Review

MIJN GOD, WAAR IS UW GOUDEN POORT?Op het programmaboekje voor het boekenbal prijkt een mierzoete monnik

De boekenweek duurt van 12 tot en met 22 maart.

De uitroep 'Mijn God' heeft precies het dubbelzinnige dat de visie van de mens op de mogelijkheid van een opperwezen kenmerkt: het kan evengoed een godsvruchtige aanroep zijn als de twijfelachtige verbazing uitdrukken dat we ons nog met zoiets mals bezighouden.

En aldus geschiedde ook want behalve de geschriften die bij de traditionele, wereldse uitgeverijen rond het boekenweekthema verschenen, sprongen ook de in andere jaren meestal buitengaats verkerende christelijke uitgeverijen erbovenop. Opeens kan men met goed fatsoen in het Boekenweek-magazine adverteren met titels als 'Bedevaarten in Europa', 'De kern van de Koran' en 'De zeven spirituele wetten van succes'. Het is kortom een onderwerp met voor elk wat wils.

Op het programmaboekje voor het boekenbal van dit jaar prijkt een mierzoete monnik die zijn ogen ten hemel slaat en de bezoeker mag kiezen: vroomheid of ironie. Zelfs het boekenweek-essay, 'Niet te geloven' van Gerrit Komrij (in wie we geen dol kerkganger of zelfs maar een gelovige hoeven te herkennen), laat de vraag open. Drie mannen debatteren erin over de godsdienst, een ouderwetse gelovige, voor wie God begin- en eindpunt van de schepping is, een hedendaagse zoeker die troost probeert te vinden in de rituelen van de godsdienst en een geharde atheïst.

De vorm is objectief, iedereen krijgt in principe evenveel spreektijd, maar de inhoud is dat niet. Het vlijmscherpe sarcasme van de atheïst behaalt een duidelijke literaire en retorische overwinning op de starre dogmaticus en de opportunistische godzoeker. Dat illustreert als het ware de versluierde stelling van Komrij dat starre beginselvastheid en modieuze ontvankelijkheid het afleggen tegen de kritische, rationele geest, die dan ook het laatste woord krijgt. Maar wát voor laatste woord!: “Schater, en crepeer.” Wie er behoefte aan heeft kan in dit credo evengoed het hele deficiet van welbespraakt atheïsme in lezen.

Dat het religieuze de laatste tijd 'in' is, behoeft geen betoog. Populaire zoekboeken als 'De Celestijnse belofte' maar ook literaire producten als Desanne van Brederode's roman 'Ave verum corpus', over de verhouding van een jong meisje tot de figuur van Jezus, of het verschijnen van een boek als 'Het gebed', troostende gebeden verzameld en toegelicht door Alexander Zwagerman (z'n broer), laten zien dat het godsdienstige, in welk ironisch licht misschien ook gepresenteerd, geen taboe meer is voor geseculariseerde uitgevers en lezers.

Zelf ben ik toevallig opgegroeid in een uiterst religieus gezin. Of toevallig? Zo zag ik het als kind natuurlijk helemaal niet. God was, als 'trouwe Vader in de hemel' een vanzelfsprekendheid bij ons thuis. En mensen die er niet in geloofden en die er trouwens nauwelijks leken te zijn, misten iets essentieels in hun leven en wat nog veel treuriger was ook ná hun leven, namelijk het hiernamaals.

Als kind twijfel je niet direct, ik bezat het rustieke beeld van God de Vader als een vriendelijke grijsaard, zoals dat door de dichter-schilder-mysticus William Blake voor de westerse cultuur is gecanoniseerd. Ondanks die vertrouwenwekkende verschijning werd ik naarmate ik ouder werd almaar banger voor die baardige God. Want niet alleen zou hij op een onverwacht maar zeker moment een eind maken aan alle aardse bestaan, iets wat ik absoluut niet wilde, maar ook bleek het maar de vraag of je dat Nieuwe Jeruzalem, waar ze het in de kerk van mijn ouders almaar over hadden, wel mocht betreden.

Geen redelijke overwegingen, geen innerlijke verlichting bracht mij aan het twijfelen maar angst, en juist dát ik bang was maakte het probleem uit want alleen wie kritiekloos vertrouwde werd gered, meende ik te weten. Uit angst redeneerde ik me suf om uit deze impasse te komen. Als God almachtig was dan wilde hij kennelijk dat ik een beetje en almaar meer aan hem twijfelde, dan vervulde ik kennelijk een profetie over de eindtijd dat men afvallig zou worden. En zo gebeurde er iets raars, juist door zo heilig in zijn woorden te geloven werd ik almaar ongeloviger.

Wel nam ik van tijd tot tijd mijn toevlucht tot monnikachtige boetedoening, door 's nachts, bij voorkeur in slecht weer, op het dak van de zolder waar ik sliep te klimmen, en me, terwijl ik natregende, aan eindeloze Onzevaders en andere formuliergebeden over te geven maar toch niet zo eindeloos of ik liet me, bij wijze van nederlaag, na enige tijd weer in bed zinken, om met gevouwen handen in slaap proberen te vallen, voor het geval hij zou weerkeren, als een dief in de nacht immers. Nee, erg gezond en ontspannen was mijn (on)geloof niet.

Blaise Pascal, wiens 'Gedachten' ik ergens in mijn puberteit las, leek het over mij te hebben, toen hij schreef: “De mensen verachten de godsdienst, haten haar, en vrezen dat ze waar is.” Het idee dat die God van mijn ouders zich ondanks mijn onwil met me bezighield bleef me achtervolgen, zoals iemand die het gevoel heeft dat hij geschaduwd wordt. Veel later kwam ik die gedachte tegen in een mooi gedicht van Rutger Kopland, dat als het ware de psychologie van het ongeloof onder de loep neemt:

Als je mij dan eindelijk zou kennen, ik zou weggaan G, ik houd er niet van om te worden gekend door iemand die ik niet En ook dat zou je weten, ook dat weer,

zeker, beter dan ik. Ik zou je vergeten maar door jou niet worden vergeten. Kijk, daar houd ik niet van, te blijven leven waar ik zelf niet meer ben, je verwinterde

Eden, met je boom vol gedachten, maar zonder blad, zonder vrucht, zonder vrouw. Voor mij

zou het zomer zijn, met warme heide, warm zand, en een warme meid op een handdoek, om van te houden en dat te blijven doen. Je zou me kennen en kwijt zijn.

Aanvankelijk trachtte ik mijn twijfel te funderen op ongerijmdheden in de Bijbel: de schijnbaar buitenproportionele woede-uitbarstingen van de oud-testamentische God, zijn humeurigheid, zijn meedogenloze terreur jegens buitenstaanders, die toch ook niet beter konden weten. En waarom werd Uzza, die toen de Ark des Verbonds van het karretje dreigde te vallen toeschoot om het ding tegen te houden, door God gedood? God als despoot. Maar ook hier weer, zijn wezen was immers zijn ondoorgrondelijkheid, hoe je je ook verzette, hij bleef er toch boven staan. Zoiets.

Er bestaat een leuke anekdote over een gravin die Nietzsche had gelezen (Komrij legt hem in 'Niet te geloven' in de mond van zijn atheïst): “Heb je het al gehoord? zei ze. 'God is dood.' Als het personeel er maar niet achter komt.” Dat deze gedachtegang niet alleen maar een fabeltje is bewees Voltaire die eens tijdens een tafelgesprek over het geloof in God zijn bedienden de kamer uitstuurde en zei: “Ik wil dat mijn notaris, mijn bedienden, mijn vrouw gelovig zijn, dan loop ik minder gevaar bestolen of cocu te worden.” Marx' maxime over godsdienst als opium voor het volk stoelde wel érgens op. De nogal ondermaatse gedachte dat de angst voor de hel de mens van het kwaad weerhield was in brede kringen bon ton.

Maar het personeel kwam er natuurlijk wél achter. Zolang de wereld van het gezin de eigenlijke grenzen van mijn beleving uitmaakten had ik bevestiging van mijn twijfels in de bijbel zelf gezocht. Maar op de middelbare school kwam ik er langzamerhand achter dat ik helemaal niet zo alleen stond als ik vreesde. In de deeltjes 'Helden van de geest', die toen voor 69 cent bij De Slegte in Groningen te koop waren en die ik consumeerde als iemand die voor het eerst merkt dat er meer is dan de Hollandse pot, kwamen eigenlijk alleen maar mannen aan het woord die het zonder eenvoudig godsvertrouwen stelden: Diderot, Voltaire, David Hume. Op school werd mijn vertrouwen in het scheppingsverhaal onderuit gehaald door de theorie van het darwinisme. En in de buitenwereld heerste de geest van ontzuiling en ontkerkelijking van de jaren zestig. In korte tijd laafde ik mij links en rechts aan de voorhanden zijnde twijfel, scepsis en negatie.

Vooral de door Feuerbach en Freud gepredikte gedachte dat God een projectie van de mens was, vandaar ook zijn antropomorfe trekjes, vond bij mij een gewillig oor. Van de weeromstuit leed ik een tijdlang aan een soort salon-solipsisme, eruit bestaande dat ik vermoedde de enige op aarde te zijn die zich de rest van de wereld maar zo'n beetje verbeeldde. Ach ja, de puberteit, waarin je je alle gedachten veroorlooft, tot armetierige zelfvergoddelijking toe, bij wijze van experiment.

Vooral het voor mijn gevoel in de kringen van 'mijn' geloofsgemeenschap heersende idee dat je je beter niet met filosofie kon inlaten, omdat dat je op verkeerde gedachten zou brengen, beschouwde ik als een belediging van het verstand (waarin God als het goed was toch ook had voorzien) en een doelbewuste kortzichtigheid. En in Pascals oplossing voor het dilemma verstand-geloof, “De laatste stap van het verstand is de erkenning, dat er eindeloos veel dingen zijn die het te boven gaan”, kon ik toen maar moeilijk geloven, misschien omdat ik proefde dat deze uit rationaliteit gestookte gedachte me toch weer terug zou werpen in mijn oude onwillige onderdanigheid.

Vreemd eigenlijk, dat ik alleen wenste te geloven in een geloof zonder twijfel. Ik bespeur daarin een soort orthodoxie, waarvan ik me nooit helemaal heb kunnen losmaken en waaraan ik met een brok in mijn keel herinnerd word als ik zingende EO-koren hoor. Bij Komrij klinkt de rechtlijnigheid als volgt uit de mond van de orthodoxe gelovige: “Laat ik vooropstellen dat ik de nieuwe drang om te geloven toejuich. 't Is voor iedereen goed eens wat meer na te denken over de aarde en de software die daarop wandelt. Toch gaat het hier soms om lieden die op een dwaalweg verkeren. God is niet iemand met wie men op eigen houtje experimenteert. Het ware geloof vindt men in de schoot der kerk. Als deze dolende schapen werkelijk geloven, komen ze daar vroeg of laat ook terecht. Anders is het koketterie.”

Ja, daar zie ik wel wat in maar ik realiseer me ook dat ik zulke strenge principes voornamelijk aan mijn achtergrond heb overgehouden. Die even toevallige als onontkoombare achtergrond. Wie zich daarvan losmaakt en in de omringende wereld en literatuur rondkijkt komt er weliswaar achter dat er meer tussen hemel en aarde is dan wij kunnen zien, maar dat wij dat dan ook werkelijk niet kunnen zien.

Max Brod heeft over de roman 'Das Schloss' van Kafka geschreven dat het daarin verbeelde kasteel waartoe de hoofdpersoon voortdurend vergeefs toegelaten probeert te worden, een symbool is voor de goddelijke genade. De roman zou Kafka's worsteling met die genade verbeelden. Dat zou dat beklemmende boek tot een soort allegorie maken. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Wie 'Das Schloss' leest ontdekt dat er in het hele boek geen enkele aanwijzing wordt gegeven voor de betekenis van het kasteel, je komt er niets over aan de weet behalve dat het bestaat en dat het zich boven de zoekende mens bevindt. Het is een transcendentie die volstrekt mysterieus blijft, en welks aanwezigheid je mogelijk ervaart maar nooit kunt verbeelden.

Misschien zit God in dat kasteel en worden wij ernaartoe gezogen zolang het zich niet openbaart. Maar als er zelf iemand komt kloppen gaan onze stekels overeind, zoals ik met instemming lees in Psalm X, van Leo Vroman wel te verstaan:

Gij die zulk bonzen horen kon lang voor het onze niet begon, Systeem! Systeem, er wordt geklopt. Waar is Uw Gouden Poort?

Geen mens verhoort zulk dof geluid waarmee Gij klopt van binnen uit voordat het stopt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden