Met Pa Watti viel niet te spotten

Voor zijn eigen kinderen was hij een veeleisende maar toegewijde vader. Als 'Pa Watti' hielp hij Surinaamse jongens hun weg vinden in Nederland.

Schoenen waren een obsessie voor hem. Urenlang kon hij ze poetsen en vertroetelen. In zijn jonge jaren was hij zelfs van huis weggelopen vanwege een ruzie om een paar schoenen. Sindsdien waren zijn voeten altijd in piekfijn leer gehuld, in oorlog of in vrede. Aan het eind van zijn leven zagen bezoekers aan zijn schoenen dat het slecht met hem ging. Ze stonden niet langer in strikte rijen op de gang en het leer werd dof.

Willy Watson was een Pietje Precies. Niet alleen met schoenen, ook met eten. Hij at nooit bij een ander, nog geen koekje. Alleen wat hij zelf had bereid doorstond zijn kritische tong. Hij was gedisciplineerd, en dat eiste hij ook van anderen. Je kon hem ook lastig noemen, een man met een gebruiksaanwijzing. Maar wie zijn nukken aanvaardde, die liep met hem weg.

Want hij was ook vriendelijk, vaderlijk, hulpvaardig en een voorbeeld voor menig jonge Surinamer die de weg kwijt was in het Nederlandse leven. Voor velen was hij Pa Watti, een man die ze nooit zouden vergeten. Met zijn levensverhaal inspireerde hij jongeren om zichzelf op een goed spoor te zetten.

William Frederik Watson werd geboren in het dorp Onoribo in het Surinaamse district Para ten zuiden van Paramaribo. De mensen leefden daar van wat hun land opbracht aan cassave en bananen. Mogelijk heeft Willy zijn vader niet of nauwelijks gekend. Zijn moeder overleed jong. Hij werd ondergebracht bij een strenge tante en hij voelde zich stiefmoederlijk behandeld. Het kwam tot een uitbarsting toen hij, een jaar of zeventien oud, heilige communie zou doen. Tante had goedkope gympies voor hem gekocht, maar Willy wilde nette schoenen bij zijn beste kleren. En hij liep van huis weg.

Na wat losse baantjes vond hij werk bij de Amerikaanse militairen die op vliegveld Zanderij waren gelegerd voor de bescherming van de bauxietmijnen die essentieel waren voor de bouw van gevechtsvliegtuigen. Willy werd water boy, ofwel manusje-van-alles. Dat militaire leven beviel hem, want hij meldde zich voor de Nederlandse infanterie in Suriname. Begin 1942 tekende hij voor uitzending naar Nederlands-Indië en in 1944 vertrokken de Surinaamse vrijwilligers naar de andere kant van de wereld voor de strijd tegen Japan. Aan boord van het Amerikaanse schip werd gemokt over het eten en Willy bood aan om te koken. Hij werd hulpkok en daarmee begon een lange loopbaan als kok die hem over de hele wereld bracht. In Australië werd hij ingedeeld bij de luchtmacht.

Toen Japan was verslagen en de Nederlandse troepen hun geschut richtten op een nieuwe vijand, de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging, hield Willy het voor gezien. Na zijn demobilisatie in Paramaribo in 1947 werd hij leerling-monteur en draglinebestuurder bij het mijnbouwbedrijf Billiton.

Vier jaar later keerde hij terug in militaire dienst en vertrok als kok naar Korea, waar Nederlandse troepen onder de vlag van de Verenigde Naties tegen de communisten vochten. In die tijd trouwde hij ook, 'met de handschoen' zoals dat heette. Want zijn meisje, Johanna (Jopie) Williamson, zat in Suriname. Het zou nog een tijd duren voordat ze samen zouden zijn. In 1955 werd het eerste van hun vier kinderen geboren.

Willy kookte voor de generale staf in Den Haag en maakte indruk. Hij werd menigmaal uitgezonden naar Suriname om voor hoge gasten, zoals prinsen en prinsessen te koken. Surinaams, Indisch of Europees, Willy kookte in alle stijlen. In 1957 bleef hij in Suriname, bij de Nederlandse troepenmacht.

Zijn kinderen waren alles voor hem, maar hij was ook streng voor ze. Ze mochten nooit bij vriendjes op het erf spelen, alleen thuis. Hij zag erop toe dat ze hun best deden op school. "Je diploma is je eerste man", hield hij zijn dochters voor. En hij poetste hun schoenen, net zo precies als zijn eigen schoeisel. Als militair had hij ook geleerd te strijken, veel beter dan zijn vrouw kon, vond hij, dus deed hij alle strijkwerk.

Als de kinderen bij een tante op bezoek moesten, dan zinde hem dat niet. Dan sprak hij met de kinderen af dat ze allemaal moesten gaan huilen, zodra hij buiten een deuntje floot. De kinderen deden dat en lieten zich graag ophalen door vader die 'toevallig' in de buurt was.

Hij was ook jaloers. Zijn vrouw mocht op feestjes met niemand praten of dansen, anders was het bonje. Maar waarschijnlijk had Jopie meer reden dan hij om jaloers te zijn. Willy had ook kinderen bij andere vrouwen, zelfs in Amerika. Anders dan menig Caribische man zorgde Willy voor al die kinderen en later heeft hij ze ook met elkaar in contact gebracht.

Eind 1965 nam hij ontslag uit militaire dienst, want hij had een bloedhekel aan de Nederlandse bevelhebber Yngwe Elstak. Hij had een reeks van banen, bij Hotel Torarica en bij verscheidene bedrijven. Hij trok ook weer de wereld in, als kok bij de Surinaamse Scheepvaart Maatschappij.

Zijn huwelijk met Jopie liep spaak en hij vertrok in 1970 naar Nederland, waar hij ging koken in het Psychiatrisch Ziekenhuis Bloemendaal. Hij bleef toeziend voogd van de kinderen. "Als er iets met de kinderen gebeurt, dan kom ik je vermoorden", dreigde hij. Jopie wist dat hij dat meende en liet de kinderen nooit alleen. Zelfs op feestjes sjouwde ze de kinderen mee.

In 1975 solliciteerde hij op wat hij later zou aanduiden als "mijn mooiste en dankbaarste baan in de burgermaatschappij": kok in een internaat voor Surinaamse jongeren in De Bilt. Suriname was onafhankelijk geworden en de helft van de bevolking had voor Nederland gekozen. Maar heel wat Surinaamse jongens konden hun draai niet vinden in Nederland. Jongens die vastgelopen waren konden in scholing- en vormingscentrum Berkenhoven terecht. Ze waren er vrijwillig, vijf dagen per week.

Willy Watson werd er veel meer dan een kok. Als de jongens zich bij hem meldden voor keukencorvee, dan nam hij ze meteen flink onderhanden. Ook al was hij streng en onverbiddelijk, hij wist hun vertrouwen te winnen. "Je bent hier voor je toekomst en we gaan er iets moois van maken", zei hij tegen de jongens. In het kantoorhokje naast de keuken konden ze altijd terecht. Als ze zich in het weekeinde misdroegen, dan had Willy dat via zijn contacten in de Surinaamse gemeenschap al gehoord als ze op zondagavond terugkwamen in het centrum. Hij kon dan flink tekeer gaan in het Surinaams. Als ze zich om zeven uur 's morgens nog eens lekker omdraaiden in bed (het waren veelal nachtmensen geweest) en ze hoorden Pa Watti aankomen, dan stonden ze in een mum van tijd onder de douche.

Ook mensen van buiten kwamen graag met Willy praten in het kantoortje. Het hoofd van de huishoudelijke dienst trok zich dan discreet terug. Directeur Carmelita van Wijngaarden liet al die aanloop maar komen, want Willy deed zijn werk goed, en veel meer dan dat. Als 'Pa Watti' werd hij de spil van het centrum. Zij is hem uit respect altijd 'meneer Watson' blijven noemen, hoewel iedereen in het centrum elkaar bij de voornaam noemde. Hij noemde haar 'Biggie Missie', ook uit respect.

Pa Watti bemoeide zich met alles en iedereen. Maar anderen moesten zich niet met zijn werk bemoeien. Aan menu-planning en budgetten deed hij niet. Als er klachten waren dat hij te duur kookte, dan was zijn antwoord: "Mijn jongens hebben dat nodig."

Op foto's uit die tijd zit hij, keurig gekleed met een das, temidden van een grote groep nors kijkende jongens met wijd uitstaande afro-kapsels. Met sommige van die jongens had hij dertig jaar later nog contact. Bij het tienjarig bestaan van Berkenhoven kreeg Pa Watti een koninklijke onderscheiding. Hij was er trots op.

Medio jaren tachtig ging Willy Watson zich inzetten voor officiële waardering voor de offers die Surinaamse militairen hebben gebracht in de tweede wereldoorlog en de Koreaanse oorlog. Tot zijn dood was hij de drijvende kracht achter de stichting Recreatie Oorlogsveteranen Surinamers. Dankzij zijn inspanningen wordt de Surinaamse regering sinds 2000 weer uitgenodigd voor de plechtigheid op 4 mei op de Dam. Zelf stond William Watson daar ook altijd.

Toen hij erge last van zijn benen kreeg kon hij zijn mooie schoenen niet langer dragen. Met moeite vond hij een orthopedische schoen die er nog een beetje uitzag. Hij werd gedotterd en kreeg bypasses in zijn benen. Maar het hielp niet. Er moest een been worden geamputeerd. "Ik ga niet met één been over straat", zei hij vastbesloten. "Het is afgelopen." Willy Watson was onverzettelijk, tot het einde.

William Frederik Watson werd geboren op 17 november 1923 in het district Para, Suriname. Hij stierf in Amsterdam op 13 juni 2011.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden