Met zo'n kop word je vanzelf crimineel

De studie van gelaatskenmerken in samenhang met het karakter heeft de afgelopen eeuwen vooral dwaalsporen opgeleverd. Met de tentoonstelling 'Op het eerste gezicht' geeft Teylers Museum in Haarlem een overzicht van pseudowetenschap en serieuze antropologie.

Jansen, van de boekhouding, met die neus, dat is er dus typisch een uit de categorie papegaai! En Van Dijk, van personeelszaken, met dat spitse koppie van d'r, die hoort absoluut tot het martertype. Het boek 'L'Art de connaitre les hommes par la physionomie', van de achttiende-eeuwse filosoof Gaspard Lavater laat zich nu nog het best lezen als een humoristische veldgids voor feesten, partijen en personeelsuitjes. Lachen: je vrienden of collega's indelen naar het type dier waar ze op grond van hun gezichtskenmerken toe behoren. Maar zo pseudo-wetenschappelijk als het boek nu wordt gevonden, zo serieus werd het genomen toen het uitkwam. Gelukkig waren er bijvoorbeeld in 1831 ook al mensen die de mens-diervergelijkingen van Lavater met een korreltje zout namen. Anders zou kapitein Fitzroy van de Beagle die jonge natuuronderzoeker Charles Darwin nooit aan boord hebben genomen, met zijn neus 'die een gebrekkige energie en uithoudingsvermogen verraadde'.

Het is een van de prachtige anekdotes die worden verteld bij de tentoonstelling 'Op het eerste gezicht', de afscheidstentoonstelling van Teylers' oud-conservator Bert Sliggers. Hij maakte al diverse antropologische tentoonstellingen, zoals 'De Exotische Mens', 'De Versierde Mens' en 'De Tentoongestelde Mens'. "Maar boven al die eerdere tentoonstellingen hing steeds een open eind", zegt Sliggers nu: "Waar komt toch die gedachte vandaan dat wij aan de buitenkant van iemand iets af kunnen lezen over de binnenkant?"

Schedelhoek

"In eerste instantie gingen de stereotype uiterlijke verschillen tussen mensen vooral over het verschil tussen goed en kwaad", zegt Sliggers. "Kijk maar naar de manier waarop Judas op schilderijen werd afgebeeld. Later ging ook de schoonheid een grotere rol spelen. Tot het eind van de achttiende eeuw waren dat allemaal nog subjectieve begrippen, maar vanaf dat moment begonnen wetenschappers te denken dat ze deze eigenschappen ook objectief konden meten. De basis voor die 'wetenschap' is onder andere gelegd door de Nederlander Petrus Camper, die als docent aan de tekenacademie het fenomeen gelaatshoek bedacht. Aan de hand van de hoek die de lijn voorhoofd-neus maakt met de lijn neus-onderkant oor, dacht hij verschillende volkeren in te kunnen delen. De oude Grieken hadden de meest stompe gelaatshoek, van ongeveer negentig graden. Van daar ging er een afnemende lijn via allerlei andere volkeren naar de orang oetan, die een scherpe gelaatshoek heeft van ongeveer zestig graden. Anderen koppelden die ladder van gelaatshoeken vervolgens ook aan een beschavingsladder", vertelt Sliggers.

Criminele schedels

Een centrale plaats op de tentoonstelling wordt ingenomen door enkele stukken uit het Lombrosomuseum in Turijn. Cesare Lombroso was aan het eind van de negentiende eeuw de Italiaanse criminoloog die 'de uiterlijke kenmerken van een crimineel' definieerde. Onder andere het lage voorhoofd en de zware wenkbrauwboog komen uit zijn koker. "De gedachte dat al het slechte wordt samengebald in het hoofd van een crimineel leefde in die tijd heel sterk", vertelt Sliggers. "Daarom werd na een terechtstelling met de guillotine het hoofd van de veroordeelde ook zo nadrukkelijk getoond aan het volk. Kijk nou toch eens! Goed dat dit individu uit ons midden is verdwenen! Nadat het hoofd was afgehakt ging het vaak in vliegende vaart naar een ziekenhuis waar er een gipsafgietsel van werd gemaakt, en later een wassenbeeld, voor de nodige metingen aan de criminele schedel."

Met de opkomst van de fotografie werd het wat minder noodzakelijk om hoofden af te gieten of te hakken. Ook een gevaarlijke reis naar 'den vreemde' werd minder noodzakelijk dankzij de antropometrsche fotografie. Als één persoon bereid was om enkele gestandaardiseerde foto's te maken van de hoofden van vreemde volkeren - en profil, recht van voren, van boven, van achteren - dan konden de onderzoekers thuis daar de nodige metingen aan verrichten. Ook veel van die vroege antropometrische foto's zijn in Teylers voor het eerst in een Nederlandse tentoonstelling te zien. "Die fotografie beperkte zich overigens niet tot vreemde volkeren", vertelt Sliggers. "Ook dicht bij huis maakte men foto's om de verschillen te zoeken tussen bijvoorbeeld typische Urker vissers of Sallandse boeren. In Duitsland zocht men ook verder, naar het verschil tussen tuinlieden, caissières en andere beroepsgroepen."

Typische Nederlander

In de uitgebreide catalogus die bij de tentoonstelling is verschenen buigt antropologe dr. Fenneke Sysling van de Vrije Universiteit zich over de vraag of er ook zoiets bestaat als 'de uiterlijke kenmerken van een typische Nederlander'. In de negentiende eeuw zocht men naar aanwijzingen of 'de' Nederlanders allemaal afstamden van de Batavieren, of dat er twee lijnen te onderscheiden zouden zijn, de stugge, blonde noordelingen en de meer joviale, katholieke zuiderlingen. Of waren er zelfs drie lijnen: Friezen, Franken en Saksen? Sysling: "Antropologen probeerden die verschillen te meten aan de lichamen, onder andere tijdens de keuringen voor de militaire dienst. Met een lange lijst van meetbare kenmerken probeerde men een indeling te maken. Met de nadruk op probeerden, want serieuze wetenschappelijke doorbraken werden met dit onderzoek nooit bereikt."

"Eigenlijk tot op de dag van vandaag wordt er nog gezocht naar 'de typische' inwoner van een bepaald gebied op basis van uiterlijke kenmerken", zegt Sysling. "In de jaren tachtig van de vorige eeuw werden bijvoorbeeld in Vlaardingen nog skeletten opgegraven en gezichten gereconstrueerd van een zogenaamde 'oer-Vlaardinger'. De huidige inwoners van Vlaardingen werd zelfs gevraagd om DNA af te staan voor een speurtocht naar de inwoner met de beste match met die aartsvader aller Vlaardingers. En warempel, daar kwam een nog levende oer-Vlaardinger uit. Wat dat betreft zou je denken dat de antropologie niet veel is opgeschoten in al die eeuwen."

Toch wil Sysling de antropologie van de voorbije eeuwen daarmee niet afdoen als 'allemaal pseudo-wetenschap'. "Strikt genomen bogen de wetenschappers zich toen over dezelfde vragen als waar bijvoorbeeld genetici zich ook nu nog over buigen, maar dan met bijvoorbeeld DNA-onderzoek: waar komt de mens vandaan, en wat waren de belangrijkste migratiestromen? Dat we daarvoor nu andere instrumenten gebruiken dan toen zegt meer iets over de ontwikkeling die wetenschap nou eenmaal per definitie doormaakt, dan over het wetenschappelijk gehalte per se."

Zwarte Piet

Ook samensteller Sliggers wil alle fysionomie, craniometrie, wiskundeknobbels en criminele koppen niet meteen bij het pseudo-wetenschappelijk afval zetten. "We zijn die affaire van de biologisch criminoloog Buikhuisen (die in de jaren zeventig zocht naar biologische verklaringen voor crimineel gedrag, red.) uit de jaren zeventig inmiddels echt wel voorbij. Er is tegenwoordig weer een plek voor serieus onderzoek naar de relatie tussen bijvoorbeeld de hormoonhuishouding, de uiterlijke kenmerken, en de mate van agressie. Die vraag blijft blijkbaar intrigeren."

Wie overigens naar Teylers reist om wat te leren over de stereotypen rond het uiterlijk van Zwarte Piet, en de onderdrukking van de zwarte medemens, die moet wel heel goed zoeken. "Op zichzelf past die vraag heel goed binnen het thema", geeft samensteller Sliggers toe, "maar we hebben die beperkt tot de vraag waarom juist de zwarte mens zo gebukt gaat onder vooroordelen. We wilden voorkómen dat de tentoonstelling helemaal beheerst zou gaan worden door de discussie over wel of geen Zwarte Piet."

'Op het eerste gezicht', van 8 november tot en met 8 februari in Teylers Museum aan het Spaarne 16 in Haarlem. Daarna in het Museum voor psychiatrie Dr. Guislain in Gent.

Ariëns Kappers' list

Wetenschappelijk verantwoord of niet, als hun leven op het spel staat zijn mensen graag bereid om de vermeende fysieke verschillen tussen het bevolkingsgroepen bloedserieus te nemen. Dat vertelt historicus Jaap Cohen, onderzoeker aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.

In het boek 'Op het eerste gezicht', dat bij de tentoonstelling in Teylers is verschenen schrijft hij over zijn promotieonderzoek naar de geschiedenis van de Portugees-Joodse familie D'Oliveira. Cohen: "In de oorlog hebben vier- of vijfduizend Nederlandse Sefardische Joden van het Iberisch schiereiland geprobeerd aan te tonen dat zij wezenlijk anders waren dan de meer dan honderdduizend Nederlandse Asjkenazische of hoog-Duitse Joden uit Oost-Europa. Dat ging, via hun fysieke kenmerken, vooral om hun karaktereigenschappen en culturele 'superioriteit'. Op grond van hun afstamming van de christelijke aristocratie in Spanje en Portugal, en hun waarde voor de cultuur en de maatschappij probeerden zij uitgesloten te worden van de Jodenvervolging."

De basis voor het idee werd feitelijk gelegd tijdens een congres voor criminologen in Amsterdam, in 1901, vertelt Cohen. "De jonge student Ubbo Ariëns Kappers, die later de eerste directeur van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek zou worden, werd daar via de Italiaanse criminoloog Lombroso gegrepen door de fysionomie. Later verrichtte hij een grote meting op de schedels van honderden Sefardische en Asjkenazische Joden. Op grond daarvan stelde hij dat de Asjkenazische Joden onder andere een 'kortere' schedel hadden dan de Sefardische. In 1934, toen dit onderzoek uitkwam, verbond Ariëns Kappers daar nog geen consequenties aan. Maar een kleine tien jaar later werden die verschillen ineens potentieel waardevol."

Twee Joodse families uit Portugal werden op grond van hun aristocratische afstamming uiteindelijk daadwerkelijk vrijgesteld van de verplichte registratie als Jood. Maar voor de grootste groep ging de vlieger niet op. De Duitsers vonden de fysieke verschillen die Ariëns Kappers en zijn collega Arie de Froe stelden te hebben gemeten niet overtuigend genoeg. Ze vonden de Sefardim daarmee net zo 'inferieur' als alle andere Joden.

Binnen de Joodse gemeenschap kon de poging van de Portugese Joden om zich te onderscheiden van de anderen uiteraard ook bepaald niet op waardering rekenen. "Ze verloren niet alleen hun leven, maar vooral ook hun waardigheid", was de heersende mening in de Joodse gemeenschap.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden