Mevrouw S. hebben ze nooit kapot gekregen

Bij 'Pauw & Witteman' zaten maandag twee katholieke kerken, om er slechts twee te noemen. Aan de ene kant was er Paul van Geest, een blijmoedige kerkhistoricus die op zijn manier veel gniffelende lol beleeft aan de pausverkiezing. Aan de andere kant Els Mulkens, die op een verschrikkelijke kindertijd onder het bewind van nonnen terugblikt in haar boek 'Een verloren jeugd, mijn leven in de hel van het RK Gesticht De Nieuwenhof'. De regisseur van het programma moet gezocht worden in duivelse kring, want er was geen vernietigender commentaar denkbaar op de lotgevallen van mevrouw Mulkens dan de fraai in de achtergrond geprojecteerde kerkelijke jurkenparade, waarin mannen en vrouwen in merkwaardige kledij op diep ernstige wijze door het beeld schoven. Allemaal met die vroom bedoelde blik in hun ogen waarmee zij de wereld te kennen geven in de heilige hoogte te toeven van een Godsbeleving die het alledaagse op verlossende wijze ontstijgt. 'Farizeeën!' zou mijn moeder zeggen, 'ogendienaars!'

De kerkhistoricus was zelf ook een beetje beduusd door wat er bleek schuil te gaan onder al die togen, kazuifels, habijten en sluiers: een wereld waarin mannen en vrouwen zich met onbegrijpelijke ijver wijdden aan het bedrijven van opzettelijke wreedheden met de meest weerloze groep kinderen die aan hun zorg werden toevertrouwd. Kinderen van gescheiden ouders of uit gezinnen die uiteenvielen door armoe, ziekte of drank. Het kwam, zo hoorden we, doordat die nonnen zelf geestelijk kapot waren gemaakt in hun noviciaat, zodat zij vonden (krankzinnige logica) dat de wil van die kinderen ook kapot gemaakt moest worden. Daarnaast was er de onuitgesproken minachting voor deze kinderen, die immers uit maatschappelijk mislukte hoek kwamen. En Jezus zei (of had moeten zeggen): 'Waar er meer dan één zich in Mijn Naam verenigen, daar zal Ik opnieuw gekruisigd worden.'

Ik heb jarenlang gedacht dat dit soort toestanden slechts bij hoge uitzondering voorkwamen. Dat komt door de derde katholieke kerk, de mijne. In onze parochie trof ik louter achtenswaardige priesters. Aardige mannen, soms knorrig of onhandig, maar nooit gemeen of treiterig. Ook op mijn middelbare school bij de paters kruisheren heb ik nooit een pater ontmoet die opviel door wat ik als de enige echte doodzonde beschouw: opzettelijke wreedheid.

Zelfs de directeur van de school, pater B., die wij beschouwden als de enige rechtoplopende jakhals boven Gibraltar, toonde zich een goede verliezer die toen hij na een conflict met mijn vader aan het kortste eind trok. Hij heeft zijn nederlaag nooit op mij gewroken, hoewel hij daartoe wel de macht bezat.

Ging er dan nooit iets fout? Jawel, pater V., leraar Engels, een onnodig aantrekkelijke man, sloeg Jan B. een keer veel te hard met het klasseboek op zijn hoofd. Wij schrokken allemaal, hijzelf eigenlijk ook. Dat krijg je van gestuwd zaad, dachten we. En vele jaren later hoorde ik dat pater A., geschiedenisleraar en leider bij de verkenners, zijn hand in de broek van de jongens stak en dan met hun geslacht speelde waarbij de uitdaging was dat ze hun lachen moesten zien te houden. Ook niet erg fris. Maar ik zag dat allemaal niet en van mij bleven ze af. Nee, niet mijn slechte adem, beroerde uiterlijk of verzengende vroomheid kan hier een uitweg bieden. Ik denk gewoon mazzel.

Wie denkt dat die wreedheden een jarenvijftigprobleem waren, moet eens luisteren naar het relaas van mevrouw S. In 1982 leerde ik haar kennen, een van de eerste verpleeghuisbewoners met wie ik als arts te maken kreeg. Ze was erg grappig, ondeugend, sterk, taai, aandoenlijk, wijs en enigszins katholiek. Ik was zeer onprofessioneel erg dol op die vrouw. In haar jeugd kreeg ze kinderverlamming. Ze liep toen met veel moeite met twee krukken. Haar moeder verliet het gezin en ze belandde in St. Elizabeth, rk weeshuis in Amsterdam.

's Winters had ze het erg koud, want ze kreeg te weinig dekens. Een tante had een borstrok voor haar gebreid, maar dat was verboden door de nonnen. Ze deed die borstrok stiekem toch aan en prompt werd ze verraden door een zaalgenootje. Ze werd door de zuster uit bed gehaald, moest haar borstrok inleveren en werd die nacht, gekleed in haar dunne nachtponnetje, opgesloten in een klein onverwarmd kamertje. Dit was niet voldoende straf, want om te voorkomen dat ze zich zou warm lopen, werden haar ook haar krukjes afgenomen.

De gedachte was dat ze zich niet warm zou kunnen kruipen. Ik word er opnieuw beroerd van als ik er aan denk, want, ik zei het al, ik hield van die vrouw. Maar dit bedoel ik nou met opzettelijke wreedheid. En het kan me niet schelen wat ze je hebben aangedaan in je noviciaat, maar ik acht het onvergeeflijk. Mevrouw S. hebben ze trouwens nooit kapot gekregen. Ik gedenk haar met trots.

Wij kijken met gemengde gevoelens naar 'de erudiete jezuïet' met Franciscaanse neiging, die voor zichzelf kookt (meerdere malen per dag zo te zien), en die zich nu aan het roer geplaatst ziet van het schip van de Moederkerk.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden