Mijmeringen bij een boek (3)

Niet alleen mijn leermeesters en de lezers van Het verhaal gaat... ben ik veel dank verschuldigd, evenzeer de meelezers van het manuscript. Mannen en vrouwen, meer dan tien in getal, uit een verscheidenheid aan disciplines, denk- en geloofswerelden, even zorgvuldig en scherpzinnig als toegewijd hebben zij de tekst in verschillende stadia gelezen, de hoofdstukken, de zinnen, de woorden, de punten en de komma's wegend en overwegend.

Ik vroeg mijn critici mij hun commentaar maar ongefilterd aan te bieden, en dat deden ze. “Geloof je dat zelf?” stond er dan in de kantlijn. Of: “Schrappen, niet leuk.” Of: “Kun je dat ook in gewoon Nederlands zeggen?” Of: “Dat heb je vast niet van jezelf.” En: “Of dit ontroerend is, maak ik zelf wel uit, dat hoef je er niet bij te zeggen.” In een onbewaakt ogenblik had ik van de Israëlieten in de woestijn geschreven dat ze nerveus waren. Vind ik in de kantlijn: “Zou je dit drogistenwoord willen vermijden?”

Maar niet alleen om de vorm hebben mijn meelezers zich bekommerd, evenzeer om de inhoud. Vele ondiepe en onheldere gedachten en een niet gering aantal regelrechte missers vielen in ongenade. Niet zelden ontving ik daar treffende en diepzinnige gedachten voor terug. Voor veel wijsheid en schoonheid die mij volstrekt was ontgaan, hebben zij mij de ogen geopend. Op bijna iedere bladzijde pronk ik met de veer van een ander.

Reeds maanden voor het eerste deel zou verschijnen schreef een van mijn meelezers, steeds wanneer zij een aantal hoofdstukken voorzien van haar commentaar terugstuurde: “Het wordt een mooi boek! Maar hoe komen, behalve hier en daar wat gelovigen, de mensen in het land er straks achter dat dat boek er is? Het verdient een ruime verspreiding, maar hoe krijgt het de nodige bekendheid? Geen valse bescheidenheid, hoor, je moet dit met je uitgever overleggen.”

Bij mijn afscheid van de Wester had Lija Hirsch, op de harp begeleid door Gertru Pasveer, Jiddische en Hebreeuwse liederen gezongen, en ik bedacht me dat we, om het boek onder de aandacht van de mensen te brengen, een programma van verhalen en liederen zouden kunnen maken en dat tijdens een korte toernee in de twaalf provinciehoofdsteden ten gehore brengen.

We wisten niet waar we aan begonnen, want het is niet bij die eerste twaalf keer gebleven: al anderhalf jaar trekken we iedere week met het Thora-Trio, oftewel het Trio Tojre op z'n Jiddisch, in een busje door het land, harp en broodjes en een fles wijn achterin, tot in Brussel toe, om op te treden in kerken en oude synagoges, in schouwburgen en bibliotheken.

En altijd dezelfde vragen: “Had u dat verwacht, dat zoveel mensen uw boek zouden kopen? En wanneer komt deel twee?”

“Nee mijnheer, nee mevrouw, dat had ik niet verwacht. Als ik het wèl verwacht had, hadden ze me moeten opsluiten.”

Ik stèl ook altijd een vraag. Aan de plaatselijke boekhandelaar: wie heeft dat boek nu gekocht? En altijd weer hoor ik tot mijn vreugde dat het een bonte schare is van kerks en niet-kerks spul en van jong en oud. Vaak vertellen ze erbij dat nogal wat ouders aan hun kinderen een exemplaar ten geschenke gaven en grootouders aan hun kleinkinderen, kennelijk in de hoop dat ik woorden vond waar die ouders en grootouders tot hun verdriet geen woorden meer voor hebben.

De mededeling wordt mij nogal eens gedaan als opmaat voor de blijde boodschap dat die kinderen en kleinkinderen het zo mooi vinden. Dat andere kinderen er een hinderlijke indoctrinatie in zien en het boek dicht laten of er volstrekt niet door geraakt worden, hoor ik natuurlijk niet zo gauw, maar die zullen er zeker ook zijn.

Veel lezers vertellen dat zij het boek aan elkaar voorlezen, aan tafel of voor het slapen gaan. Dat doet mij deugd, want dat had ik stiekem in mijn achterhoofd, ik probeerde zo te schrijven dat het bekte, om het met een toneelterm te zeggen.

De optredens met het 'Trio Tojre' zijn een steeds weerkerende vreugde, je kunt natuurlijk niet de hele dag zitten schrijven en het contact met zoveel lezers werkt zeer inspirerend om de volgende morgen weer met frisse moed aan een volgende bladzij te beginnen.

Op dit ogenblik bereiden wij een tweede programma voor: over koning David. Een programma over de evangeliën van Marcus en Mattheüs zat er helaas met Lija Hirsch niet in, ondanks de vele nachtelijke gesprekken die de gereformeerde Gertru en ik met onze joodse vriendin in het busje mochten voeren.

Eén keer waren we naar mijn gevoel dichtbij haar bekering: we traden op in een klein kerkje, ergens in de buurt van Utrecht. Waar moest de harp staan, en waar moest Lija zitten? Het liturgisch centrum bood weinig ruimte, en dat kwam vooral door een reusachtig doopvont. Maar met enig pas- en meetwerk kon de harp aan de ene kant van dat doopvont staan en Lija aan de de andere kant ervan zitten.

“Zullen we Lija meteen even dopen?” vroeg ik aan Gertru, zachtjes, maar wel zo dat Lija het kon horen.

“Ik dacht niet dat jij van die kracht was!” pareerde Lija onmiddellijk.

“Nee,” zei ik, “dat ben ik ook niet. Maar kan het toeval zijn dat wij met z'n drietjes vandaag zo dicht bij dit doopvont staan?”

“Kan het toeval zijn,” zei Lija, “dat er geen water in zit?”

De nauwelijks luwende belangstelling voor het boek, de ontmoetingen in het land, de brieven in de bus, het zijn evenzovele bemoedigingen om het werk te voltooien. Wel is het zo dat alle publiciteit het er niet eenvoudiger op maakt om geconcentreerd te blijven werken. Het kost al zoveel tijd om nee te zeggen op alle verzoeken om ergens iets te komen vertellen of doen, maar ik moet hard zijn voor mezelf en voor anderen en nee verkopen, soms met bloedend hart. Soms ook met vreugde.

Neem de Nieuwe Revu. 'Nieuwe normen, Nieuwe Revue' roepen ze op grote uithangborden uit. Van die nieuwe normen kreeg ik op donderdag 12 december per fax een aardig voorbeeld: “Geachte heer Ter Linden, Voor Revu's kerstuitgave ben ik bezig met een artikel over God. Vandaar twee vragen aan u: 1. Wie is God? 2. Wat vindt u van God? Ik hoop dat u kans ziet vóór vrijdagmiddag - kort - te reageren. Bij voorbaat mijn hartelijke dank.”

Nee, ik jokte. Kon ik daar maar laconiek onder blijven. Maar ik raak door zo'n verzoek toch van slag. En vervolgens raak ik van slag omdat zo'n ordinair blad erin slaagt mij van slag af te brengen.

Maar er zijn ook brieven die ik als een kleinood bewaar. Neem deze. De schrijfster ervan gaf mij toestemming hem te publiceren. Ze had zelfs bedacht dat ik haar dat wel eens zou kunnen vragen. “Ik vind het goed. Misschien dat ik met mijn ervaring anderen kan helpen.”

Beste ds. ter Linden,

Het is moeilijk iets wat je zeggen wilt op schrift te zetten. Vooral de eerste zin. Mijn vader heeft met mij een jarenlange incestueuze verhouding gehad. Dat is verwoestend, pijnlijk en negatief. Toch heeft hij mij ook iets heel positiefs meegegeven. Mijn creativiteit, belangstelling voor literatuur en muziek is door hem gestimuleerd. Ik las toen ik twaalf was Shakespeare en Couperus, ik ging naar concerten en musea. Het was een zegen dat ik ervan genoot. Onze verhouding was moeilijk maar in gesprekken over alle belangrijke levensvragen en vooral over geloof, was hij een geestverwant.

De laatste tien jaar van zijn leven zegevierde deze kant. Hij was een beste vriend, ook voor mijn man. Deze hyper intelligente, overgevoelige, worstelende en lijdende mens is echter stralend heengegaan. Hij was grauw en doorschijnend, doffe ogen. De laatste uren straalde hij.

In de kerstnacht wandelde hij weg met God. Met zijn ogen in de mijne zag ik iets van dit wonder, dit wandelen met en naar het licht. Vol overgave, alle kaarsen brandden in zijn ogen. Het laatste geschenk dat ik van hem kreeg was uw boek. Ik wist meteen wat ik moest doen na zijn dood. Ik kon met uw boek de crematiedienst leiden en ik las onder andere voor over Henoch die wandelde met God.

Uw boek is ook in de maanden erna, in de moeilijke verhouding met mijn moeder, in het intense lijden van mijn broer, een steun maar vooral een liefdevolle troost geweest.

Dit wilde ik u heel graag laten weten en u ervoor bedanken. Ik draag het als een kostbare schat in me. Dank.

Slot volgt

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden