Opinie

Mijn eerste popconcert

Afgelopen weekeinde was het zover. Twee jaar geleden had ik me bij mijn vrienden beklaagd dat ze en bloc naar een concert van Bob Dylan waren geweest, zonder mij te verwittigen. Ze dachten natuurlijk dat ik alleen in de Matthüus en De Lamentaties van Jeremia geïnteresseerd was. Maar Dylan, zo klaagde ik, was er ook voor mij, ook ik had al die jaren het gekras en geneuzel van de grote bard moeten aanhoren. Dus kreeg ik voor mijn afgelopen verjaardag een kaartje voor een Dylanconcert.

Ik voelde me het neefje dat voor het eerst mee mag. In de Heineken Hall, waar het gebeuren plaatsvond, was ik nooit geweest, uit het holst van mijn jeugd stonden me nog half verdrongen concertjes in de Melkweg bij, maar nee: dit was toch heus mijn eerste grote popconcert. Op 55-jarige leeftijd. Mijn initiatie zag overigens niemand aan mij af. Ik werd omringd door leeftijdgenoten en ouderen: grijze baarden, kale hoofden, meegegroeide fans. Dylan zelf kon, met zijn 67 jaar, inmiddels ook rustig in Huize Avondrood optreden. Het heette dat hij de gitaar tijdens concerten vaarwel had gezegd en nu uitsluitend het orgeltje bediende, dat hem als een soort rollator overeind hield. Veertien nummers zouden we te horen krijgen, zo werd mij door de kenners verteld, dat was altijd hetzelfde, en deze tour eindigde hij steeds met ’Like A Rolling Stone’, waarna nog drie toegiften volgden. Zo zag de catechismus er nu eenmaal uit. Daarvoor kwam je en dat kreeg je. De held kwam op, hij was gekleed in een licht pak met een streep, dat hem op een soort bell boy deed lijken. En hij droeg, ook geheel volgens de traditie kreeg ik snel toegefluisterd, een hoed. Die hoed beschaduwde zijn ogen en naar het publiek zou hij gedurende het concert niet kijken. Nee, hij stond rechts op het podium, als een soort kapelmeester, Ton Koopman, en keek naar zijn band. Zo stond het geschreven en zo gebeurde het. De muziek. Herkende ik er wat van? Nu, in elk geval zijn stemgeluid, met de jaren alleen maar raspender geworden maar onverwisselbaar Dylan. Als de meester zich wat drukker maakte achter de toetsen hoorde je het orgeltje van een ijshockeywedstrijd, een enkele keer dacht ik aan de kermis. Zo nu en dan kwam er een mij bekend fragment of stukje tekst langs, ’Mr. Tambourine Man’, maar in het algemeen mag ik zeggen dat het klonk als een redelijk uniforme brij, maar goed, zo gaan de psalmen door het King’s College Choir ook. Het allerlaatste nummer was een Schönberg-bewerking van het verboden ’Blowing In The Wind’. Tijd om er bij een kampvuur van te genieten gaf hij ons niet, het snerpte als een oude, kapotte fiets langs, als Dylan. Hoe vond je het?, vroegen mijn vrienden na afloop. Wat moet je zeggen. Mooi is het ongeloofwaardige antwoord. Ik koos voor toegankelijk. Want dat was het. Net publiek, geen uitzinnig geswing, keurige applausjes. De middelbaren bleven na de drie toegiften nog even staan want je wist nooit, of eigenlijk juist wel, en toen er niets meer kwam ging iedereen tevreden naar huis. Hoeveel zou Dylan er nou voor krijgen? vroeg ik me nog wel af. Veel, verzekerden mijn vrienden me.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden