Mevrouw Trudy, mag Wesley bij jou?

Peter Henk Steenhuis tekende het verhaal op van Trudy Schilder, zomaar een vrouw uit Emmen met een leven vol rampspoed, maar met een ongelooflijke veerkracht. In Tijd een voorproefje uit 'Who the hell is Trudy': hoe buurjongen Wesley Trudy's pleegzoon werd.

Mevrouw Trudy." Voor de deur stond Joey, een ventje uit de buurt van een jaar of negen. Een paar maanden geleden had hij een broertje gekregen, Wesley. Dat wist ik, zijn vader was al eens bij mij aan de deur geweest of ik nog babykleren in huis had, omdat zijn vrouw zwanger was. Ik had hem gezegd dat ik zelf ook zwanger was en het meeste zelf nodig had. Met wat rompers en kleding maat 50/56 was hij naar huis gegaan.

"Wat is er, lieverd?"

"Mevrouw Trudy, ik heb een probleem. Mijn broertje huilt zo, en ik moet naar school. Mijn mama is weg. En mijn vader werkt de hele dag. Mag Wesley bij jou?"

Ik trok mijn wenkbrauwen op. "Oké, breng hem maar hier dan."

Even later had ik er een kind bij - en wat voor een. Die luier, die zat aan dat joch vastgegroeid. En hij had hónger, hij krijste de hele buurt bij elkaar.

Eerst peuterde ik zo goed en kwaad als dat ging de luier los. De urine was bruin, het kind was uitgedroogd. Dikke laag uierzalf erop en een schone luier aan, zonder strikstrip zodat het eronder in ieder geval niet kon gaan broeien.

Omdat mijn buurvrouw bij de Prénatal werkte en weleens wat mee naar huis kon nemen, had ik potjes babyvoeding in huis. Nu kwam dat voorraadje van pas. Uit een proefverpakking gaf ik Wesley Nutrilon, twee keer per uur een beetje. Daarna gaf ik hem een potje gepureerde wortel, en een uur later een fruitpotje. Na een lekker bad sliep hij zes uur achter elkaar.

Vrijdagmiddag, vier dagen nadat Joey zijn broertje had gebracht, stond de vader voor de deur.

"Ik kom mijn zoon halen."

"Ik vroeg me al af wanneer je je zou melden."

"Ik wist niet dat Wesley hier was", begon hij. "Tot vanmiddag. Toen zei Joey: 'Ik mis mama zo.' 'Nou', zei ik tegen Joey, 'ik mis jouw broertje.' 'Wesley? Maar die zit bij buurvrouw Trudy', zei Joey. Wist ik veel, ik dacht dat Vanessa die jongen had meegenomen toen ze ervandoor was gegaan."

We hebben een tijd zitten praten, die vader en ik. Hij zat flink in de puree, moest werken en had geen tijd voor de verzorging van een baby. "Kunnen we dat niet blijvend zo doen?", vroeg hij. "Als Vanessa er niet is, neem jij Wesley dan door de week en ik in het weekeinde?"

"Best", antwoordde ik, "maar jij betaalt. Ik heb er nu al dagenlang eten in gestopt. Ik wist niet dat dat poeder zo duur was."

Sindsdien bivakkeerde Wesley door de week bij ons. Dat werkte twee jaar lang goed - tot Tweede Kerstdag 1998, een zaterdag. Die avond om half twaalf stond ineens de buurvrouw bij me op de stoep. In paniek. "Is hij bij jou? Is hij bij jou?"

"Wie?" Ik lag al te slapen.

"Wesley. Hun huis staat in brand!"

Grote paniek. De brandweer was snel ter plaatse. Met een zuurstofmasker op vlogen ze naar zijn kamer. Op slot. Vanessa en Ton deden altijd de deur op slot, zodat ze er zeker van waren dat de kinderen niet naar beneden zouden komen. Met een flinke trap lag de deur eruit - en daar lag Wesely in zijn bedje, twee jaar oud, moederziel alleen. Zijn ouders waren nergens te bekennen en zijn broer Joey logeerde dat weekend bij zijn biologische vader. De ambulance, inmiddels ook gearriveerd, nam Wesley mee.

Gelukkig viel de schade mee voor Wesley. Bureau Pleegzorg werd erbij gehaald, daarna werd hij officieel mijn pleegkind en kwam hij permanent bij ons in huis wonen.

Wesley bleek zwakzinnig. Zijn moeder, Vanessa, was tijdens de zwangerschap verslaafd aan drugs, en de eerste drie maanden na zijn geboorte is hij waarschijnlijk zwaar ondervoed geweest. Hij kent geen hongergevoel en geen gevoel van verzadiging. Nadat hij tijden niets gegeten heeft, stouwt hij moeiteloos twintig puddingbroodjes weg.

Het duurde eindeloos voordat hij zindelijk was. Ik had altijd een onderlaken klaarliggen en een dekbed met een hoes eromheen. Zelfs op zijn vijftiende gebeurde het nog geregeld dat zijn bed drijfnat was.

Hoewel hij verstandelijk jaren achterliep, werd hij wel groter. En ging op kamp. Een keer naar Auschwitz in Polen. Een eind rijden, we moesten de kinderen brood meegeven, drinken, kleren. Het was bloedheet toen ze vertrokken. Ik had een tas met dunne kleren voor hem ingepakt, maar ook warme kleren, voor als het weer mocht omslaan. Na een weekje wachtte ik hem op het schoolplein op. Hij stapte uit de bus, ik omhelsde hem. "Jeetje", riep ik uit, "wat een lucht, verschrikkelijk."

Wesely bleef op de stoep staan wachten, terwijl ik in het ruim van de bus zijn koffer zocht. "Is die koffer van mij?", vroeg hij, toen ik even later met de bagage weer bij hem op de stoep stond. Ik keek hem aan, zag dat hij nog dezelfde kleren droeg die ik hem maandagochtend had aangedaan. Ik naar de leraar. "Die jongen loopt al een week in hetzelfde kloffie", zei ik, "dat kan toch niet?"

"Ik kan moeilijk 44 kinderen tegelijk in de gaten houden", antwoordde hij.

Alles zat nog in de koffer zoals ik het erin had gestopt. Zelfs het brood, dat inmiddels beschimmeld was.

Het ging jarenlang redelijk goed met Wesley. Na de dood van zijn vader, toen Wesley vijf was, heeft hij een tijd geen contact met zijn moeder gehad. Omdat Bureau Jeugdzorg eraan hecht dat moeder en zoon elkaar blijven zien, zijn ze elkaar weer gaan ontmoeten. De laatste drie jaar logeerde Wesley om de veertien dagen een weekeinde bij zijn moeder.

Op een avond toen Wesley terugkwam uit Groningen - hij was toen een jaar of negen - had ik mijn tweede zoon Jeffrey en zijn toenmalige vriendin op bezoek, die een opleiding deed voor moeilijk opvoedbare kinderen. Wesley kwam binnen, ik gaf hem een knuffel. "Ga jij maar even douchen", zei ik, "volgens mij heb je dat bij je moeder niet gedaan." Jeffreys vriendin had het van een afstand al geroken: "Dat kind ruikt naar wiet." Toen Wesley onder de douche vandaan kwam, keek ze hem in de ogen. "Kijk naar z'n pupillen, Trudy, hij is stoned."

"Stoned?"

"Als een kind in een kleine ruimte zit waar geblowd wordt, kan het door het inademen van de lucht ook high worden."

Onmiddellijk heb dit ik Bureau Jeugdzorg gemeld. Ik kreeg een potje mee, waar hij in moest plassen als hij terugkwam van zijn moeder. Dat kon ik inleveren bij de huisarts. En jawel hoor, in zijn urine zaten sporen van opiaten. Maatregel: Wesley mocht twee maanden niet meer naar zijn moeder toe.

Een paar weken later zaten Vanessa en ik weer met Kees en Maartje van Bureau Jeugdzorg bij elkaar om de situatie te bespreken, want Jeugdzorg probeert altijd de relatie met de ouder te herstellen, koste wat het kost. Op een gegeven moment zakte Vanessa iets onderuit. Ik boog naar achteren, zag dat zij haar been uitstrekte en haar voet tussen de benen van Kees plaatste.

"Ben jij niet goed of zo!" zei ik tegen Vanessa. "Wat denk je voor elkaar te krijgen, als je je voet tussen zijn ballen plaatst?"

"Nou nou, mevrouw Schilder', reageerde Kees, "zo kan-ie wel weer."

"Potverdorie", zei ik tegen Kees, "ik zie het toch?" Tegen Vanessa zei ik: "Wil je zo voor elkaar krijgen dat je kind weer naar Groningen mag komen? Dan kap ik ermee en kan je het kind houden." Ik ben weggelopen. Ze riepen me na of ik alsjeblieft weer wilde aanschuiven. Ik ben teruggekomen.

"Zo wil ik het niet hebben", zei ik toen ik weer ging zitten. "Ik ben verantwoordelijk voor het kind, ik heb het gezag."

Ongeveer anderhalf jaar geleden zaten we weer bij elkaar: Vanessa, iemand van Bureau Pleegzorg, Kees en ik. Op een gegeven moment zei Vanessa: "Waarom mag Wesley geen geld van zijn rekening halen?'

"Hij heeft toch niets nodig?", zei ik.

"Hij heeft maar een tientje zakgeld, als hij bij mij in Groningen komt is dat zo op."

"Vanessa", zei de mevrouw van Pleegzorg, "als jij het weekeinde voor je kind zorgt, hoeft hij toch niets te betalen?"

"Ik heb geen geld voor een bioscoopkaartje", zei Vanessa. "Als hij een pasje krijgt, kan hij het zelf betalen."

"En dan haal jij zijn bankrekening leeg", zei ik. "Dat gebeurt niet. Als hij te weinig heeft, krijgt hij twintig euro mee." Uiteindelijk kreeg Wesley toch een pasje, geregeld door Bureau Jeugdzorg. Binnen een mum van tijd was het pasje ingeslikt. Wesley was de code vergeten.

Vanessa sprak met een bank in Groningen een pincode af. Sinds dat moment regende het bankafschriften. In zes weken tijd was er twaalfhonderd euro van zijn rekening gehaald. Aanvankelijk dacht ik dat hij drugs gebruikte. Toen vermoedde ik dat zijn moeder hem geld afhandig maakte. Maar dat de transacties in Emmen plaatsvonden, bij Burger King en McDonald's, vond ik vreemd. Tot ik ontdekte dat hij elke week een nieuwe beste vriend had. Ze gingen dan met z'n allen naar de McDonald's. Wesley betaalde, hij had een pinpas.

"Stop", zei ik, "als jij straks op jezelf gaat wonen, heb je ook geld nodig." Toen we de pinpas hadden afgepakt, verdwenen er spullen: Kevins Rolex, z'n iPad. Alles vonden we in Wesleys kamer terug; hij was in de handel gegaan, want hij móest geld hebben. "Wesley", vroeg ik, "vraagt je moeder om geld?" "Mijn moeder heeft geen geld", antwoordde hij. Bij Jeugdzorg meldde ik dat Vanessa op zijn geld aasde.

"Het is zijn eigen geld", zei Kees, "daarmee mag hij doen wat hij wil." "Daarvoor heb ik het niet gespaard, toch?" "Maar het is nu wel z'n eigen geld."

Ik heb Wesley zijn pasje teruggegeven. Niet lang daarna was zijn bankrekening op driehonderd euro na leeg.

Een paar weken later reed een politieauto de wijk in. De auto draaide zo onze straat in, stopte voor onze deur. Wesley kwam in handboeien de auto uit. "We hebben hem opgepakt wegens een poging tot inbraak op de Koraaldreef", zei een van de agenten. "Hij kon zich niet legitimeren." "Nee", zei ik, "hij heeft zijn paspoort verloren." Ik had een kopietje, het is met een sisser afgelopen.

We kregen al snel zes, zeven keer in de week bezoek van de politie. In maart 2014 kwam Wesley op een maandagochtend terug uit Groningen: "Ik ga bij mijn moeder wonen." Ik keek hem verbaasd aan: "Dat kan niet." "Jawel, dat kan wel, ik kan wel bij mijn moeder gaan wonen."

Onmiddellijk Kees gebeld. "Wat maak jij je druk", zei hij. "Over een jaar is Wesley achttien, dan moet hij toch de deur uit." Zijn moeder bleek op hem te hebben ingepraat: als jij bij mij komt wonen, kunnen we een persoonsgebonden budget aanvragen en hebben we geld.

Wesleys vertrek heeft mij veel verdriet gedaan: zestienenhalf jaar heb ik voor hem gezorgd en nu spreek ik hem niet meer. Een kind hoeft niet onder je hart gegroeid te zijn om in je hart te zitten.

Peter Henk Steenhuis: Who the hell is Trudy, een non-fictie novelle; Lemniscaat, euro14,95. De presentatie, met Trudy, is op 29 november in boekhandel Vermeer te Emmen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden