Middeleeuwers waren ook wel eens vrouw

Jacques Le Goff (red.), De wereld van de middeleeuwen. Agon, Amsterdam, 400 blz. - f 49,50. Georges Duby en Michelle Perrot (red.) Geschiedenis van de vrouw. Middeleeuwen. Agon, Amsterdam, 480 blz. - f 75,.

Haar portret, geschilderd door vijftiende-eeuwse Vlaming Petrus Christus, staat op het omslag van de Nederlandse vertaling van de bundel 'De wereld van de middeleeuwen', geredigeerd door de Franse historicus Jacques Le Goff.

Le Goff heeft deze wereld willen ontsluiten door de mens en niet de economie, politiek of chronologie als uitgangspunt te nemen. In tien profielschetsen, min of meer aan de hand van verschillende beroepen, wordt de middeleeuwse mens aan ons gepresenteerd: de monnik, de krijgsman en ridder, de boer, de stedeling, de intellectueel, de kunstenaar, de koopman, de vrouw, de heilige en de marginaal.

Menig beroep blijft ongenoemd, geeft Le Goff in zijn inleiding toe: niets over rechters, artsen en bisschoppen, weinig over armen en ketters. En natuurlijk zijn vierhonderd bladzijden te weinig om vijfhonderd jaar geschiedenis te beschrijven, van de elfde tot de zestiende eeuw.

Mijn bezwaar geldt dan ook niet dat een groep vergeten is. Wat me blijft storen is dat in de middeleeuwse wereld van Le Goff alleen mannen leven, dat ene hoofdstuk over de vrouw uitgezonderd. Op de akkers treffen we alleen mannen aan, kunstenaars zijn uitsluitend mannen, intellectuelen ook, behalve de obligate Heloise, die nu eenmaal niet ongenoemd kan blijven wanneer het over Abelardus gaat. In het hoofdstuk over handel wisselen alleen mannen geld en goederen uit. Alleen als het om heiligen gaat, kan er een bladzijde af over Catharina van Siena en Birgitta van Zweden.

En als het over vrouwen gaat, worden zij steevast vanuit een mannelijk perspectief voorgesteld, zelfs bij een onderwerp als prostitutie. De hoer wordt bekeken vanuit het standpunt van de klant of de veroordelende priester, niet vanuit haar eigen positie: die van de weduwe zonder verdere inkomsten, of van het plattelandsmeisje dat naar de stad werd gestuurd om geld te verdienen.

Zo beleefde ik met Le Goff als gids menig vervreemdend moment. Ik had me laten meevoeren door zijn beeldende beschrijving van de stad als speelterrein, waar ik samen met mijn mede-middeleeuwers eindelijk weer eens vlees kon eten en aan een optocht kon meedoen, maar schrok wakker toen ik me in een bordeel bevond, het geld al klaar in de hand. Schroom weerhield mij, de sprong te wagen naar de andere kant en mijn hand op te houden voorhet geld na bewezen diensten.

De kwestie van het perspectief dringt zich net zo goed aan de historicus op als aan de fotograaf of de schilder. Ook de geschiedschrijver kiest een standpunt van waaruit hij de dingen bekijkt. En omdat er maar een standpunt mogelijk is, ziet de toeschouwer alle dingen van een kant. De kunsthistoricus zal hier tegenin brengen, dat het ook mogelijk moet zijn te schrijven zoals Picasso schilderde: door verschillende standpunten in te nemen en die te laten samenvallen in een beeld.

Een bundel zoals die van Le Goff had een Picasso-achtig resultaat kunnen opleveren, wanneer de auteurs steeds een verschillend standpunt hadden ingenomen. Maar bij Le Goff is en blijft de wereld van de middeleeuwen een mannenwereld. De lezer ziet het bordeel uitsluitend door de ogen van de klant, we weten waarom hij daar is: voor de 'vleselijke behoeften'. Maar waarom is zij er? En is zij te beklagen of bevoorrecht ?

Wat deed de vrouw in de middeleeuwen, behalve geld verdienen in het bordeel? Volgens de schrijvers zat zij thuis en naaide, breide en zorgde voor de kinderen. Dat negentiende-eeuwse ideaal vormt maar al te vaak het uitgangspunt voor de beschrijving van vroegere perioden. Ook in deze bundel geven de auteurs een beeld van de middeleeuwse maatschappij waarin vrouwen en mannen gescheiden van elkaar leven en werken.

Dit gechargeerde beeld hangt samen met Le Goffs - misschien onbewuste - keuze, vooral de wereld van de middeleeuwse man te laten zien. En natuurlijk, de middeleeuwse samenleving was een mannenmaatschappij. De politieke rol van vrouwen hing vooral af van hun vermogen zonen te baren. Hun activiteiten in de internationale economie waren beperkt.

In de geschiedschrijving gaat het doorgaans niet om de dagelijkse gang van zaken, maar om de onderliggende structuren. Niet degenen die iedere dag weer oogsten en maaien en kleren verstellen staan in het brandpunt, maar de machtigen die grote veranderingen teweeg brengen of op een andere manier het tijdsbeeld bepalen. Zo mag negentig procent van de middeleeuwse bevolking op het land hebben gewerkt, in de meeste geschiedenisboeken krijgt de boer bij lange na niet een evenredig aantal pagina's toebedeeld. En dat is maar goed ook. Geschiedenis zou een saai vak worden, met ellenlange lessen over hop en boekweit, kippen en keuen. We zouden weinig te weten komen over het ontstaan van staten. Zo is er ook iets voor te zeggen, dat de historicus meer over mannen dan over vrouwen vertelt. De vrouwelijke lezer moet dan maar wat afstand nemen en zich niet tezeer willen identificeren.

Maar het verschil tussen begrippen als 'de boer' en 'de vrouw' is te groot om de vergelijking te laten opgaan. Niet alleen hebben we het in het ene geval over een beroep en in het andere over een sekse, de geschiedenis gaat er ook anders uit gaat zien wanneer de historicus wisselt van geslachtelijk perspectief. In dit geval is zo'n Picassoperspectief onmisbaar, juist omdat Le Goff de dagelijkse realiteit en niet het ontstaan van de staten als uitgangspunt neemt. Onder zo'n bewuste keuze verdwijnt ook het hardnekkige beeld van de thuiszittende vrouw.

Tegelijk met 'De wereld van de middeleeuwen' verscheen bij de uitgeverij Agon de eerste vertaling uit de reeks 'De geschiedenis van de vrouw', onder redactie van Michelle Perrot en Georges Duby. En wat lezen we in dit deel, dat over dezelfde periode handelt: de middeleeuwse vrouw 'zat' niet thuis. Ze werkte als dagloner, blikslager of koopvrouw, schoor schapen, spitte de tuin, oogstte, zat in de metaal en in de bouw. Er was geen sprake van dat mannen en vrouwen gescheiden optrokken; iedereen moest meewerken om de dagelijkse kost op tafel te krijgen.

Het dilemma 'kind of carriere' bestond eenvoudig niet: alle moeders werkten. Kleine kinderen werden voor de veiligheid in een bundeltje aan de muur gehangen, thuis of bij een min, of speelden wat rond het huis, als ze groter waren. Moeders hadden geen tijd om op te letten en het verwondert dan ook niet dat een derde van de kinderen onder de vier jaar wel eens in een put viel, door een wild dier werd aangevallen, of zich brandde aan het haardvuur.

Pas uit de beschrijvingen van het leven van vrouwen en kinderen blijkt hoe hard het leven in de middeleeuwen was. Mannen waren hard voor hun vrouwen, weduwen werdendoor de mannelijke jeugd groepsgewijs verkracht, menige rechtszaak ging over het geweld van vrouwen tegen hun echtgenoten, ongewenste kinderen werden vermoord, ongehuwde moeders verdronken, diefstallen veelal uit armoede gepleegd. Die beschrijvingen ontbreken zolang het leven door de ogen van de buitenshuis werkende middeleeuwse man wordt bezien, maar zijn onmisbaar voor een compleet beeld van het leven in de middeleeuwen.

Sereen kijkt het meisje op de omslag van 'De wereld van de middeleeuwen' mij aan. Pas nu ik dat andere boek, over de vrouw gelezen heb, is zij mij nader gekomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden