Michaël en de birgittinessen

Leon van Liebergen, conservator van het Museum voor Religieuze Kunst in Uden, bespreekt drie favoriete objecten uit zijn eigen museum. Aflevering 2.

Na lange afwezigheid verhaalt hij met zijn hoofse aanwezigheid weer over de hoog-adellijke Zweedse mystica Birgitta, de cultuur van haar volgelingen in de Nederlanden en over de geschiedenis van ons museum.

Deze geharnaste jongeling werd omstreeks 1470 door een nog anonieme beeldhouwer gesneden.

Tot op heden zwijgen de archivalia over zijn ware identiteit. Maar omdat er meer beelden zijn die op stijlkritische gronden aan hem kunnen worden toegeschreven heeft de beeldhouwer een noodnaam gekregen.

De meeste van de beelden zijn oorspronkelijk afkomstig uit de middeleeuwse abdij te Koudewater onder Rosmalen. De kunstgeschiedenis duidt hem dan ook aan als de Meester van de heiligenbeelden uit het klooster Koudewater, kortweg de Meester van Koudewater.

De abdij Mariënwater of Coudewater werd in 1434 als eerste klooster van de Orde van de Allerheiligste Zaligmaker in de Nederlanden gesticht. Het was een birgittijnse dubbelabdij met, geheel conform de regel van haar stichteres Birgitta van Zweden, een strikt gescheiden mannen- en vrouwenconvent naast elkaar, de kloosterkapel in het midden.

Coudewater groeide uit tot een belangrijk cultureel centrum met talrijke dochterkloosters.

Al deze kloosters zijn verdwenen maar het kloosterleven van Coudewater zou in een andere vorm, op een andere locatie en onder een andere naam worden voortgezet.

Na de Vrede van Munster (1648) werd de oude dubbelabdij op last van de overheid gesloten. De mannelijke geestelijkheid diende meteen te vertrekken, de zusters, positieve discriminatie avant la lettre, werd toegestaan uit te sterven. De monniken verhuisden naar Hoboken bij Antwerpen, de zusters bleven maar weigeren eenvoudigweg uit te sterven. Met allerlei spitsvondigheden en met externe hulp uit een van hun dochterkloosters wisten zij hun verblijf in het klooster telkenmale te rekken. Maar in 1713 was het geduld van de Staten-Generaal op en lieten zij het klooster in het openbaar verkopen. De zusters vertrokken daarop naar Uden, een dorp in het Vrije Land van Ravenstein. Hier bouwden zij hun nu nog bestaande abdij Maria Refugie die zij grotendeels inrichtten met het interieur van Koudewater dat zij op boerenkarren naar Uden hadden overgebracht.

Van dit oorspronkelijk interieur, waaronder talrijke beelden, werden in de loop van de negentiende eeuw uit armoede talrijke objecten verkocht. Onder andere aan jonkheer Victor de Stuers, die in die dagen ijverig bezig was het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst te 's-Gravenhage, de voorloper van het Rijksmuseum te Amsterdam, in te richten. Hierdoor kwam dit museum in het bezit van een prachtige groep beelden, rijk gepolychromeerd, alle met eenzelfde ingetogen elegantie en alle duidelijk door een man gesneden: de Meester van Koudewater. Mogelijk heeft de referendaris, zoals De Stuers ook wel werd genoemd, dit beeld over het hoofd gezien, misschien was het toen al zelfs niet meer in de abdij aanwezig en was het met andere beelden overgebracht naar het in 1843 vanuit Uden gestichte dochterklooster Maria Hart te Weert. Dit laatste is niet onwaarschijnlijk want in 1978 kon het Museum voor Religieuze Kunst, gedeeltelijk gehuisvest in dezelfde abdij Maria Refugie dit beeld uit Limburgs particulier bezit verwerven.

De aartsengel Michaël, aanvoerder der hemelse heerscharen was weer thuis, terug op historische bodem.

Zijn jeugdig uiterlijk, de gaten in zijn rug, de beschadiging van de polychromie op zijn knie, zijn lege rechterhand en zijn kuras waarover nonchalant een mantel is heengeslagen hebben hem geïdentificeerd.

Engelen worden nooit oud en hebben, zeker in de tijd waarin dit beeld ontstond, vleugels. De gaten in zijn rug bewijzen het. Hier zaten de nu verloren gegane vleugels bevestigd. Het harnas herinnert aan de strijd tegen het kwaad, aan Michaël, de zegenrijke strijder. Maar waar is het satanische gedrocht, dat traditioneel onder zijn voeten verpletterd en met een zwaard of lans doorboord wordt? Hij ontbreekt in dit beeld. En dat is niet zo verwonderlijk. Michaël kent een rijke iconografie. Hij is naast de machtige bestrijder van het kwaad ook de zielenweger, die tijdens het Laatste Oordeel op een weegschaal even streng als rechtvaardig de zielen weegt. In deze functie wordt hij veelvuldig weergegeven. Vaak proberen dan rechts en links van de bascule een engeltje en een duiveltje de balans van de weegschaal in hun voordeel door te laten slaan. Het engeltje tracht de ziel te redden, het duiveltje ziet deze het liefst vanaf de schaal rechtstreeks de hellenmuil intuimelen. Maar boven dit alles regeert Michaël en boven hem God.

Het is juist deze specifieke functie van Michaël die de beschadiging op zijn knie kan verklaren. Zij is mogelijk veroorzaakt door de steeds maar in beweging zijnde schalen van een bascule die deze Michaël in plaats van een zwaard ooit in zijn rechterhand heeft gehouden. Zij tikten bij voortduring tegen de polychromie die hierdoor los kwam te zitten en daardoor verloren is gegaan. Een beeld van Michaël stond immers veelal bij de ingang van een kerkelijk gebouw. Daar kon het kwaad, de duivel het gemakkelijkst binnentreden.

Maar daar, zo dicht bij een deur, ontstonden tevens de luchtstromingen die de schalen van de bascule telkens weer in beweging brachten. En zo, beschadigd niet door de duivel maar door een eeuwenlange tocht, waakt hij nu in een geklimatiseerde zaal van het museum, in zijn eigen birgittijnse omgeving waar hij vanouds al zeer gewaardeerd werd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden