Mijmeringen bij een boek (1)

'Weet je al wat je met die jonge mensen wilt gaan doen?' vroeg ds. Kwint, hoogbegaafd herder en leraar in de Kloosterkerk in Den Haag, bij wie ik als jeugdvicaris in dienst kwam.

'Nee,' zei ik. 'Ik denk er nog over na.'

'Ach,' zei hij, 'ik moet mij er ook niet mee bemoeien. Je ziet maar. Alleen dit: als je ze de bijbel maar teruggeeft.'

Waarom blijft zo'n woord hangen? Waarom hoor ik hem dat zinnetje nog steeds uitspreken? Waarom zeg ik af en toe stilletjes in mezelf, met een schuin oog omhoog naar waar mijn leermeester nu is: 'Nou, heb ik het een beetje gedaan, wat u vroeg?'

'Je moet ze de bijbel teruggeven.' Achter die paar woorden zit een hele gedachtenwereld: dat dat boek een kostbaar document is en dat het doodzonde zou zijn als dit cultuurgoed, dit geloofsgoed, verloren zou gaan. Dat de mensen vakkundige hulp verdienen om het te behouden. Ze dreigen dit godsgeschenk immers kwijt te raken. Of ze hebben het al verloren. Sommigen is dat boek afgepakt, anderen hebben het bewust, opgelucht of met weemoed, achtergelaten toen ze gingen verhuizen. 'Je moet ze dat boek teruggeven!'

Kwint kon dat in zijn dagen als geen ander. Zijn godskennis en zijn zelfkennis en zijn mensenkennis waren groot en de hele week ploeterde hij net zolang tot hij er op zondag de goede woorden voor had en de schone vorm.

Later leerde Frans Breukelman mij met weer nieuwe ogen naar die heilige teksten kijken, onnavolgbaar als hij was in zijn eerbied voor de vrome vertellers van weleer, in zijn kennis van de tale Kanaüns, in de humor van zijn hervertellingen, en even aandoenlijk als weerloos in zijn angst dat het misschien wel allemaal onzin is, wat staat geschreven.

Weer later kreeg ik aan de voeten van Willem Berger nog een geheel andere invalshoek aangereikt om de Schrift te bezien: die van de godsdienstpsychologie. Dat geloven een spel is, een heilig spel, dat je er verbeeldingskracht en fantasie voor nog hebt, heb ik van hem geleerd. Hij scherpte mijn gevoeligheid zowel voor de verbeeldingskracht en de geloofsfantasie van de bijbelschrijvers als voor die van hele, halve en kwartgelovigen van nu.

Kwint, Breukelman en Berger, een predikant, een bijbelvorser en een priester, bijna alles wat ik geleerd heb, heb ik van deze drie geleerd. En als mensen mij bedanken omdat ik hun naar hun zeggen de bijbel heb teruggegeven, kijk ik altijd even schuin omhoog naar boven en ook richting Nijmegen, want Berger leeft nog.

'Je hebt nu twee delen van Het verhaal gaat... geschreven,' zei een vriend van mij, 'nu zou je ook eens iets moeten schrijven over het schrijven ervan. Dat interesseert mij en ik denk dat het meer mensen interesseert. Wat gebeurt er van binnen als zo'n geesteskind van je ineens op een stapel in de boekhandel ligt en herdruk op herdruk beleeft? Maakt het je bang voor het volgende deel? Krijg je veel post en wat staat er dan in die brieven? Maakt kritiek je ongelukkig? Je hebt mensen die je teksten van tevoren lezen, hoe werkt dat?'

Goed, ik zal wat schrijven over het schrijven en over wat alle gedoe je doet, terwijl je probeert om in alle onrust je rust te bewaren en verder te schrijven. Zomaar wat mijmeringen. En ik begon als vanzelf met de drie mensen te gedenken, zonder wie die boeken waarschijnlijk nooit geschreven zouden zijn en zeker niet zó.

Behalve mijn leermeesters ben ik ook mijn lezers veel dank verschuldigd. Er ging geen dag voorbij of er lag wel een brief op de mat, ik heb er honderden ontvangen en honderden geschreven. 'Ik schrijf nooit terug,' vertelde Anna Enquist bij de uitreiking van de Trouw-publieksprijs. 'En u?' vroeg de verslaggeefster. 'Ik schrijf bijna altijd terug', zei ik, jaloers op Enquist.

Op de fiets naar huis bedacht ik me dat ik andere boeken schrijf dan zij, en ik heb ook een andere verantwoordelijkheid. Als mensen iets aardigs schrijven schrijf ik graag iets aardigs terug, niet zelden ontroerd door wat de woorden die je argeloos op papier zette in het leven van een ander teweegbrengen. Schrijven mensen vanuit onwetendheid - 'het volk is eeuwenlang misleid!' hoor ik Breukelman weer uitroepen - dan probeer ik ze wat te leren; wie meer wil weten over de geschiedenis en de uitleg van de bijbel, verwijs ik graag naar het boek Van horen zeggen van de Leidse hoogleraar Th. J.M. van Leeuwen. Schrijven mensen bang, boos of verdrietig, dan wil ik ze in ieder geval laten weten dat ik hun angst, hun woede en hun verdriet gehoord heb; zo goed en zo kwaad als het gaat probeer ik er op afstand ook wat aan te doen. Soms krijg je dan weer een hele mooie brief terug.

Beste dominee ter Linden,

Dank u wel dat u even de tijd nam mij terug te schrijven. En nu moet ik u iets bijzonders vertellen!

Mijn jongste broer wordt op dit ogenblik aan zijn hart geopereerd, zeer levensbedreigend. Maar... hij heeft mij vanmorgen nog gebeld om mij het volgende te vertellen. Na jaren had hij kerk en geloof wat laten liggen of hoe druk je dat uit. Als gescheiden en hertrouwde man voelde hij zich veroordeeld door paus en Kerk en zich buitengesloten. Enfin, u begrijpt.

Hij was niet ongelovig, zeker niet. Welnu, gisteren is er op zijn verzoek een pastor (vrouwelijk en protestant) bij hem geweest en hebben zij samen een indringend gesprek gehad en gebeden. Vanmorgen, vóór de operatie, is die pastor nog teruggeweest en ook de rector van het Onze Lieve Vrouwegasthuis, die hem de communie bracht en het gebed der zieken, heeft gebeden met hem.

En nu komt het: de pastor had uw boek bij hem achtergelaten om te lezen als hij dat wilde, Het verhaal gaat...! Het had hem getroffen, getroost, gesterkt en, zo vertelde hij mij, ik blijf erin lezen totdat ik gehaald word voor de operatie, het is een prachtig boek. Nou, ik rolde zowat van m'n stoel van verbazing, dat begrijpt u. Ik ben u zo dankbaar!

Ik moest u dit even schrijven en nu moet ik stoppen want ik zie niet meer zo goed van de tranen. Van dankbaarheid en ontroering. Dag dominee, een hartelijke groet van ...

P.S. Niet meer terugschrijven, hoor... dàt is goed zo.

Een paar weken voor deel twee zou verschijnen werd ik opgebeld: een neef van een Franciscaner monnik. Zijn oom had niet lang meer te leven. 'Eigenlijk heb ik nog maar één wens,' had de Franciscaan hem verteld, 'dat ik het tweede deel van Het verhaal gaat... nog kan lezen. Maar ik ben bang dat ik dat niet haal.'

Nog dezelfde dag is die neef naar Amsterdam gereden om bij de uitgever een drukproef op te halen.

Een week later ging de telefoon: onze Franciscaan, met een zwakke stem. Ik was helemaal van de kaart. Ik vroeg me vertwijfeld af of het wel een boek is om mee dood te gaan, maar dat is natuurlijk mijn zaak niet. De Franciscaan zei dat hij niet goed wist hoe mij te bedanken en ik zei dat ik niet goed wist hoe hém daar weer voor te bedanken. Wat stuntelig namen we afscheid.

Na wat mediteren nam ik de pen weer op. Wat ik nu ging schrijven zal die monnik niet meer lezen, maar zijn neef misschien wel. Wat zei mijn voorganger in de Wester ook maar weer, toen hij mij de zorg over zijn kudde toevertrouwde? Het woord heeft mij nooit meer losgelaten: 'Je moet zo preken dat iemand die voor het eerst in de kerk zit erdoor geraakt wordt en iemand die er voor het laatst zit ook.'

(Wordt vervolgd)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden