiseer ik me nu, is hij uiteindelijk niet beter geschikt om als heilige herdacht, dan als rolmodel geïmiteerd of als held vereerd te worden? Het is de religieuze Bonhoeffer, die mij tegenwoordig intrigeert, meer nog dan de Bildungsbürger en de verzetsman.

Een heilige worden is een paradoxale onderneming. Een heilige bespeelt een ander register dan de held. Heldendom is een morele categorie, heiligheid een religieuze. Terwijl de held dicht bij zichzelf blijft, maakt een heilige van het opgeven van zijn ego zijn ego. Wie bewust een heilige wil worden, wordt het al niet meer. Gaandeweg krijgt Bonhoeffers biografie in de jaren dertig dan ook trekken van een hagiografie. Zij raakt doortrokken van onvoorwaardelijke toewijding aan God, aan anderen. In een brief uit de gevangenis, twee dagen voor de aanslag van 20 juli 1944, formuleert hij het nog algemeen: „Christen zijn betekent niet op een bepaalde manier religieus zijn, op grond van een of andere methodiek iets van zichzelf maken (een zondaar, een boeteling of een heilige), het betekent mens zijn. Christus schept in ons de mens, niet een bepaald mensen-type. Je wordt geen christen door religieus te handelen, maar door, levend in de wereld, te delen in het lijden van God. Dat is metanoia”

De dag na de mislukte aanslag betrekt Bonhoeffer deze omschrijving van bekering (metanoia) helemaal op zijn eigen leven. Hij denkt terug aan een gesprek dat hij ooit had met de Franse pacifist-dominee Jean Laserre. Ze hadden elkaar de vraag gesteld wat ze wilden met hun leven. Laserre had gezegd dat hij graag een heilige zou willen worden. Dat maakte toen diepe indruk op hem. Bonhoeffer sluit niet uit dat hij het in de tussentijd nog geworden is ook. Dat was toch niet wat hem zelf voor ogen stond. „Ik was het niet met hem eens en zei ongeveer: ik zou willen leren geloven.”

Wat is het verschil? Een would-be-heilige richt zich op God, desnoods ten koste van het leven; een gelovige gaat op in het leven en denkt daarin God te vinden. „Later heb ik ervaren en ik ervaar het tot op dit moment, dat je pas leert geloven als je midden in de aardsheid van dit leven staat.” En Bonhoeffer herhaalt dan dat dit betekent dat men het idee moet opgeven om iets van zichzelf te willen maken. Zonder reserves moet men zich in de verplichtingen, problemen, successen en mislukkingen van het aardse leven storten.

De goede verstaander weet wat dat op 21 juli 1944 betekent. En ook hoe allesbehalve zweverig de zin is die dan volgt: „Want dan werpen we onszelf helemaal in de armen van God. [] zo worden we een mens, een christen.” Geloven is deelnemen aan het leven van God. Met begrippen als participatie en overgave vervoegt en verbuigt Bonhoeffer de grammatica van de mystiek, nu niet als monnik in het klooster of heremiet in de woestijn, maar als een politiek activist in een gevangeniscel. Over aardsheid gesproken. Als we Bonhoeffer als heilige zien, dan toch bij uitstek eentje met een moderne, wereldlijke, intens op het menselijke gerichte spiritualiteit.

Beslissend in zijn bekeringsgeschiedenis was achteraf gezien ook niet een hemels inzicht, maar het nuchtere besluit in juli 1939 om uit de Verenigde Staten terug te keren naar Duitsland. Er was hem in de VS een docentschap aangeboden dat hem zou behoeden voor dienst aan het front. Maar amper twee weken nadat hij is gearriveerd, schrijft hij aan Reinhold Niebuhr: „Ik heb een fout gemaakt, ik had niet naar Amerika moeten komen.” Hij meldt dat hij terug moet om deel te nemen aan wat Duitsland gaat overkomen. Opnieuw: deelname, participatie – Bonhoeffer bezigt mystieke taal. Echter, voor ’zelfovergave aan het lijden van God’ hoef je niet op de knieën, maar stap je op de boot. Was het een weloverwogen beslissing, een vrije en rationele keuze? Vanuit een blozend gezonde psychologie gezien was deze Bonhoeffer eigenlijk een pathologisch geval. Maar hij kón blijkbaar niet anders dan vrij ervoor te kiezen zich gewonnen te geven aan een macht groter en sterker dan hijzelf.

Zonder dat dramatische moment in 1939 zou Bonhoeffer als een lafaard, hoogstens als opportunist de geschiedenis zijn ingegaan, en niet als martelaar. Hij is een heilige geworden ondanks zichzelf, zoals alle heiligen.

Bonhoeffer een heilige voor deze tijd? Wat mij betreft, ja. Niet om ervoor op de knieën te gaan, maar – om met Luther in zijn Augsburgse confessie te spreken – ’ter sterking van mijn geloof’ en als een ’voorbeeld voor goede werken’. Een heilige is iemand wiens leven tevergeefs zou zijn als er geen God is. In tijden van godsverduistering vervullen heiligen de rol van godsbewijs.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden