Micro-realiteit binnen huize Ket

De oude en de nieuwe stad. Linoleumsnede, 1929. (Trouw) Beeld
De oude en de nieuwe stad. Linoleumsnede, 1929. (Trouw)

Zijn leven als kluizenaar en zijn ziekte drukten een stempel op het werk van Dick Ket. Hij durfde zichzelf vast te leggen met dezelfde aandoenlijke eerlijkheid als waarmee hij zijn oma’s kinhaartjes vereeuwigde.

De eerste paar weken na het verwachte, maar toch nog plotselinge overlijden van de kunstenaar Dick Ket (1902-1940) wordt er veel gebeld aan de deur van zijn ouderlijk huis in Bennekom. Dat huis is Kets sterfhuis, omdat hij nooit het nest verlaten heeft. Vrienden en bewonderaars komen vader en moeder condoleren. Het rouwbezoek krijgt als dank daarvoor vaak een schilderijtje mee. Zo gebeurt het dat het oeuvre van Ket razendsnel uiteenvalt. Enkele van zijn meest prestigieuze schilderijen gaan naar een schilder uit Tiel, die de kunstenaar zelf nooit ontmoette.

Via late, vaak duurbetaalde aankopen, zijn Kets werken onder meer in het bezit gekomen van het Rijksprentenkabinet, Boijmans van Beuningen, het Centraal Museum Utrecht, het Haags Gemeentemuseum en het failliete museum van de gevallen DSB-baas Dirk Scheringa. Maar het Museum voor Moderne Kunst Arnhem (MMKA) rekent zich rijk met de ’belangrijkste en grootste’ collectie van Ket. Het wist na de Tweede Wereldoorlog 40 olieverfschilderijen, 250 werken op papier, 33 linoleumplaten, een handvol schetsboeken en persoonlijke spulletjes te verwerven. Het MMKA troefde zo het Kröller-Müller af, dat als tweede grote geïnteresseerde zijn zinnen had gezet op Kets werk. Het Kröller-Müller toonde zich een sportief verliezer in de strijd om Kets nalatenschap en gaf vrijwel zijn gehele bezit in permanente bruikleen aan het MMKA.

Eind vorige maand is de collectie van het MMKA aangevuld met zeventien tekeningen en drukwerk. Deze stukken waren na Kets dood in het bezit gekomen van zijn vriendin Nel Schilt en via een veiling in 1984 in de bedrijfscollectie van het chemieconcern BASF beland. BASF heeft acht van de tekeningen en prenten geschonken. De andere negen stukken koopt het museum van BASF, met steun van bedrijfssponsors uit de regio. Conservator Ype Koopmans noemt het ’een mooie en logische aanvulling’ op de bestaande collectie. Op een tentoonstelling worden nu de nieuwe aanwinsten getoond in combinatie met potlood-, houtskool-en inkttekeningen, lino’s en schetsen die al in bezit waren.

Zo is ook het zeer gedetailleerde, verfijnde ’Zelfportret met waskom’ te zien. Dit met krijt en potlood getekende werk op karton hoort thuis in het rijtje van Kets bekendere werken, dat voornamelijk bestaat uit olieverfschilderijen.

Voor sommige vaste bezoekers blijken de nieuwe werken binnen de selectie – fraai en intiem gepresenteerd in het museumtorentje – niet opvallend of aantrekkelijk genoeg. „Ket, die kennen we wel”, zegt een oudere vrouw tegen haar man, die haar knikkend begeleidt naar de volgende expositiezaal. Meer mensen schuifelen vrij snel door en geven desgevraagd als reden het werk van hun regionale kunstheld prachtig te vinden, maar ’wel te kennen’. De nieuwe aanwinsten krijgen daardoor niet altijd de aandacht die ze verdienen.

Want hoewel de aanvulling met zeventien werken gering is, zitten er bijzondere en waardevolle stukken tussen, waaronder een lithoafdruk die hij in 1926 van zijn vader maakte. Ook enkele stadsgezichten voegen iets unieks toe aan de collectie. Deze maakte de kunstenaar tussen 1925 en 1927, nog net voor hij zich vrijwel volledig in isolement zou terugtrekken. Op een reisje naar Scheveningen na – waarvan enkele kleine werken in het MKKA getuigen – sleet Ket zijn tien laatste jaren als kluizenaar.

De wereld hield op bij het tuinhekje van het huis dat hij samen met zijn vader, moeder en grootmoeder bewoonde. Zowel zijn lichaam als zijn geest stond hem in de weg dat poortje achter zich te sluiten. Door een aangeboren hartafwijking was Ket zwak van gestel en had hij hevige aanvallen van benauwdheid die zijn gezicht naar verluidt letterlijk blauw deden aanlopen. Ook leed hij aan ernstige pleinvrees. Buiten zijn veilige cirkel zouden de bomen en muren op hem afkomen, zo voelde hij.

Deze handicaps veroordeelden Ket tot een zeer beperkt aantal onderwerpen. De (neo-)realist moest het doen met de micro-realiteit die hem thuis omringde. Met serviesgoed, boeken, planten en ander alledaags spul dat voorhanden was in huize Ket, rangschikte hij zijn stillevens. Dezelfde kommen en vazen duiken aan de lopende band in zijn werk op. Net als twee van de drie personen met wie de kunstenaar zich dagelijks omringd wist: vader en oma.

Vader Ket ging graag zitten om zich door zijn zoon te laten vereeuwigen op doek of papier. Of oma dat ook graag deed is onduidelijk, maar ze is vaak, al handwerkend of duttend, door haar kleinzoon vastgelegd. „De oude, demente grootmoeder kon wel voor hem zitten – die merkte niet meer of het één of drie uur duurde”, zei vriend Johan Mekkink (1904-1991) hierover in een interview in 1973. Mekkink, tevens oud-directeur van het MMKA, kon hiervan als een van de weinigen getuigen, omdat hij behoorde tot het selecte clubje dat Ket thuis ontving. De moeder des huizes voelde er niets voor om model te zitten, aldus Mekkink.

Onbekenden portretteren in opdracht, zoals voorbeeld tijdgenoot Carel Willink deed, bleek Ket niet aan te kunnen. Hij waagde een poging voor de directeur van een Utrechtse kunstmestfabriek. Zenuwslopend vond de schilder dat. Zijn benauwdheid speelde op en het liep op niets uit. Voor Ket resteerde zo in huis nog één model dat onuitputtelijk tot zijn beschikking zou staan: hijzelf. De uitgebreide reeks zelfportretten vormt dan ook een belangrijk deel van de tekeningen- en grafiekexpositie in het MMKA. Met dezelfde aandoenlijke precisie waarmee Ket de kleine baardhaartjes op oma’s kin tekende en de vermoeide blik van zijn vader vastlegde, laat Ket zichzelf zien. Zijn tengere lijf, zijn trommelvingers, zijn paarsrode neus en lippen zette hij in alle eerlijkheid neer.

Vanwege al zijn handicaps zou het gemakkelijk zijn te concluderen dat Ket een ellendig leven leidde. Als dat zo was, liet hij dat noch artistiek, noch in de omgang blijken. Soms belemmerde zijn hartkwaal hem van stevig doorwerken, maar klagen hoorde je hem nooit. ’Bijzonder opgewekt, vriendelijk, geestig’, zo beschreef Mekkink hem. Hij was geëngageerd, schreef volop brieven. Zijn isolement scheen hij zelfs als behaaglijk te ervaren. Deze tentoonstelling laat behalve de nieuw verkregen werken vooral nog eens zien dat Ket een groot kunstenaar was. Ondanks, misschien ook wel dank zij zijn gebreken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden