'Met planten kan ik iedereen verslaan'

INTERVIEW | Piet Oudolf blies leven in het traditionele, decoratieve tuinontwerp. Natuurlijke, wild ogende beplanting maakte hem beroemd in Zweden, Engeland en de VS. Eind vorig jaar reikte koningin Máxima hem de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs uit.

De hoge hagen vallen meteen op tussen de weilanden in het buitengebied van Hummelo. Een hek en dan een oprijlaan voeren naar de boerderij van Piet en Anja Oudolf, omgeven door zacht wuivende stengels met grijze en bruine pluimen, kronkelende paadjes van robuuste sierstenen en perken waaruit het leven lijkt verdwenen. "We zijn tot voor kort druk geweest met snoeien. Nu is het even rustig, maar binnenkort begint het weer", lacht Anja, terwijl ze voorgaat naar een modern bijgebouw achter in de tuin. Hoog en strak, massieve houten deuren, binnen is het wonderlijk licht.

Piet Oudolf zit aan een lange sobere werktafel. Achter hem, onder het hoge raam, lage kasten vol rollen met schetsen en tekeningen. "Ik bewaar alles." In de hoek staat een tekentafel, verder een pc en een kast vol cd's. Kenners en recensenten vergelijken zijn werk vaak met muziek, beschrijven hem als een componist die zoekt naar harmonie en ritme.

Toch gaat het in de eerste plaats om kijken, zegt Oudolf zelf. Kijken naar de natuur, naar de omstandigheden, naar wat planten doen, hoe ze groeien en bloeien en hoe ze vergaan. Kunstkenner Joost Zwagerman vergeleek hem met de schilder Paul Klee, tijdens de feestelijke uitreiking van de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs door koningin Máxima, op 11 november vorig jaar in het Muziekgebouw aan 't IJ in Amsterdam.

Hij was wel 'een beetje beduusd' toen hij hoorde dat de prestigieuze prijs aan hem was toegekend. "Een cultuurprijs! En een goed bedrag ook. Zo'n prijs verwacht je niet in onze wereld. Ik weet wel wat we ervoor gedaan hebben, Anja en ik en al die mensen met wie ik heb samengewerkt; voor een nieuw boek over dertig jaar Hummelo heb ik me door mijn archief gewerkt, dat zit vol. Ik heb ook mooie buitenlandse prijzen gehad, op het gebied van landschapsarchitectuur en milieu, maar in Nederland viel het niet op."

Hoe dat kon? In Zweden, Engeland en de Verenigde Staten is Piet Oudolf immers beroemd. "In het buitenland word ik hoog aangeslagen. Ik raakte daar al snel aan het werk, maakte naam als de kweker met bijzondere planten die ook ontwerpt. Bovendien kennen die landen serieuze tuinbladen en krantenbijlagen over landschap en tuinieren, waar gespecialiseerde journalisten voor schrijven en die goed worden gelezen. De tuin is daar cultuur."

Nederland is geen groot tuinland, ondanks enkele beroemde tuinontwerpers zoals vader en zoon Zocher en Mien Ruys.

Eigenlijk rolde Oudolf er ook maar bij toeval in. Hij was voorbestemd voor het familiebedrijf, een horecazaak in Haarlem, maar koos eigenwijs voor andere baantjes. "Zo kwam ik in een tuincentrum te werken en ik vond het daar geweldig. Ik was gek op planten. Dat moet ergens diep in me hebben gezeten." Daarom begon hij een ontwerpbureautje. "Ik wist nog niet wat ik ermee wilde, maar ik vond het mooi en ging aan de slag. Ik wilde veel weten, dus ik deed allerlei bijscholingen, terwijl Anja werkte in de zaak van mijn moeder."

In 1982 besloot het stel de gok te wagen en in Hummelo een kwekerij op te zetten. "Ik was 37, we hadden twee kleine kinderen en genoeg geld om het een jaar uit te houden." Anja maakte geen bezwaar. "Ze is nog steeds gek op me, had vertrouwen in wat ik deed."

De Achterhoek was nieuw, de jongens en meisjes die kwamen werken op de kwekerij verstond hij niet. "Terugkijkend weet ik wel wat er allemaal fout had kunnen gaan, maar toen kon er voor mijn gevoel niks misgaan. In Haarlem was ik klaar, hier lag mijn toekomst. Ik maakte veel reizen, naar Engeland, de bakermat van het tuinieren, en naar kwekerijen in Duitsland, altijd op zoek naar bijzondere planten."

Zo bouwde hij een collectie op die steeds meer belangstelling trok. "Van heinde en verre kwamen mensen hier naar toe voor de planten." Met zijn plantenkeuze, waarin vooral de siergrassen opvielen, legde Oudolf meteen al een eigen accent. "We keken naar de tuincultuur met zijn dogma's en lijstjes: wat je in maart moet doen, in mei, in november. Als een plant dood gaat koop je een nieuwe en als hij niet bevalt snoei je hem terug. Alles draaide om decoratie, om bloeiende kleuren. Ik wilde iets anders."

Hij haast zich om te zeggen dat er niks mis is met de decoratieve tuinontwerpen die vooral in Engeland de cultuur bepalen. "Techniek is heel belangrijk en die trok me ook aan in het Engelse tuinieren. Ik respecteer het vakmanschap, maar ik koos zelf voor meer avontuur. Vrijheid. Als iemand afrikaantjes in de tuin wilde hebben moest ie dat doen zonder op de vingers te worden getikt. Het gaat mij niet om specifieke planten, maar om het samenbrengen van een hoeveelheid plantensoorten tot één geheel. Daarin spelen alle planten inclusief bomen en heesters een rol."

Zaden uit Moskou en Japan
Met zijn planten trok Oudolf de aandacht van mensen uit de natuurwereld. "Die zeiden: 'het lijkt wel wild'. Daarin zag ik een opening naar meer vrijheid. Wilde tuinen waren toen, in de jaren zeventig, al een rage, maar de meeste experimenten mislukten omdat er niet over was nagedacht. Ontwerpen heeft te maken met controle. Ik had contacten met botanische tuinen en die zorgden dat ik zaden kreeg uit Moskou en Japan. Niet alle planten die daaruit voortkwamen voldeden aan wat ik zocht, maar uit wat overbleef ontstond onze stijl, wild en toch gecontroleerd."

De kwekerij werd een voorbeeld, waarover in tuinbladen werd geschreven. "Het was nieuw dat je wat anders kon laten zien dan een tuin met een bankje." Oudolf ontwierp voor architect Piet Boon en ander kleine opdrachtgevers, Anja bestierde de tuin. "Het boek 'Droomplanten, de nieuwe generatie tuinplanten', dat ik schreef met Henk Gerritsen, zorgde voor een doorbraak. Ik werd uitgenodigd voor een lezing in Zweden en kreeg van de stad Enköping met het Droompark mijn eerste grote opdracht voor de openbare ruimte."

Daarna ging het snel. Chicago vroeg hem mee te dingen naar een opdracht voor een tuin in het Millennium Park. "Aanvankelijk dacht ik dat ik niet tegen de grote architectuurnamen op zou kunnen, maar ze zeiden dat de planten veel belangrijker waren dan de infrastructuur. Met mijn planten kan ik ze allemaal verslaan, dacht ik. Uiteindelijk heb ik de Lurie Garden ontworpen met landschapsarchitecten Gustafson Guthrie Nichol."

Een paar maanden na de aanslag van 11 september 2001 op de Twin Towers kwam er een fax binnen uit New York: of Oudorp de Gardens of Remembrance in The Battery Park wilde ontwerpen. "Ik wilde weten of er een landschapsarchitect bij betrokken was, maar dat was niet het geval. Ik was nog nooit in New York geweest, maar de opgave was niet zo groot, een overzichtelijke strook aan de Hudson. Ja dat kon ik. Maar ik ben er nu nog mee bezig. Een gebouw is af maar een tuin moet je onderhouden. Je creëert iets dat je aan anderen moet overdragen, een tuin is nooit af. Bij grote projecten ga ik na een jaar of twee terug voor een evaluatie. Vorig jaar was ik acht keer in New York, waar ik ook de beplanting heb ontworpen van de High Line, een 2,5 kilometer lang park op een oude goederenspoorlijn dat alleen toegankelijk is voor voetgangers."

Zo werd Oudolf van kweker die ontwerpt uiteindelijk landschapsontwerper of zelfs natuurkunstenaar, zoals sommigen hem noemen. Hij nadert de 70, maar denkt niet aan stoppen. "Ik blijf me ontwikkelen. Het dynamische, het vluchtige van een tuin, dat blijft bijzonder. Als je volgende week terugkomt is het anders en daarna weer anders zodat je nog eens terugkomt. Ik vind het afsterven van planten net zo belangrijk als het weer terugkomen, elk moment van de cyclus, elk seizoen heeft zijn eigen waarde. Twintig jaar geleden zou ik een plant die plat lag niet zomaar laten liggen, nu ben ik in een fase dat ik de dingen langer hun gang laat gaan. Het ecologische aspect is belangrijker dan voorheen. Bij mijn werk gaat het om samenhang, ritme, schaal en leesbaarheid. Het is een performance in de tijd."

Piet Oudolf Groen in de Buurt Fonds
Groen staat altijd hoog in het verlangen van mensen, zegt Piet Oudolf. Er is al genoeg steen. Hij koos daarom voor Groen in de Buurt als het eigen goede doel dat hij als prijswinnaar van het Prins Bernhard Cultuurfonds mocht instellen. Aan de prijs is een geldbedrag van 75.000 euro verbonden. Daarnaast is er voor het nieuwe fonds nog eens een startkapitaal van 75.000 euro. "We zijn nu de eerste aanvragen aan het beoordelen. Het is leuk als het gaat om meer dan een paar stoeptegels die eruit mogen, maar de projecten moeten wel een bepaalde maat hebben. Vrijwilligers zijn er bij dit soort projecten genoeg, dus het geld gaat naar een plan van aanpak of de aankoop van planten, zaden en ander gewenst materiaal. Planten doen iets met mensen." Voor Oudolf zelf staat dit jaar vooral in het teken van openingen. Zo gaat het laatste gedeelte van het Olympisch Park in Londen open en in het voorjaar begint de beplanting van de door hem ontworpen Vlinderhof in het Máximapark in Utrecht. Elders in Nederland is de hand van Oudolf nu al te zien in het Gustav Mahlerplein in Amsterdam, bij de ingang van de botanische tuin op de Uithof in Utrecht, op het Leuvehoofd, de Boompjeskade en de Westerkade van de Maasoevers in Rotterdam en in zijn eigen tuin en kwekerij aan de Broekstraat in Hummelo.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden