Mieren wijzen de weg

Als de mieren het goed hebben op de Limburgse kalkgraslanden, volgt de rest vanzelf. Ze houden vooral van gevarieerd en kleinschalig beheer.

Tjonge, wat een schallebijters. Maar kijk, daar drijven toch wat mieren. Moet ook wel, want je ziet al duidelijke verse zandhoopjes bij de nesten. De diefmieren, mergelmieren en mergeldraaigatjes zijn ontwaakt. En daar gaat het ons om. Maar kun jij die schapen een beetje op afstand houden? Dan graaf ik de volgende pot op."

Het is voor het groepje toeristen een onbegrijpelijk tafereel met een taal die niemand verstaat, deze zonnige voorjaarsochtend in het Limburgse Gerendal. Drie mannen, voorzien van potten, kruipen en lopen over een helling vol bloemen en verdwijnen af en toe met hun neus tussen het gras. De conversatie geeft al evenmin aanknopingspunten. Schouderophalend fietsen de toeristen verder.

Het drietal op de helling gaat onverstoorbaar door. Door met het onderzoek naar de beste manier om de specifieke mieren van kalkgraslanden te behouden. En daarmee andere zeldzame insecten én de flora.

Kalkgraslanden - de graslanden op de kalkrijke Limburgse hellingen - herbergen van origine bijzondere planten en dieren, vooral als ze op het zuiden liggen. Zeldzaamheden als bombardeerkever, kaasjeskruiddikkopje, rosse sprinkhaan, vliegenorchis, bergsteentijm en de veldparelmoervlinder vinden er domicilie. Voor mieren zijn de hellingen helemaal bijzonder: 11 van de 60 Nederlandse soorten zijn karakteristiek voor de kalkgraslanden.

De rijkdom is ontstaan door het eeuwenlange gebruik als hooi- en schapenweide waardoor de grond voedselarm bleef en de hellingen onbebost.

Halverwege de vorige eeuw raakten de economisch niet langer rendabele hellingen in onbruik. Ze verruigden en verloren hun specifieke waarden. En zoals zo vaak bij verloederde 'cultuur-natuurgebieden' namen de natuurorganisaties het aloude beheer over.

"Bijna over", vertelt Marijn Nijssen, een van de drie mannen, terwijl hij bijenorchis, gewone vleugeltjesbloem en kleine pimpernel benoemt. "Want daar waar de boeren min of meer ad hoc een stukje hooiden of er wat mergellandschapen neerzetten, hanteerden de natuurorganisaties een regiem van in het najaar één keer hooien of een keer fors laten begrazen. Voor de planten prima, zoals je kunt zien." Een aantal jaren geleden viel het de natuurbeheerders echter op dat er nauwelijks voor kalkgraslanden karakteristieke vlinders voorkwamen, terwijl deze net over de grens nog wel vlogen. Er ging blijkbaar iets fout. Onderzoeksinstituut Stichting Bargerveen werd te hulp geroepen. Al snel bleek het ook niet best gesteld met de typische kalkgraslandmieren. De loopkevers deden en doen het redelijk. Van de sprinkhanen zijn geen soorten verdwenen, hoewel de dichtheden van het typerende kalkdoorntje en negertje zijn wel erg laag zijn.

Alarmbellen

Aan Nijssen en zijn collegae van Bargerveen de vraag hoe het beheer zodanig te veranderen dat alle ongewervelden - dus ook de vlinders, mieren en bijvoorbeeld spinnen - floreren zonder dat de overige fauna en flora schade lijden. "Mieren zijn daarbij onze alarmbellen", zegt Nijssen alsof dat de normaalste zaak van de wereld is. En wijzend op een krioelend groepje: "Mergelmieren, diefmieren, mergeldraaigatjes en andere voor deze graslanden kenmerkende mieren stellen hoge eisen. Ze zijn met hun nest bovendien voor meerdere jaren gebonden aan één plek. Daardoor reageren mieren sterk op veranderingen in beheer."

Dankzij grondig werk van mierenonderzoekster Toos van Noordwijk is veel bekend over de leefwijze van mieren en hun problemen. Het mergeldraaigatje bijvoorbeeld is een nestsplitter. In de loop van de zomer verlaat de koningin samen met enkele honderden werksters lopend het nest om elders opnieuw te beginnen. Nijsen: "Zo'n miertje is natuurlijk ultragevoelig voor versnippering. Lukt het haar te overleven, dan doen veel andere, mobielere insecten, het ook wel goed."

De mergelmier kent 's zomers bruidsvluchten. De koningin begint helemaal in haar eentje een nieuw nest maar heeft hiervoor wel genoeg energie - dus warmte - nodig. Juist zo'n mier lijkt te lijden onder het tot nu toe gevoerde beheer. Vlak voor de jaarlijkse maaibeurt staat immers het gewas hoog en warmt de aarde niet genoeg op.

Op zoek naar een beheer met als resultaat een zo groot mogelijke biodiversiteit - in elk geval behoud of zelfs terugkeer van zeldzame en kenmerkende vlinders en mieren als veldparelmoervlinder, kaasjeskruiddikkopje en de staafmier - kwamen de onderzoekers al gauw op fasering.

"Van vlinders wisten we al langer dat die sterk lijden onder eenmalig nazomerbeheer", zegt Nijssen. "Daardoor worden in één keer alle rupsen verwijderd. Maar wat het voor de bodemactieve ongewervelden betekent, is nog onbekend. Voor deze insecten en spinnen is het microklimaat op de bodem erg belangrijk. Het beheer heeft daarop grote invloed; lengte en dichtheid van de vegetatie bepalen immers de temperatuur dicht bij de grond."

Graadmeters

Mieren zijn Nijssens graadmeters. Net als bij loopkevers, spinnen, wantsen en sprinkhanen, heeft ook bij de mieren elke soort zijn eigen eisen. Als er veel soorten mieren voorkomen, is ook rijkdom aan andere ongewervelden te verwachten, zo zet de onderzoeker uiteen.

Door op de kalkgraslanden in vier natuurgebieden - de Sint-Pietersberg, het Gerendal, de Wrakelberg en de Bemelerberg - deels gefaseerd en ten dele 'ouderwets' te gaan beheren en de bloemen- en insectenrijkdom te monitoren, hoopt Stichting Bargerveen nu een gefundeerde uitspraak te kunnen doen. De vlinders worden 'al fladderend' genoteerd, de planten geteld volgens een standaardmethode. Ook de beheerskosten werden in de overwegingen meegenomen. Het moet ook allemaal betaalbaar zijn.

Bij de insecten zijn vooral de 'bodemactieve' soorten interessant: spinnen, sprinkhanen, loopkevers en mieren. Voor deze insecten is het microklimaat op de bodem erg belangrijk.

Met 120 potvallen - in de grond ingegraven potten gevuld met dodelijk formaldehyde - die elk vier keer worden geleegd, wordt in de vier gebieden het effect op de bodemactieve insecten bekeken, van gefaseerd en in één keer maaien of begrazen. Dit is het derde veldseizoen en dat levert 720 potten vol insecten op, die allemaal op naam gebracht moeten worden. Een waar monnikenwerk, maar de eerste resultaten zijn er.

Maaien of beweiden

Voor vlinders is afzien van eenmalig nazomerbeheer in elk geval gunstig. Op de Winkelberg, waar gedeeltelijk al eerder gefaseerd beheer werd ingevoerd, is de veldparelmoervlinder al teruggekomen. Voor veel planten, waaronder kleine ratelaar en bijenorchis, blijkt maaien of beweiden in voorjaar of zomer ongunstig. "Maar door gefaseerd te werken, behoud je ze wel."

Dat geldt ook voor bijvoorbeeld de bombardeerkever, een van de Europese beschermde soorten. De forse kever profiteert van najaarsbegrazing. Hij plant zich namelijk in het voorjaar voort en heeft dus juist dan warmte, oftewel een lage vegetatie, nodig.

Turend in een pot vol insecten verzucht Nijssen: "De kalkgraslandmiertjes blijven nog spannend. We verwachten veel effect op de soorten die in de zomer veel warmte nodig hebben. Maar ja, eerst nog determineren en tellen..."

Kalkgrasland op de St.Pietersberg, met links de duivelsgrot, waar ooit kalk werd gewonnen.

'Lukt het zo'n miertje te overleven, dan doen veel andere, mobielere insecten, het ook wel goed'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden