MIETJES EN MACHO'S

Bij de rel langs de ringweg viel het woord 'voetbal' niets eens. De Rotterdammers wilde de 'mietjes uit de hoofdstad' gewoon eens een lesje leren. De rivaliteit tussen de twee steden is heviger dan ooit en blijft niet beperkt tot de rituele dansen van voetbalsupporters. Ook burgemeesters, directeuren en wetenschappers kennen het 'onderbuikgevoel'. Een diagnose aan de vooravond van Ajax-Feyenoord.

Voor de Amsterdammers kan het niet vaak genoeg windkracht 8 zijn, mèt regen. Dan beginnen de tuien van de nieuwe Zwaan zo lekker te zwieren. De Rotterdammers excuseren zich nadrukkelijk met de mededeling dat de problemen zijn veroorzaakt door een Amsterdamse architect. Amsterdam heeft ook zijn probleempjes en de Rotterdammers liggen dubbel als de Heidemij voor de zoveelste keer de Arena binnentreedt om opnieuw de grasmat te vernieuwen.

De tribale rituelen van de voetbalsupporters zijn de meest in het oog springende voorbeelden van de stammenstrijd tussen de twee concurrenten. Twee keer per voetbalseizoen maken ze zich op met kleuren, vlaggen en strijdliederen voor de Wedstrijd der wedstrijden, en hoewel voorzitter Michael van Praag van Ajax en Jorien van de Herik van Feyenoord goede vrienden zijn, kijken ze wel uit om elkaar en public een hand te geven. Dat is not done. Ze zijn formeel elkaars tegenstanders en dat beeld willen ze graag behouden.

In de supermarkt, bij de slager en zelfs de apotheek is de klassieker van morgen onderwerp van gesprek. “Om Feyenoord maal ik niet, áls ze maar van die rot-Amsterdammers winnen”, zegt meneer Roos, zelf Rotterdammer. “De arrogantie van Ajax, van heel Amsterdam, irriteert me mateloos. Alleen daarom ben ik morgen even Feyenoorder.”

In sportief opzicht speelt afgunst zonder twijfel een grote rol. “Hebbie het al gelezen van U2? Ze komen naar de Kuip en niet naar de Arena. Net goed.” De natuurlijke aversie tegen Ajax, in sommige kringen inmiddels omgeslagen in blinde haat, is zelfs in kiosken en sigarenzaken tastbaar. Feyenoord-aanhangers plegen daar Ajax-magazines of andere clubattributen aan het zicht van de klanten te onttrekken. Door het logo om te keren of, nog liever, die spullen onder de Feyenoord-artikelen te leggen.

Toch is dat onschuldig bij de hoge inzet van de Feyenoord-hooligans. Als de Vara met één van hen een afspraak wil maken in Amsterdam, vraagt de knaap een tegemoetkoming van 25 000 gulden. De omroep weigert, maar vraagt verbaast naar het 'waarom' van die voorwaarde. “Omdat ik naar dat kolere-Amsterdam moet komen”, antwoordt de jongen stoïcijns.

Vaak heeft het bekritiseren van elkaars stad een economisch achtergrond. Amsterdam en Rotterdam zijn concurrende havensteden. Ze strijden momenteel beide om de miljarden aan rijksgelden die Rotterdam wil gebruiken voor de aanleg van een tweede Maasvlakte en Amsterdam voor haar Masterplan langs het Noordzeekanaal. Minstens zo belangrijk is het getouwtrek om een passagiersterminal voor grote cruiseschepen. Er is in Nederland maar plaats voor één zo'n terminal en die komt in Amsterdam, heeft de hoofdstad al dreigend laten weten. Maar de Maasstad heeft ook plannen klaarliggen. De 'gewone' Rotterdammers juichen die toe, niet zozeer omdat het toerisme hen iets kan schelen, wel omdat daarmee Amsterdam een gevoelige slag wordt toegebracht. “Als ik op een cruiseschip zit, waar wil ik dan naar toe? Naar Amsterdam of Rotterdam?”, stelde de Amsterdamse wethouder Duco Stadig onlangs retorisch. Hij zei geen woord te veel. De boodschap kwam aan.

Zelfs in toespraken ver buiten het stadion, en verwijderd van enig onderwerp dat met de economische concurrentie te maken kan hebben, kunnen managers, beleidsmakers en bestuurders maar met moeite om de rivaal heenpraten. Vaak floept er weer een prikkelende opmerking uit. Rotterdam is dan die lelijke, volkse stad waar het altijd waait en regent, en in Amsterdam zitten de yuppen weer met hun luie kont in het pluche van het theater, maar werken: ho maar. Ed. van Thijn zei ooit, toen hij nog burgemeester was van Amsterdam, dat over Rotterdam slechts één lied was geschreven, dat volgens hem terecht begon met de zin: “toen wij uit Rotterdam vertrokken...” Maar toen hij kwam met de leus 'Amsterdam heeft het', kreeg hij als antwoord van de buren in het Zuiden: 'Maar Rotterdam maakt het'. En wat waren ze daar blij toen Amsterdam in 1988 de Olympische Spelen misliep. En toen in 1991 de poging de Europese Centrale Bank binnen te krijgen strandde. Maar oké, van macho-Rotterdam kan mietenstad Amsterdam de Gay-games krijgen.

'Ras Amsterdammer' Felix Rottenberg presenteerde zich deze week als 'een enorm liefhebber van Rotterdam' in zijn eerste programma bij Radio Rijnmond. De ex-voorzitter van de PvdA gaat voortaan elke donderdag het middagprogramma bij de Rotterdamse regionale zender presenteren. De controverse Rotterdam-Amsterdam zal de komende weken centraal staan, zolang deze maar niet ontaardt in een Ajax-Feyenoord-bekvechterij. “Rotterdam en Amsterdam zijn de enige echte steden van Nederland. Het gaat mij er niet om de verschillen en wedijver te benadrukken, ik wil duidelijk maken dat ze elkaar enorm aanvullen.” Maar in zijn eerste programma liet Rottenberg geen kans onbenut om zijn liefde voor de Rotterdamse slagkracht ten opzichte van de 'luiheid' en het 'conservatisme' van de Amsterdammers te belijden. “Ik kan het ook niet helpen, maar ik sta steeds meer aan de kant van Rotterdam. Daar gaat men gewoon sneller vooruit, ook uit harde noodzaak hoor, omdat de problemen zich in deze stad veel scherper aandienen. Amsterdam kán zich ook veel meer luiheid veroorloven, maar het gevolg is wel dat Rotterdam de noordflank in velerlei opzicht verslaat.”

De gebroeders Langeberg, de eigenaren van Tanker Cleaning Rotterdam (TCR), vervuilden jarenlang met giftige stoffen het oppervlaktewater in de Botlek. Een milieuschandaal van de eerste orde, een smet op de Rotterdamse haven. Toen de toedracht van de structurele vervuiling voor de rechtbank duidelijk werd en enkele kopstukken in de cel belandden, voltrok zich echter een mirakel. Rotterdammers noemden de handelwijze van de Langebergs zeer wel verklaarbaar, daar zij in Amsterdam het levenslicht aanschouwden. Daarmee was de TCR-zaak in één klap gedaan.

Jan Rath is cultureel antropoloog, maar vooral Rotterdammer. En hij blijkt nu net in Amsterdam te werken. Als wetenschapper moet hij eigenlijk ver boven het gekinnesin staan, maar soms kan ook Rath het niet laten. Als hij bijvoorbeeld in Amsterdam een internationaal congres moet inleiden, heet hij het gezelschap in een of andere toplocatie van harte welkom in 'wereldstad Amsterdam'. Om daarna bij het noemen van de hoogtepunten, Dorus te citeren die ooit zong dat het mooiste van Amsterdam de laatste trein naar Rotterdam was. De gasten uit het buitenland snappen niet waarover hij het dan heeft. Zijn Amsterdamse collega's des te meer. “Ach daar heb je Jan weer”, zeggen ze dan. “Die gekke Rotterdammer.”

De antropoloog aan de Universiteit van Amsterdam denkt er niet over uit Rotterdam te verkassen. “Ik kom uit het centrum, en ben opgegroeid met Xerxes. De club waar Van Hanegem, Coentje Moulijn en Eddy Treytel nog zijn begonnen.” Later stapte hij over naar Feyenoord. “Ik ben geen echte supporter, maar ze moeten wèl winnen.”

Rath heeft 'iets' met Rotterdam, al weet hij niet precies wat. Hij probeert het toch te beschrijven: “Ik heb mijn gehele leven nog nooit de behoefte gehad te verhuizen. Ook mijn familie en vrienden zijn blijven hangen, en dat schept een band. Ik heb aan diverse universiteiten gewerkt, maar al moest ik naar Nijmegen, dan nog pakte ik 's avonds de trein terug. Ik voel me verbonden, en dat is meer dan dat ik me in Rotterdam 'thuisvoel'. Nee, ik voel me 'verankerd' met de stad.” Toepasselijke uitdrukking voor in de havenstad.

Rotterdam heeft volgens Rath een sfeer die meestal zeer nuchter is. “En dat spreekt me aan, ik heb het niet zo op pretenties. De stad is een typische arbeidersstad, en dat kun je zowel positief als negatief uitleggen. Met een duidelijk oververtegenwoordiging van mensen uit lagere klassen, die een relatief laag inkomen hebben. Die specifieke bevolkingsopbouw heeft betekenis voor de sfeer, en hij bepaalt het culturele leven. André van Duin trekt hier nog volle zalen, maar dan heb je het op theatergebied wel zo'n beetje gehad. Er zijn ook weinig exclusieve winkels. Er is immers een geringe koopkracht.” VERVOLG OP PAGINA 2

MIETJES EN MACHO'S VERVOLG VAN PAGINA 1

Hij beschrijft het typische no nonsense klimaat, het bijna stereotype werkstad-imago waarin iedereen zijn fles melk en zijn halfje bruin koopt, en waar iedere franje ontbreekt. Ook al heeft de stad inmiddels een heus internationaal filmfestival en kon Rotterdam het architectuurinstituut voor de neus van Amsterdam wegkapen.

“Het is een gevaarlijke bewering, maar ik denk dat indien de stad naar buiten kijkt, Rotterdam toch een 'underdog-gevoel' heeft. Amsterdam en het Gooi domineren het land volkomen, en wij aan de Maas moeten daartegen opknokken.”

De opstelling van de media spelen daarbij volgens Rath een grote rol. “Die het land hebben opgedeeld in 'Amsterdam' en 'de rest van Nederland'. Ze hebben eenzijdig de blik op Amsterdam gericht. Volgens de Volkskrant doet Feyenoord nooit wat goeds, terwijl ze toch regelmatig en langdurig bovenaan staan. Het Roo-theater zal heus Broadway niet veroveren, maar er wordt best aardig gepresteerd. Ik lees er helemaal nìets over. Als ik met mijn dochter naar Waku-Waku zit te kijken, zie ik slechts Amsterdamse panelleden die geld vergaren voor de kinderboerderij bij het Vondelpark of de muizenopvang in Sloterdijk. Het is Amsterdam, Amsterdam, Amsterdam.”

Over Amsterdam geen kwaad woord, zeggen Mien Zwepink (71) en haar één jaar oudere echtgenoot Rinus. Een kwart eeuw hebben zij, beiden geboren in Deventer, doorgebracht in de wijk Osdorp. Nu wonen ze al weer dertien jaar in een dorp, op steenworp afstand van de hoofdstad. “Maar Amsterdam is een heerlijke stad om te wonen, iedere vrijdagavond gaan we nog kaarten op het Centraal Station. De gemoedelijkheid, de sfeer maken Amsterdam tot een fijne stad.”

En tóch ligt hun hart juist in Rotterdam. Meer specifiek op Zuid, in de Kuip, bij Feyenoord. Rinus: “We hadden in Osdorp een bovenbuurvrouw, een pure Rotterdamse en getrouwd met een Amsterdammer. Zij had het altijd over Feyenoord. Zo zijn we, het moet 1960 zijn geweest, een keer wezen kijken. Razend enthousiast kwamen we terug en we zijn sindsdien aan de club verknocht. Maar soms denk ik: 'Als de buurvrouw PSV'er was geweest, zaten we misschien dáár'.”

Hun liefde voor Feyenoord is onbegrensd. Of hun favorieten nu op een regenachtige en winderige avond in Oss tegen TOP een partijtje oefenen of voor de Europa-Cup Londen, Monaco, Düsseldorf of Sion aandoen: het echtpaar Zwepink ontbreekt nooit. Of toch, want Ajax-Feyenoord hebben zij de afgelopen vier seizoenen 'gemist'. “In dat Olympisch Stadion stonden we een keer tot aan onze enkels in de pies”, geeft Mien de oorzaak van hun absentie aan. “Morgen gaan we ook niet. Ik heb geen behoefte aan de Arena.” Rinus: “Ik zou wel gaan, maar heb geen kaartje.”

Nooit hebben zij ook maar overwogen supporter te worden van Ajax. “Ik kan die club soms wel schieten”, zegt Mien, een gouden Feyenoord-hanger om de hals. “Vooral dat gezeur over de Godenzonen was erg.” Haar echtgenoot: “Maar dat is voorbij, ze zijn nu de zodenzonen. Mien kan niet zo goed tegen dat gejèn van Amsterdammers. Ze reageert daarop en dat is precies wat deze mensen willen.” Mien: “Onlangs kwam hier aan huis een schilder. Die man komt binnen en het eerste wat hij ziet is een tekening van Willem van Hanegem. Zegt hij: 'U bent van de foute club'. Ik zeg: 'U bedoelt dat u hartstikke fout bent'. Kom nou.”

Los van het voetbal merken zij niets van rivaliteit tussen de twee steden. “In Amsterdam woont veel import, meer dan in Rotterdam en dat scheelt”, weet Rinus. “In Osdorp kwam zeker een kwart van de inwoners van buitenaf. Die mensen kennen geen 'rivaliteit'. Ze wonen toevallig in Amsterdam, maar dat had ook Rotterdam kunnen zijn.”

Beiden ergeren zich aan de wijze waarop de media over de hooligans berichten. Mien: “Er wordt nou net gedaan alsof het zondag op de ringweg in Amsterdam alleen Feyenoorders waren die daar met messen, honkbalknuppels en weet ik veel wat voor rotzooi liepen. Maar wat deden die Ajacieden daar, terwijl ze naar Doetinchem moesten? Ik praat dat vandalisme niet goed, maar pik dan niet één partij eruit, zoals nu is gebeurd. De kranten, de radio, de tv, ze doen alsof er geen duizenden heel normale Feyenoord-supporters bestaan. Alsof Ajax niet dezelfde problemen met die vandalen heeft.”

Volgens Ida Sabelis, organisatie-deskundige aan de Vrije universiteit in Amsterdam, moet de toegenomen spanning tussen Amsterdam en Rotterdam mede worden bezien als reactie op de de veelbesproken 'globalisering'. Het is niet de hopen dat voetbalsupporters dit argument gaan hanteren als ze na een rel weer es door Harmen Roeland worden geïnterviewd: “Doen jullie dit puur om het vechten?” Antwoord: “Nee, we willen hiermee reageren op de globalisering.” Toch snijdt de analyse van Sabelis hout. Ze stelt dat in een wereld die steeds kleiner, sneller en trubulenter wordt, er bij burgers meer behoefte ontstaat aan een hechte lokale indentiteit. “In deze eenheidsworst vallen veel mensen terug op de eigen groep. Kijk naar het verlangen naar de erkenning van de Friese taal. En nu begint Limburg ook al. Elk dorp koestert zijn dialect.”

Die verschillen met de ander, worden eerst in grapjes en borrelpraat geventileerd. Ze geven houvast in onzekerheid, zegt Sabelis. Het afzetten tegen de ander levert een soort culturele identiteit op. Maar na de grapjes komen de serieuze onderwerpen, de uitspraken worden extremer. “Dit vindt plaats tussen landen, tussen regio's en tussen mannen en vrouwen. Het was bijvoorbeeld te zien toen de eerste vrouwen bij de politie kwamen. Er zijn eerst grapjes gemaakt, daarna kwamen de intimidaties. Precies hetzelfde zie je tussen Amsterdam en Rotterdam gebeuren. Bij bedreigingen worden de culturele grenzen getrokken, of die bedreigingen nu reëel zijn of niet.”

Volgens Sabelis kan die rivaliteit ook heel positief werken. In organisaties hoor je vaak dat er sprake moet zijn van een 'cultuuromslag', vertelt ze. “Alle neuzen moeten dezelfde kant op staan. Dat lukt nooit. Maar misschien moet dat ook niet. Verschillen kunnen produktief zijn. Je creëert zo het gevoel: de schouders er onder! Er is onderzoek gedaan naar twee Philips-vestigingen in Oostenrijk. Een fabriek stond in een grote stad, de ander op het platteland. Die laatste bleek het meest produktief. Daar overheerste het gevoel: dit laten we niet op ons zitten!”

Rath is dit met Sabelis eens. Hij is er ook van overtuigd dat de rivaliteit tussen Amsterdam en Rotterdam mede is ingegeven door economische concurrentie. Eerst was Amsterdam sterker dan Rotterdam, eind vorige eeuw heeft Rotterdam die positie overgenomen. “Die economische wedijver daagt uit en is positief, houdt je sterk. Met zijn tweeën fiets je ook harder dan in je eentje. Je moet het niet overdrijven, maar concurrentie houdt je scherp en maakt creatief.” Voor handel is wedijver zelfs wenselijk, zegt Sabelis. “Je kunt je profileren ten opzichte van de tegenpartij, het kwaad. Rotterdam heeft zich de afgelopen jaren als specifieke werkstad kunnen profileren door zich juist af te zetten tegen dat Amsterdamse arrogante. En als je je daarbij beter voelt, heb je meer kwaliteit en ben je produktiever.”

De strijd tussen de supportersscharen van Feyenoord en Ajax zijn volgens Rath wel van een geheel andere orde, toch ziet hij paralellen: in beide gevallen gaat het om twee concurrerende gemeenschappen, en in die wedijver is de club een symbool. “Als Feyenoord er niet was, vonden ze wel iets anders. Het gaat ook helemaal niet om die club, met die paar Rotterdamse spelers. Eenderde van het elftal komt nota bene uit het buitenland. Feyenoord is een bedrijf, dat als symbool dient, net als de brug over de Maas een nieuw symbool is. Hij heeft er wel 30 miljoen meer door gekost, maar er ging echt iets door die stad heen toen de Zwaan werd opengeteld. Dat is goed, een stad heeft zoiets bindends nodig. Een stad is in oorspong namelijk los zand. Rotterdam-Zuid wordt als de boerenzij gezien. Met zo'n brug hef je de afstand letterlijk en figuurlijk op, hij bindt, net als een club de stad bindt. Ik ben er ook van overtuigd dat als er geen voetbalclubs bestonden, er ook geen voetbalrellen waren, maar gevochten werd er toch: in de wijken die bij gebrek aan een gemeenschappelijk symbool elkaar maar te lijf gaan.”

De antropoloog ziet de bewegingen tussen de Rotterdamse en Amsterdamse supporters als 'tribale dansen'. “Ga het rijtje met criteria maar af: er is een symbool, er zijn kleuren en leuzen, liederen, een tegenpartij, men ontmoet elkaar op vaste tijden, er zijn vaste groepen, er is een leider. De kracht van de stam zit 'm vooral in het samen optrekken. Voor jongeren die weinig kansen hebben, is de aanbidding van de club een uitkomst. Zoals Bill Buford in zijn boek 'Tussen het tuig' schreef: al stel je niks voor, je kunt altijd nog een succesvolle hooligan worden.”

Een Amsterdammer die veel met Rotterdam te maken heeft, is Benno Leeser. De uit een Ajax-geslacht stammende president-directeur van een diamantslijperij is zelfs voorzitter van de businessclub van Feyenoord. Een bewust keuze, nadat hij als peuter door zijn vader bij elk Ajax-doelpunt van louter vreugde in de hoogte werd geworpen en dit later 'bestrafte' met een eeuwige liefde voor Feyenoord.

Dat de rivaliteitsgevoelens onder Rotterdammers sterker zijn dan in de hoofstad, betwijfelt Leeser. “Er is heus van twee kanten rivaliteit, de Amsterdammers kijken net zo goed met een schuin oog naar Rotterdam. Maar de mensen daar komen er openlijk vooruit. Ze zijn, als je een vergelijking trekt, directer en wars van show. Rotterdam is een stad van geen woorden maar daden, doe gewoon dan doe je gek genoeg. Amsterdam daarentegen heeft meer 'schwung, het leeft wat meer'.”

Leeser is ervan overtuigd dat beide steden gebaat zijn bij de volgens hem nog steeds 'gezonde' rivaliteit. “Zo houden ze elkaar wakker, ook waar het Ajax en Feyenoord betreft”, zegt hij. “Maar het moet niet ontaarden, ook niet in de sport.” Of hij morgen als een 'Amsterdamse Feyenoorder' niet in dubio verkeert? “O nee. De afgelopen maanden heb ik toch al opmerkelijk weinig van de Ajacieden gehoord, in dat opzicht heb ik het een stuk eenvoudiger. Dat ik zelf Amsterdammer ben, telt niet. Ik heb er gewoon behoefte aan dat Feyenoord wint.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden