Mijmeringen bij een boek (2)

Het boek kreeg veel lovende recensies, en dat deed mij natuurlijk deugd. Een vraag die mij vaak gesteld wordt is of ik mij de kritiek, die er ook was, erg aantrek. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat ik er niet van wakker lig.

Ik probeer het midden te bewaren tussen enerzijds een niet te dunne huid te hebben en anderzijds niet teveel eelt op de ziel. De één noemt je een meesterverteller, een ander zegt dat je niet kan schrijven. Volgens de één ben je erin geslaagd om de verworvenheden van de bijbelwetenschap boeiend en voor een breed publiek toegankelijk te maken, een ander meldt: 'Ter Linden randt de bijbel aan.'

Zo helpt de lof je om staande te blijven in de blaam, de blaam verhindert dat je je teveel gaat verbeelden. Ik heb gelukkig geleerd dat je niet mag verwachten dat iedereen je werk mooi vindt. Daarbij komt: wie in dit land iets over de bijbel beweert, wat dan ook, stuit altijd op verzet.

Van meerdere kanten kreeg ik na het verschijnen van het eerste deel te horen dat ik hier en daar al te alledaagse taal bezigde en dat er wat teveel grappen instonden. Ik vind die kritiek terecht. Ik had mij erop verkeken dat Spielereien die langs de neus weg uitgesproken op de kansel goed werken, zwart op wit op papier gezet storen. In latere drukken heb ik er nogal wat geschrapt en bij het schrijven van het tweede deel ben ik van meet af aan ingetogener te werk gegaan. Dat brachten trouwens ook de evangeliën met zich mee, het zijn nu eenmaal andere verhalen dan de volksere vertellingen van het Oude Testament.

Even heb ik de illusie gehad dat ik iemand als Maarten 't Hart wat wijzer zou kunnen maken, maar alras moest blijken dat hij met Maassluise ijver vast wil houden aan de letterlijkheid van die verhalen, om vervolgens op de onzinnigheid ervan te kunnen blijven schelden. Het zij zo.

De kritiek uit de behoudende hoek van de kerk was, voorzover ik die onder ogen kreeg (helaas nemen weinig scribenten de moeite je hun pennevruchten toe te sturen) meestal opvallend mild, ook daar is kennelijk een en ander in beweging. Ik vrees wel met grote vreze dat dat nu anders wordt, nu ik mij aan de verhalen van het Nieuwe Testament heb gewaagd: dat je vrijelijk de verhalen van Jezus en de maagd Maria vertelt en uitlegt ligt nu eenmaal gevoeliger en is voor velen bedreigender dan wanneer je onbevangen het mooie verhaal over Abraham en de onvruchtbare Sara uit de doeken doet.

Ook de oplage van het boek vormt voor behoudende geesten natuurlijk een bedreiging. Het maakt nogal verschil of een ketterij alleen in de stad verkocht wordt of dat er ook in de kantoorboekhandel in het dorp een stapeltje ligt. 'De Gereformeerde bonders kopen uw boek ook, hoor,' vertelde mij een boekhandelaar ergens op de Veluwe, waar we op uitnodiging van de plaatselijke bibliotheek (en dus niet van de kerken) met het Trio Tojre waren neergestreken. 'Als mijn vader de zaak nog had gehad, was uw boek onze winkel niet binnengekomen. Maar ik denk er wat anders over. Ik heb ook Jan Wolkers liggen.'

Wat me verdriet en eerlijk gezegd ook beangstigt, is dat ik weer te horen krijg dat ik van de bijbel een sprookjesboek maak. Het misverstand lijkt onuitroeibaar, en hoe dikwijls ik ook in woord en geschrift belijd dat ik geloof dat God zich in die verhalen openbaart, er zijn er die geen oren hebben om dat te horen. Er ontgaat dezulken wel meer. Bijvoorbeeld het feit dat beide boeken samen al meer dan een jaar in de Top Tien van de Non Fiction hebben gestaan! En maar blijven beweren dat voor mij die verhalen nothing but fiction zijn.

De kritiek van mgr. Simonis vormt een hoofdstuk apart. Tegenover een verslaggeefster van NRC Handelsblad liet hij zich ontvallen: 'Dominee Ter Linden? Hij is alleen een knappe verteller. Maar hij ontkracht de essentie. Hij ontmythologiseert. Lees wat hij van het Paasverhaal maakt! Het hele Nieuwe Testament getuigt van de verrijzenis van Christus. Wat schrijft hij? Dat zijn apostelen droefheid voelden en dat één van hen toen opstond en zei: maar wij dénken toch aan Hem? Hij leeft in onze gedachten. Hij leeft!' Onzinnig, vindt de kardinaal.

Ik ben het roerend met de kardinaal eens, het is onzinnig. Het staat dan ook nergens in mijn boek. Ik geloof in de verrijzenis van Christus. Christus zelf geloofde ook in de verrijzenis en ik geloof het mét hem. Dát staat in mijn boek. Ik kan het niet aardiger zeggen, maar het is van tweeën één: of de kardinaal heeft mijn boek niet gelezen of hij kan niet lezen.

Het staat de kardinaal natuurlijk volstrekt vrij om te geloven in de lichamelijke maagdelijkheid van Maria en in de lichamelijke opstanding en tenhemelopneming van Jezus. (Al belemmert hij daarmee wel geheel onnodig voor velen de toegang tot die geloofsgetuigenissen, en dát valt weer niet genoeg te betreuren). Het staat de kardinaal niet vrij om mij wat platte gedachten toe te dichten.

Aanvankelijk was ik niet van plan te reageren. Maar nu ik toch wat over mijn boek aan het mijmeren ben geslagen, kan ik de verleiding niet weerstaan. Je schouders over de kardinaal ophalen heeft ook zijn kwade kanten, want dan schrijf je zo iemand eigenlijk af, en dat is óók niet aardig.

Ook zijn er weer critici die het doen voorkomen alsof mijn visie op de Heilige Schrift nieuw is en privé. Goedkope jokkernij, waar niettemin geloof aan wordt gehecht, bijvoorbeeld door een overigens alleraardigste verslaggeefster van een rechtzinnig reformatorisch dagblad die mij de ontwerp-tekst van een klein interviewtje toezond. 'Ter Linden heeft een geheel eigen visie op de bijbel,' had ze geschreven.

'U mag het laten staan,' zei ik, 'het zijn úw woorden, maar ik geef u in overweging ze te schrappen, want het is onzin. Niets heb ik van mezelf, en wat ik beweer wordt al decennia lang aan de universiteiten van Amsterdam, Leiden, Groningen, Utrecht en Nijmegen niet anders geleerd, alsmede die te Berlijn, Parijs, Londen en New York, om maar 's wat op te noemen.'

'Ja,' zei ze, 'maar in onze kring wordt er toch anders over gedacht?'

'Daar hebt u gelijk in,' zei ik, 'de theologische hogeschool van Apeldoorn ziet het anders'

Over de kritiek van rabbijn Lilienthal, die de mening was toegedaan dat ik het Oude Testament, getrouw aan een foute traditie, slechts lees als opmaat voor het Nieuwe Testament, heb ik, behoudens een onmiddellijke reactie die naar mijn overtuiging afdoende was, gezwegen. Ik wil er ook nu niet veel over zeggen. Toen de onstuimige verkoop van mijn boek na de boekenweek wat begon af te nemen, en een Amsterdamse boekverkoper mij vroeg of ik niet nog een rabbijn wist die er een aanval op kon ondernemen omdat zulks de omzet zeer ten goede kwam, kon ik nauwelijks lachen, want zoiets maak je toch liever niet twee keer mee. De milde en wijze rabbijn Tzvi Marx ben en blijf ik dankbaar dat hij vrede wist te stichten. Ook ben ik hem er erkentelijk voor dat hij, evenals rabbijn Soetendorp, bereid was het manuscript van mijn tweede boek kritisch te lezen.

Nu het boek in het Duits, het Deens, het Maleis en het Italiaans en wellicht ook in een aantal andere talen vertaald wordt, heb ik er wel voor alle zekerheid een Woord Vooraf aan toegevoegd:

In vijf delen zal ik de verhalen van de bijbel hervertellen en uitleggen.

Dit deel bevat de verhalen van de Thora, de eerste vijf boeken van het Oude Testament. Het Nieuwe Testament is zonder het Oude Testament niet te verstaan, het Oude Testament wel zonder het Nieuwe Testament.

Het Nieuwe Testament hervertellend zal ik steeds op het Oude Testament moeten teruggrijpen. Het Oude Testament hervertellend, neem ik de vrijheid af en toe vooruit te blikken op het Nieuwe Testament. Daarmee hoop ik de lezers attent te maken op woorden en beelden die de schrijvers ervan aan hun bijbel ontlenen.

Nog een kritisch geluid deed mij verdriet: dat het boek voor sommige mensen toch te moeilijk is. Het zij zo. Ik ben niet knap genoeg om het simpeler te maken, met behoud van wat ik vind dat erin moet staan.

Anderen roemen juist de eenvoud. 'Het ligt in onze gevangenis in de isoleercel,' vertelde mij een predikant die bij justitie werkt. Een gedetineerde mag in zo'n cel niets bij zich hebben, alleen een bijbel. Het Boek der boeken wil dan natuurlijk nog wel eens gelezen worden, al is dat waarschijnlijk niet zozeer uit godsvrucht als wel uit pure verveling. 'In plaats van de bijbel ligt jouw boek in die cel, en het is echt verrassend wat ik er allemaal over te horen krijg,' vertelde mijn collega. 'Ik krijg er hele gesprekken over.'

Het verhaal ontroerde me, en toen ik hem een week later weer ontmoette, zei ik hem dat. 'Maar dan moet ik je ook het vervolg vertellen,' zei hij. 'Want het boek is intussen gestolen.'

Mijn uitgever was zo vriendelijk hem onmiddellijk een nieuw exemplaar toe te sturen, onder het motto: 'Misdaad loont.' (Slot volgt)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden