Met Puchinger op een eiland

Hoezeer mijn leermeesters zich vroeger ook hebben ingespannen, ze hebben niet kunnen bereiken dat ik in boekhandel, antiquariaat of bibliotheek het complete bestand aan geschiedenisboeken naloop. Tijdens zijn vermaarde 'nachtcolleges' hing ik aan de lippen van de onvergetelijke C. A. A. Linssen (“Wanneer men u wekt en zegt: 'Hendrik IV', dan antwoordt u op slag: 'Gregorius VII'!”), maar zijn liefde voor de Middeleeuwen heeft hij helaas niet op mij kunnen overdragen.

Het is de contemporaine geschiedenis van Nederland en Duitsland die mijn aandacht krijgt en waaruit ik hier recente uitgaven signaleer die in elk geval míí hebben aangesproken. Uit de stroom boeken, ter gelegenheid van 'de vijftigste mei' verschenen, heb ik het meest opgestoken van 'De bevrijding van Nederland 1944-1945' (red. Christ Klep en Ben Schoenmaker; Sdu, ¿ 59,90). Een oerdegelijk werk, in de beste betekenis van het woord, waarin opvalt, dat - ná de capitulatie - Wehrmacht-eenheden een aantal bevoegdheden bleven houden en later in, de omstandigheden in aanmerking nemend, allesbehalve gedesillusioneerde staat naar hun land terugkeerden.

Vermoedelijk hadden deze soldaten - let wel: in het algemeen gesproken - ook heel wat minder op hun kerfstok dan hun wapenbroeders die in Rusland of op de Balkan hadden huisgehouden. Over hun misdadige terreur- en vergeldingsacties (die lange tijd vooral aan de SS werden toegeschreven) werden juist het afgelopen jaar enige onderzoeksresultaten bekend, waarvan het door Hannes Heer en Klaus Naumann geredigeerde 'Vernichtungskrieg - Verbrechen der Wehrmacht 1941 bis 1944' (Hamburger Edition, Hamburg, DM 68) de schokkende details bevat.

Welke boeken vielen nog meer op? Voor in de persgeschiedenis geïnteresseerden mag Hans Vermeulens monografie over wijlen De Maasbode worden genoemd ('De Maasbode - De bewogen geschiedenis van 'De beste courant van Nederland'; Waanders; ¿ 55). Recensenten hebben vooral het in 1940-45 niet bijster principiële karakter van dit blad belicht, wat naar mijn mening ook hun oordeel over het boek heeft beïnvloed. Dat biedt evenwel het boeiende verhaal over een typische 'roomse' krant, die aan de ene kant bij de clerus 'op schoot' zat, maar anderzijds ook boeiende figuren als Henri Kuijpers, Hyacinth Hermans, Jan Witlox en Piet Kasteel 'voortbracht'.

“Zolang er in Nederland een zingende gemeente is, zal hij blijven voortleven.” Ik heb geaarzeld of ik het vierde deel van het 'Biografisch Woordenboek van Nederland' (Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, ¿ 92) in mijn lijstje zou opnemen, omdat ik zelf in bescheiden mate aan deze verzameling mini-biografieën van driehonderd min of meer bekende vaderlanders heb mogen bijdragen. Toch doe ik het, ten eerste om de lemmata van de 154 andere auteurs onder de aandacht te brengen, maar bovenal als hommage aan de onlangs gestorven J. W. Schulte Nordholt, die met de eerste zin uit deze alinea zijn schets over collega-dichter Jan Wit (1914-1980) besluit. Ik moet me al sterk vergissen als het citaat niet ook voor Schulte Nordholt zelf opgaat.

Ook na het gereedkomen van zijn proefschrift over de bevindelijk-gereformeerden houdt Jan Zwemer zich nog met dit onderwerp bezig. In 'Het gevaar van het hellend vlak - De Gereformeerde Gemeenten en de SGP in historisch perspectief' (De Groot Goudriaan, ¿ 31,50) heeft hij artikelen over dit thema gebundeld. Ofschoon de 'zware' gereformeerde wereld niet de mijne is, boeien de studies over dit volksdeel mij uitermate, speciaal wat het contact met de 'wereld' betreft. Anders gezegd: worden de ramen opengezet of blijven ze vooralsnog dicht? De reacties vanuit kerk (Gereformeerde Gemeenten) en partij (SGP) op bijvoorbeeld de dissertaties van W. Fieret en Zwemer zèlf lijken op een blijvende voorkeur voor een gesloten 'binnenwereld' te wijzen.

Als mij een verblijf van een maand op een onbewoond eiland in het vooruitzicht werd gesteld, waarbij alleen 'enige boeken' als gezelschap zouden mogen dienen, dan zou ik hemel en aarde bewegen om in elk geval Puchingers magnum opus over de geschiedenis van de Nederlandse kabinetsformaties in Nederland te mogen meenemen.

Het laatste deel in deze trilogie verscheen nog geen twee jaar geleden ('Colijn en het einde van de coalitie - De geschiedenis van de kabinetsformaties 1933-1939'; Groen, ¿ 250,-). Niet alleen had ik dan misschien tijd om Puchingers hele, bijna 2700 pagina's tellende studie eindelijk eens integraal te lezen, maar bovendien zou er mogelijk gelegenheid bestaan om uit zijn rijke annotatie biografische miniaturen te vervaardigen, hoewel hij zelf uiteraard de eerst aangewezene is om die arbeid te verrichten.

Een zure criticus vond de talloze voetnoten 'doodzonde van al die bomen die ervoor gekapt zijn', maar onder meer dááraan ontleent dit monumentale werk zijn meerwaarde. Waar P. J. Oud in 'Het Jongste Verleden' nog weleens door een formele en 'gekleurde' bril op zijn tijd- en vakgenoten terugkijkt, wekt Puchinger de hoofdrolspelers uit zijn verhaal werkelijk tot leven. Bij hèm worden - juist door ogenschijnlijk weinig belangwekkende documenten of brieven - Colijn, Heemskerk, Lohman, De Visser, Ruijs, Nolens, koningin Wilhelmina en al die anderen tot mensen van vlees en bloed.

Illustratief is bijvoorbeeld de beschrijving van de kabinetsformatie van 1918 (in deel 1 uit 1969), die zich als een roman laat lezen, juist door het menselijke element erin: de persoonlijke voorkeuren van de koningin bij het zoeken naar de bewindslieden, de zakelijke belangen van Colijn, de invloed-achter-de-schermen van de oude Kuyper, de tact van Ruijs, de aanvechtingen bij Idenburg, de gevoeligheden rond Nolens (r.k. geestelijke!) en Heemskerk ('persona non grata' bij Wilhelmina), de onverwachte doktersverklaring van Van Nispen tot Sevenaer . . . Het moge ook de laatste sceptici ervan overtuigen dat dit Schatboeck veel meer biedt dan de titel doet vermoeden.

De menselijke factor in de geschiedenis is naar mijn overtuiging veel belangrijker dan allerlei wetmatigheden en relatieprocessen, die sommige historici bij Kleio hebben menen te kunnen vaststellen. Daarom wacht ik met smart op de in prenatale staat verkerende levensbeschrijvingen van Colijn en Heemskerk, op de 'definitieve' biografie over Friedrich Ebert, op het tweede deel van Bosmans' Romme-boek en op de briefwisseling Kuyper-Lohman. Die zullen hopelijk weer nieuwe impulsen verlenen aan de 'discussie zonder einde' die geschiedenis pleegt te zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden