Met vakantie naar Bosnië, Servië of Montenegro

“Wanneer zal Bosnië-Hercegovina, die mysterieuze twilight zone tussen Oriënt en Occident, de eerste koopkrachtige bezoekers met hun credit cards en hun traveller's cheques weer kunnen verwelkomen, op de krioelende bazaars van Sarajevo, bij de sprookjesachtige Pliva-waterval in Jajce of op de eeuwenoude brug over de Drina bij Visegrad?” Oude reisverhalen, handige reistips voor de toerist met vrolijke vakantieplannen, en andersoortige verslagen van tochtjes naar het Wilde Oosten van Europa.

In de inleiding staat allerlei moois over Joegoslavië - we kunnen er genieten van het zonnige klimaat, de gastvrijheid van de bevolking en de grote gevarieerdheid van landschap en cultuur. Ook mogen we de grote verscheidenheid van sporten die men er kan beoefenen niet vergeten, zoals skiën en bergtochten maken, onderwatervissen in de Adriatische Zee, jagen op beren, herten, wilde zwijnen, wolven en zelfs jakhalzen, en forellen vangen in de vele rivieren in het binnenland.

Toch is er iets misgegaan met het land van de Zuidslaven. De bezoeker die dit jaar een rondreis maakt zou zich als buitenstaander temidden van alle onbegrijpelijke verwoestingen gemakkelijk teruggeworpen kunnen voelen in de negentiende eeuw.

Toen was de Balkan het laatste terra incognita van Europa: een zwart gat waar de Turk een half millennium lang de scepter had gezwaaid, oftewel het Wilde Oosten van de Parijse salons en de Amsterdamse koffiehuizen. Daar las men, het welgevulde achterste in een luie leunstoel, onder het genot van een geurige sigaar en een glas goede cognac, zo af en toe, heel soms, een verdwaald reisverslag van een waaghals die het gebied had doorkruist. Die had dat niet, zoals enkele jaren geleden nog gebruikelijk was, gedaan in een luxueuze camper of in een brullende zestienklepper met een meterslange caravan, maar te voet, te paard, per stoomtrein of per koets.

Wat maakt die oude reisverhalen zo fascinerend? En welke handige wenken en reistips kan de eigentijdse toerist halen uit de verslagen van tochten die pakweg honderd jaar geleden gemaakt zijn?

Toeristen had je in soorten, maar de Nederlandse schrijver Henri van der Mandere hield waarschijnlijk werkelijk van reizen. Wie echt moeite wilde doen om een vreemd land en een vreemd volk te leren kennen, wie zogezegd de kunst van het toerisme wilde beoefenen, die kon nergens in Europa beter terecht dan in Montenegro, het kleine koninkrijk aan de Adria.

“Montenegro is niet alleen het Rijk van de Zwarte Bergen, doch ook het land van eene karakteristieke eenzaamheid, die in onze beschaafde eeuw moeilijk is terug te vinden, zelfs niet in die streken, welke nog niet zoo langen tijd tevoren als onherbergzaam werden geschilderd; van eene natuurlijke onbevolktheid, welke beschaving niet uitsluit, doch wel zonderling en toch tegelijkertijd weldadig contrasteert met wat wij als de directe uitvloeiselen der beschaving in onze groote steden en in onze geciviliseerde landen steeds als noodzakelijk leeren kennen” (Montenegro, Amsterdam, 1914).

Montenegro was eigenlijk geen land, meer een grote granieten berg waarover een zak met rotsen was leeggestrooid. De Montenegrijnen waren trots, woest, gemakzuchtig, oorspronkelijk, naïef, kinderlijk en van een bijbelse eenvoud; dit volk moest volgens Van der Mandere langzaam en héél voorzichtig in contact worden gebracht “met het goede, dat er huist in de Westersche verzachte zeden.”

Lezers met vrolijke vakantieplannen kunnen het deze zomer zelf gaan controleren. Enig ongemak is moeilijk te vermijden, want na vier jaar sancties tegen Klein-Joegoslavië zijn de hotels van Montenegro niet allemaal in opperbeste staat.

Ook Van der Mandere vond trouwens al dat er snel iets moest gebeuren aan het Grand Hotel in de toenmalige hoofdstad Cetinje. De deuren sloten niet goed, het zeil in de conversatiezaal was versleten, de meubels hadden niet de frisse kleuren van het land, maar waren van een smakeloos kleinburgerlijk kakelbont, en tot overmaat van ramp stond in de eetzaal een canapé waar 's nachts een kelner op sliep.

Een verhaal van een andere reiziger, de Fransman P. Jousset (Tochtje naar Servië, De Aarde en Haar Volken, 1898), geeft een voorproefje van de gevaren, waarvoor toeristen kunnen komen te staan die het zichzelf niet gemakkelijk maken - en ook van de beloning als de hindernis eenmaal is genomen.

Jousset volgde te paard de weg langs de Drina van het Oost-Bosnische Zvornik zuidwaarts naar Skelani. De Drina besproeide Bosnië en Servië, beide met dezelfde prachtige natuur, het landschap vergeven van eeuwenoude beuken, goudbruine eiken, zilveren berken en populieren met zacht ritselende bladerkronen. Bij Skelani stak Jousset het water over in weinig meer dan een uitgeholde boomstam. “Mijn voet beefde wel wat toen ik erin stapte, want voor deze kano's zouden, dunkt mij, de wilden van Guyana zich hebben geschaamd.”

Na een paar uur gewacht te hebben op de onvermijdelijk slapende douane-beambtenaar ('in dit gelukkige land schijnt ieder het er nog al gemakkelijk van te nemen') hobbelde Jousset dan eindelijk Servië binnen. Het gehuurde wagentje piepte dat het een aard had en werd voortgetrokken door een hevig blazend en puffend paard. Opvallend, maar ook aandoenlijk, was de tegenstelling tussen het Servische natuurschoon en de armoedige ellende van de bevolking. Waarom de boeren toch zo fier en vol zelfvertrouwen waren? “Zij hebben in 't geheel niet, dat ik weet niet wat van onpersoonlijken aard, uit sleur en conventie ontstaan, dat bij onze oude beschavingen het individu onthult, verzwakt en ontzenuwt en hem eindelijk zijn heele persoonlijke individualiteit doet verliezen.”

De Serviërs zijn de 'Ieren van de Balkan', zo luidde kortweg de omschrijving van de Servische afgezant in London Cedo Mijatovië (Servia and the Servians, Londen, 1908). Hun zang- en danscultuur en hun op feesten en partijen nogal uitbundige consumptie van zelfgestookte rakija en sljivovica kunnen nog steeds onvergetelijke avonden opleveren.

Dezelfde Mijatovic probeerde overigens ook belangstelling voor zijn land te wekken door pittoreske, tegenwoordig reeds lang geleden uitgestorven rituelen als dat rond de water- en regengodin Doda, of Dodola breed uit te meten. In tijden van droogte, schreef hij, ging in de Servische dorpen een jong meisje van huis tot huis, meestal een zigeunerin, naakt of schaars gekleed, met een krans van groene wilgetakken en veldbloemen om haar middel en op haar heupen. Ze danste een speciale dans, terwijl de jonge vrouwen die haar vergezelden een speciaal lied zongen, met het refrein:

“Onze Doda bidt tot God, oei, Doda, Dodola! Dat het zacht zal regenen, oei, Doda, Dodola!”

En wanneer zal Bosnië-Hercegovina, die mysterieuze twilight zone tussen Oriënt en Occident, de eerste koopkrachtige bezoekers met hun credit cards en hun traveller's cheques weer kunnen verwelkomen, op de krioelende bazaars van Sarajevo, bij de sprookjesachtige Pliva-waterval in Jajce of op de eeuwenoude brug over de Drina bij Visegrad?

Een van de aardigste reisverhalen is van de Franse schrijver Guillaume Capus (A travers de Bosnie et l'Herzegovine: études et impressions de voyage, Parijs, 1896; vertaald in De Aarde en Haar Volken, 1897).

Zoals zoveel reizigers voor en na hem werd Capus gegrepen door de eigenaardigheid van Sarajevo, 'de stad der paleizen'. Het geheim was niet zozeer de grandeur van die 'paleizen', het was iets anders, iets oosters. Het was een kleine minaret van vermolmd hout, met een zinken dak vervaardigd van oude petroleumkannen en sardinedoosjes; een oude, met gras overgroeide begraafplaats bezaaid met grafstenen die schuilgingen onder de takken van een pruimenboom; het geheim school in die muzelmanse vrouw, die bij de nadering van vreemdelingen een witte sluier voor haar gelaat schoof en wachtte tot de indringers voorbij waren, 'om dan haastig weg te spoeden, haar houten muiltjes klapperende op de steenen.'

Uitrustend van een lange namiddagwandeling dacht Capus na over het volkskarakter van de Bosniërs. “Alles rust en stilte in den omtrek, stemmende tot vredig gepeins, tot dat dommelig droomend zich-laten-leven, dien eigenaardigen karaktertrek van den Oosterling, wiens schijnbare waardigheid en grandezza vaak niet anders is dan traagheid van geest en loomheid van gevoel, lijdelijk wachtende op wat het noodlot heeft beschikt, dat geschieden zal.”

De Bosniërs waren dan misschien zeer godsdienstig, ze waren ook bijzonder lui, volgens Capus. Ze rekenden steeds op hulp van hun ontelbare heiligen, waar gewone mensen met gezond verstand geneigd waren eerst maar eens flink de handen uit de mouwen te steken. Dit bezwaar komt de reiziger die al eerder op de Balkan rondzwierf misschien bekend voor, en het is voor de toekomstige toerist dan ook raadzaam er rekening mee te houden. Het gold vooral de stedelijke orthodoxen van Sarajevo, aldus Capus. Hij twijfelde aan de 'achtenswaardigheid van hun karakter': deze geldhandelaren waren werkschuw en werden nog rijk ook.

Hetzelfde ging echter ook op voor de moslims, als we de Nederlandse schrijver Marcellus Emants kunnen geloven. Emants publiceerde zijn reisverslag in december 1901 in acht afleveringen in Het Vaderland, met als titel, niet erg verrassend, In Bosnië-Herzegovina. De moslims konden of wilden zich niet aan het nieuwe leven en de nieuwe Oostenrijkse heersers aanpassen, dacht Emants. “Geholpen door een fanatisme, dat hen zelfs op echte Turken neer doet blikken en een oosterse beschouwelijkheid, waarin men naar verkiezing diepe levenswijsheid of lamlendige luiheid kan zien, heeft van de gegoeden het merendeel de vijandigheid verkozen boven verwaarlozing van hun godsdienstige ceremoniën, en zich wrokkend teruggetrokken uit de lage middelpunten der bedrijvige steden naar de rustige, lommerrijke berghellingen er om heen (...).”

In gezelschap van een anoniem gebleven vriend trok Emants per boemeltrein en rijtuig door alle landstreken van Bosnië. Op de breekbare ruggen van twee scharminkels van paarden maakte het tweetal vanaf Foca een reis over de smalle bergpaden langs de Drina en de Montenegrijnse grens, dwars door de droge karst van Oost-Hercegovina, om uiteindelijk na veel ontberingen uit te komen in Trebinje. Onderweg rotsen en nog eens rotsen, “grijze golvingen van een eindeloze dorheid”, hitte en Oostenrijkse legerposten. Slechts zo nu en dan bewoning. “Voor deze hutjes zaten lelijke oude vrouwen te babbelen en blaften nijdige grote vastgebonden honden. Wij hielden het rommeltje voor een Zigeunerkamp; maar de soldaat zei: nee, zo leeft hier het volk.”

Emants, Capus, Jousset en Van der Mandere waren toeristen met een missie. Op reis en aan de schrijftafel thuis probeerden deze literair getalenteerde buitenstaanders de raadsels van de Balkan te ontsluieren. Ze probeerden hun lezers te verleiden met de meest exotische anekdotes en de meest romantische natuurschilderingen, maar ze beseften ook dat de Vooruitgang ruim baan moest hebben. Hun Balkan is nu eens een achtergebleven onderwereld, een nog maar pas ontsloten afzetgebied voor waarden, normen en handelswaar, dan weer een premodern Paradijs.

De Engelse schrijfster en journaliste Rebecca West koos enkele tientallen jaren later zonder mitsen en maren voor het paradijs. Black lamb & grey falcon (Londen, 1941) haar klassieke reisboek over het Koninkrijk Joegoslavië, staat bol van bewondering voor de Zuidslaven. Joegoslavië was het land van het enige nog intacte Europese oervolk; hier heerste 'the uncorrupted eye of an unmechanised raze'.

Maar was het bederf niet al begonnen? Wandelend langs de marktstalletjes in Zagreb ergerde West zich aan de kwaliteit van het aangeboden handwerk. “Het leek niet op de patronen die ik in andere delen van Joegoslavië had gezien, in Servië of Macedonië; het was zelfs niet zo goed als de afbeeldingen op de jurken van de boerenvrouwen die bij de kramen stonden, hoe inferieur die ook waren. Het was sterk naturalistisch. Het moest fruit en bloemen voorstellen in de traditie van de Victoriaanse Berlijnse wolproduktie. Met andere woorden, het toonde Duitse invloed.”

Afkeer van de moderniteit, een corresponderende verslaving aan het idyllische platteland, wantrouwen tegen Hitler-Duitsland, het resulteerde bij Rebecca West in een love affair met het zuiden en het oosten van Joegoslavië. Vergelijk dat eens met de opinies van een tijdgenoot, de Duitser Albert Köhler in zijn boek Sonne über dem Balkan - ein Reisebuch zwischen Baedeker und Homer (Dresden, 1930).

In Slovenië woonde een 'uiterst gecultiveerd' volk, constateerde Köhler tevreden op zijn rondreis. In het Dalmatische Dubrovnik, waar een firma uit Keulen bezig was kabels te leggen, werd het werk door de zon en een blauwe hemel veredeld - de arbeiders zongen er zelfs operaromances. Maar de Montenegrijnen? Die waren met hun cultuur tweehonderd jaar achterop. En Belgrado? “Eerlijk gezegd had ik me die stad veel erbarmelijker voorgesteld.”

Laten we tot besluit nogmaals een sprong in de tijd maken. Vanaf 1991 werden de traditionele motieven van de Balkanreisverhalen overgenomen door een ander non-fictie genre - een genre waarvan de aanstaande reiziger zich eerst los moet maken, voor hij kan denken aan een tochtje naar Kroatië, Bosnië of Servië.

“De reizigers van vandaag zijn de oorlogsverslaggevers: journalisten, fotografen, cameramensen”, schreven de Duitse onderzoekers Milos Okuka en Petra Rehder in hun verzameling reisverhaalfragmenten (Das zerrissene Herz, München, 1994). Okuka en Rehder wilden het bestaan van het andere Bosnië-Hercegovina in herinnering brengen: het Bosnië in de periodes van rust en vrede, het slaperig-vredige-dichterlijke Bosnië, met zijn natuurschoon en zijn veelbezongen mengeling van Serviërs, Kroaten en moslims, “die kalm naast elkaar, ook met elkaar, zelden tegen elkaar hebben geleefd.”

Ook Peter Handke, in zijn omstreden Gerechtigkeit für Serbien, mobiliseerde de poëtische schoonheid van de Balkan om zichzelf en zijn lezers te reinigen van oorlogsbeelden. Het woeste Servische platteland staat bij hem diametraal tegenover het volgebouwde, volautomatische Europa - 'de wereld als machine', zoals zijn reisgenoot Zarko opmerkt. Handke's lyrische tekst-in-grote-stijl is een eigenzinnige poging tot cultuurkritiek, bedoeld als afweer tegen de eendimensionale vijandbeelden die de afgelopen jaren zo populair waren bij 'de media'; een tekst die in zijn emotionele toon, met al zijn overdrijvingen, misschien nog het best te vergelijken is met Black lamb & grey falcon van Rebecca West.

Een van de vele andere voorgangers van Handke, Jousset, stond een eeuw geleden ook aan de Drina, de rivier die in onze tijd opnieuw de grens dreigt te worden tussen het Oosten en het Westen. Het origineel bezit nog steeds een ontwapenende charme: “De maan was opgegaan, in het bleeke licht scheen het landschap mij doodsch en ledig toe, en 't was of ik mij geheel alleen bevond in de wereld. De voorwerpen namen fantastische vormen aan; over 't kwijnend groen der weiden gleden lichte schaduwen, en ik dacht aan de vila's, de geheimzinnige wezens, elfen met golvende haren, waarmee de servische fantasie de velden en de bosschen heeft bevolkt. Wee den ongelukkige, die haar iets in den weg durft te leggen. Haar toorn is zeer te duchten, zij dooden soms, maar op een anderen tijd openbaren zij het teederst medelijden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden