Mijn God, maak mij het sterven licht

'Behoudt het gedicht. Dat is zuiver, want zonder heroïsche zelfrechtvaardiging. En behoudt de naam van de Jan Campertstichting, juist om ons blijvend te herinneren aan de worsteling met keuzes. 'Gedenkt, die deze woorden leest, / mijn makkers in den nood'. Gedenkt. Ik heb een vader zien worstelen met nood.' De dichter Maria van Daalen over Jan Campert, haar eigen vader, 'je mag het nooit tegen iemand zeggen', the good guys en hun griezelige stellingname. 'Heb ik gefaald?'

Bij het opruimen van de boekenkast valt een oud bloemlezinkje, uit de boedel van mijn ouders, open bij een blad dat er later in geplakt is. Het bevat een gedicht, op een doorzichtig doorslagje, geelbruin verkleurd, getypt in de late meidagen van 1945. 'Gebed van een vlieger' staat er boven. Dat zal wel 'vliegenier' moeten zijn. Ik ken het uit mijn hoofd, maar heb het in geen veertig jaar onder ogen gehad. Eerlijk gezegd dacht ik, dat de tekst was kwijt geraakt, maar intussen leerde mijn dochter het van mij, en die heeft het weer aan haar nichtje geleerd. Allemaal zonder de tekst. Zo verhuisde het van hoofd naar hoofd, van geschiedenis naar geschiedenis. Het is goed om een paar gedichten uit het hoofd te kennen. Om een paar regels paraat te hebben, die iets heel moeilijks heel helder zeggen.

'Almighty and All-Present Power...' Voor de duur van een goed gedicht wil ik wel in god geloven. Omdat het daarom helemaal niet gaat, in dit gedichtje. Het gaat om die laatste regel, die ik beschouw als een keerpunt in mijn leven, als het moment waarop ik begreep waarover het moet gaan in poëzie: 'Teach me the way that I should die.' Het is een gebed voor een goede dood.

Ooit, lang geleden, op een rumoerige receptie van de uitgeverij, had ik een korte discussie met de dichter Gerrit Kouwenaar. Hij stelde, dat er maar twee thema's zijn in poëzie, liefde en dood. Toen twijfelde ik, omdat ik zoveel jonger was, of niet liefde het enige thema was, nu vraag ik mij af of het niet alleen dood is, en afscheid nemen. Maar daarmee geef ik hem natuurlijk gelijk. Misschien zijn het simpelweg twee woorden, die samen die ene, dubbele positie aangeven: ik wil mij helemaal met het leven verbonden voelen, en tegelijk in staat zijn om het terug te geven, als ik stervende ben. Het 'gebed voor een goede dood' is een gedicht, dat vraagt om hulp in die laatste ogenblikken. Omdat de dichter vermoedt dat het erg moeilijk zal zijn.

'De achttien dooden' van Jan Campert is zo'n gedicht. Het heet achttien doden, maar er spreekt één man, die elk van hen zijn kan. '(...) / mijn God, maak mij het sterven licht, / en zoo ik heb gefaald, / gelijk een elk wel falen kan, / schenk mij dan Uw genâ, / opdat ik heenga als een man / als ik voor de loopen sta'. Het gaat niet om geloof, al wordt er een god aangesproken. Het gaat om menselijkheid. Het gaat om leven, dat wordt aangetast, hier genoemd de 'lieflijkheid van lucht en land / van Hollands vrije kust', het gaat om keuzes, die iemand maakt, om zich tegen die aantasting te verzetten. Het is een 'ijdelen strijd', want het is niet heroïsch, en heeft voor de ongenoemde hoofdpersoon van het gedicht de dood ten gevolge.

En dan wordt, in de traditie van de ballade, iemand buiten het gedicht aangesproken, tweemaal zelfs. In de voorlaatste strofe, met 'Gedenkt...', richt de hoofdpersoon zich tot de lezers. Denk aan ons. De toekomst wordt beter, maar denk aan ons... Noem ons, noem de namen, lees ze allemaal voor, zodat wij, de vermoorden, allemaal even aanwezig zullen zijn, zoals bij het lezen van de meer dan 102.000 namen, in de laatste weken van januari, bij de herdenking van de bevrijding van Auschwitz. Hier is het gedicht zelf de herinnering aan oorlogstijd. Daarom is het goed om het uit het hoofd te leren.

En in de laatste strofe richt de spreker zich tot god, en vraagt om een goede dood, en om de 'genade', om de gift van een beetje moed, dat het mogelijk zal zijn om oog in oog met het vuurpeloton overeind te blijven. Na mij blijft het gedicht, maar ik ga voorgoed weg, en ik vraag nog om een laatste moment met zelfrespect - een verlangen naar waardigheid in het zicht van de dood. In een heel andere tijd zijn de discussies rondom de mogelijkheden voor ouderen, om het eigen leven te kunnen beëindigen, verbonden met dat verlangen. Hier geeft het gedicht niet alleen een gemeenschappelijke herinnering, maar ons aller persoonlijke toekomst: memento mori, bedenk dat je gaat sterven.

In een ander gedicht van Jan Campert, 'Intermezzo', dat bekend geworden is door de regel 'Stem te zijn en anders niet' staat ook '...het onontkoombaar lied / -- wapen in een man's hand --'. Het lied is het wapen, maar de 'man' is niet meer de dichter, hij is iedereen die het zingt. Daarom moet een lied als 'De achttien dooden' behouden blijven voor elke herdenking van de Februaristaking, en elke volgende '4 mei'. Jan Blokker (de Volkskrant, 21 februari) schrijft: 'Er is hem een gedicht ontglipt dat nu al zestig jaar, als een psalm uit het Boek, de tand des tijds heeft getrotseerd, en van wat er voor en na het scheppingsproces is gebeurd, heeft het zich als het ware losgezongen.' Het is een goed gedicht, dat los staat van zijn maker.

Het verhaal ernaast, over Jan Campert en zijn dood in Neuengamme, is niet zo zuiver. Zo lang na 1943, ademt het hardheid, en zelfrechtvaardiging. De discussie gaat ineens over goed of fout in de oorlog. The good guys chase the bad guys. Maar zo ziet een oorlog er niet uit als je erin zit. Een oorlog betekent angst en onmacht, en, in weerwil van dat alles, proberen de juiste keuze te doen.

Hoe meer ik over Jan Campert lees, des te menselijker vind ik dat moeizame zwenken van hem, tussen al die lastige posities, waarbij zijn daden en gedichten laten zien, dat hij probeert om de moreel juiste keuzes te doen. Waarom werd hij vanuit kamp Amersfoort op transport gesteld naar Neuengamme? Juist vanwege zijn verzet, denk ik. De kille mededeling, dat hij als verrader is vermoord, en dat het maar eens gezegd moet worden, vind ik getuigen van een griezelige stellingname. Prof. J.C.H. Blom, directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, spreekt van 'het laatste taboe van de oorlog: de onderlinge liquidaties' (NRC Handelsblad, 19/20 februari). Maar dat was immers bekend! Zie bijvoorbeeld de informatie op de website van het Verzetsmuseum (http://www.verzetsmuseum.org/jongeren/). Het gaat mijns inziens niet om een taboe, maar om een noodzakelijke reserve, die nu niet in acht genomen wordt. Bovendien worden hier moord en liquidatie in één adem genoemd. Een liquidatie is bedoeld als een terechtstelling. Het is uiteindelijk moord gaan betekenen, maar qua intenties was het niet hetzelfde. Het was een noodoplossing in een noodsituatie, waar ook na afloop van een oorlog met de grootste terughoudendheid over gesproken moet worden. Niet een situatie waarin met nonchalance over een willekeurig leven werd beslist. Als moord, dan ook moordenaars. De toon waarop Kleinveld het blijkbaar heeft meegedeeld, en de manier waarop het naar buiten komt, deugt niet. Ook is op zijn minst twijfelachtig of het verhaal klopt, zelfs al is het afkomstig van mensen 'uit een onverdachte hoek van het voormalige verzet' (Hans Renders, NRC Handelsblad, 19/20 februari).

Behoudt het gedicht. Dat is zuiver, want zonder heroïsche zelfrechtvaardiging. En behoudt de naam van de Jan Campertstichting, juist om ons blijvend te herinneren aan de worsteling met keuzes. 'Gedenkt, die deze woorden leest, / mijn makkers in den nood'.

Gedenkt. Ik heb een vader zien worstelen met nood. Met geweten, en met ernstige lichamelijke beschadigingen, opgelopen in de oorlog. Oh, het waren allemaal van die spannende verhalen, toen wij klein waren. Een vader die student was te Delft, maar ondergedoken vanaf '43, toen hij de loyaliteitsverklaring niet wilde ondertekenen. Die tot de bevrijding boerenknecht was in Ederveen, dankzij een huisarts te Amerongen, maar intussen heel andere dingen deed dan hooi opsteken. Een overval op een bank in Veenendaal, met één revolver, om bonnen te bemachtigen. Het vervoer van Engelse piloten, achterop de fiets, en dat moest dan binnen een bepaald tijdsbestek, want het werd gedekt door mortiervuur. En hoe lastig het dan was, als zo'n piloot de hele ernst van de situatie niet inzag, en onderweg probeerde om een afspraakje te maken met een leuk meisje... De bom die op de rails geplaatst moest worden. Later, achteloos aan zijn kleinzoon uitgelegd bij de Mürklintreintjes, hoe gemakkelijk je een trein kon doen ontsporen. Was papa een terrorist, zeg ik tegen mijn oudste broer, en hij schiet wat ongemakkelijk in de lach. Een terrorist wil de democratische rechtsorde opblazen, en liefst ook nog de scheiding tussen kerk en staat. Een verzetsman in '40-'45 wil die democratische rechtsorde juist graag terug.

Uit vele andere verhalen, in fragmenten, werd ook vijftig jaar na dato nooit helemaal duidelijk waar mijn vader, waar deze vader, mee worstelde. Er werden verraders geliquideerd. Er was een overval, en daarbij vielen doden. Er was een knokploeg, maar ik weet na al die jaren nog steeds geen namen, behalve die van Kees Lagerwey, en dat is pas april-mei '45, als er Duitsers opgesloten zitten in het Huis te Renswoude.

'Hij is in elkaar geslagen', zegt mijn moeder zomaar ineens, in 1966. 'Door de Duitsers. Je mag het nooit tegen iemand zeggen. Je mag hem niet laten merken dat ik het je gezegd heb.' Ik zeg niets. Hij heeft altijd rugpijn. Maar de rugpijn gaat steeds vaker gepaard met een soort geestelijke pijn, die ik niet duiden kan. Een ander mens doden, mag niet volgens het geloof, ook niet, als die mens een Duitser is of een verrader. Er is hier gewetensnood, maar welke? Die van iemand die een ander gedood heeft, of is misschien toch een ondervraging hem noodlottig geworden? En dan besluit ik, dat het tegenover de pijn, die ik zie, voor mij niet meer uitmaakt. Er is hier geen zelfrechtvaardiging, geen beschuldiging van anderen, jaren nadien. Integendeel, hij vertrouwde mij eenmaal toe, dat de oorlogsjaren hem, een steile gereformeerde jongen, respect hadden bijgebracht voor de communisten, met wie hij samenwerkte in het verzet. Ik gedenk hem met bewondering.

In oktober 2003 was ik enkele dagen in Sarajevo, op het poëziefestival van Casa della Poesia. Tien jaar na de oorlog was de stad nog altijd vol met kogelgaten. Er broedden mussen in. De oude en beroemde bibliotheek was geblakerd en dichtgespijkerd. Uitgebrand. Overal liepen groepjes SFORmilitairen. Ik sprak een paar Nederlandse officieren aan, en het viel me op, dat van de vier mannen er twee wat terugzeiden, terwijl de twee anderen iets opzij gingen staan, en alles rondom in de gaten hielden, onophoudelijk. Er heerste een onuitgesproken dreiging, waar zo op het oog iedereen mee kon leven. En het vreemde was, ik voelde mij er zo compleet bij thuis alsof ik er geboren was. Pas weken later begreep ik, dat de stad eruit had gezien als de plekken van mijn kindertijd: kapot geschoten, een naoorlogs Nederland.

Gedenkt. Ik ben opgegroeid met gedenken. Als kind was het een spel. Later komen de vragen. De echte, de vragen die men zich zelf stelt, en waar al dat gedenken toe dient. In mijn keuze voor menselijkheid: heb ik gefaald? En wat het antwoord ook is, maak mij het sterven licht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden