Met oordoppen op het podium

Popmuzikanten hebben de naam, maar in werkelijkheid hebben vooral klassieke musici er zwaarder onder te lijden: gehoorproblemen door het lawaai waarin ze werken. De sector maakte vorige week vrijwillige afspraken om zachter te gaan spelen. die afspraken gaan volgens artsen lang niet ver genoeg.

Beroepsmusici gaan niet graag naar een oorspecialist, zegt KNO-arts B. Glazenburg van het Bronovo-ziekenhuis in Den Haag. ,,Als we hier in onze maatschap vijfmaal per jaar een orkestmusicus krijgen, is het veel. Meestal zijn dat strijkers. Zij zitten in het orkest net voor de blazers, en zijn daar dus de dupe van.''

Musici hóeven niet naar de oorarts te komen. Er is in Nederland -als enige Europese land- geen Arbo-wetgeving die ze ertoe verplicht. En vrijwillig je gehoor laten testen, tja. ,,Gehoorschade ligt voor een musicus gevoelig. Het raakt aan de kern van hun bestaan'', zegt KNO-arts Glazenburg. ,,Beroepsmusici gaan zelfs niet naar de dokter wanneer ze al schade hebben opgelopen''.

Alleen wie als beroepsmusicus onaantastbaar beroemd is, kan dus hardop toegeven dat z'n oren iets mankeren. Meestal zijn dat popmusici. Pete Townshend, de sologitarist van popgroep The Who, waagde zich al jaren niet meer aan live-optredens voor hij bekend maakte waarom: hij heeft last van tinnitus, de medische term voor gefluit en gebrom in je oren. Oorzaak: Townshend had te vaak in te hevig lawaai gestaan.

Arnold Mühren, de bassist van de Cats en de baas van Studio Arnold Mühren in Volendam, heeft dat sinds twee decennia ook, in beide oren. Hij hoort permanent een ruis. Sindsdien kan hij niet meer als geluidstechnicus in zijn eigen studio werken. De boekhouding doen, de zaak draaiende houden, dat gaat nog altijd uitstekend. Maar muziekopnames maken gaat niet meer. ,,Dat is zacht gezegd heel vervelend''.

Gehoorverlies, tinnitus, dezelfde toon met het ene oor anders (hoger of lager) horen dan met het andere, of overgevoeligheid voor geluid, dat zijn een paar kwalen die de oren van de beroepsmusicus bedreigen. Je loopt ze op wanneer je te lang en te vaak aan te veel lawaai blootstaat.

Dankzij nieuwe Europese regels wordt de norm voor lawaai op het werk vanaf 2006 strenger: de uiterste grens, nu nog 90 decibel, ligt dan op 87. Decibels zijn een logaritmische maat. 'Drie punten minder' komt in de praktijk neer op: 'half zo hard'. Musici, voor wie geluid produceren geen onbedoeld neveneffect van het beroep is maar de kern van de zaak, krijgen tot 2008 uitstel. Maar dan moeten ook zij eraan geloven.

Binnen Nederland bestaan nog ingrijpender plannen. Vorige week maakte de sector vrijwillige afspraken om gehoorschade te beperken. Volgens dit convenant (tussen vakbonden, werkgevers en het ministerie van sociale zaken) moeten in de klassieke muziek concerten over drie jaar gemiddeld 5 decibel zachter zijn. Geluid harder dan 80 decibel mag nog maar half zo vaak voorkomen als nu. Ook moet er onderzoek komen welke gehoorbeschermers een orkest kan gebruiken, en hoe je podia zo verbouwt dat de achterste altviolen niet langer met hun oor in de kelk van de trombones zitten.

,,Ha! We gaan dus wéér opnieuw onderzoek doen! Fijn voor TNO, en voor ingenieursbureaus die gespecialiseerd zijn in geluid. Kunnen die het wiel, à raison van enkele miljoenen euro's aan onderzoekskosten, weer opnieuw uitvinden. En fijn ook voor de ambtenaren van sociale zaken: kunnen die weer een paar jaar vooruit met vergaderen'', sneert de Haagse bedrijfsarts Olaf van Hees. Hij is een van de meest gezaghebbende deskundigen op het gebied van gehoorschade bij musici.

Van Hees promoveerde in 1991 op 'Gehoorafwijkingen bij musici' -in Nederland het standaardwerk over de belasting die klassieke muzikanten-oren moeten verduren. Hij achtervolgde twee orkesten -het Residentie Orkest en een militaire kapel- in verschillende concertzalen en bij verschillend repertoire met decibelmeters. Van een Schubert-symfonie hebben oren minder te lijden (piek bij 102 dB) dan van een Vermeulen-symfonie (piek bij 104 dB), en het zelfde muziekstuk klinkt in de Stadsgehoorzaal in Leiden (102 dB) flink harder dan in de grote zaal van het Congresgebouw in Den Haag (99 dB), meette hij. Zoals hij ook vaststelde dat de oren van een cellist aan de rand van het podium minder worden belast (95 dB) dan die van een altviolist, fluitist of violist die vóór de trombones zit (104 dB).

,,Maar de kern van de zaak zijn niet de getallen achter de komma'', zegt Van Hees. ,,De conclusie was, toen al: orkesten spelen gewoon te hard. En niet een beetje, maar véél te hard''.

Wilbert Scheifes, altviolist bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest, haalt uit een etuitje in zijn tas twee kunststof oordoppen, op maat gegoten. Ze hebben verwisselbare filters. Er zitten nu filters in die van alle frequenties tien decibel afhalen. Er zijn ook zwaardere filters. Maar dan hoor je geen nuances meer, vindt Scheifes.

De laatste keer dat hij zijn oordoppen tijdens een concert gebruikte is alweer een paar maanden geleden, bij een stuk van Sjostakovitsj. Vanmiddag, tijdens een lunchconcert met een Haydn-sympfonie, laat hij ze uit. Voor Haydn heb je geen oordoppen nodig.

Deskundige Van Hees heeft groot gelijk, vindt altviolist Willem Scheifes. Jazeker, sinds diens onderzoek is voldoende duidelijk dat orkestmusici te veel herrie aan hun kop hebben. Maar anders dan Van Hees vindt Scheifes dat convenant van vorige week daarom nog geen lachertje. Integendeel, het is een zegen dat de afspraken er nu eindelijk zijn. ,,Voor het eerst hebben we een kapstok. Voor het eerst is er een overeenkomst waarop we orkestdirecties kunnen afrekenen. Voor het eerst hoeft niet elke musicus individueel z'n nek uit te steken''.

Het bewustzijn dat teveel geluid schadelijk is staat in de klassieke muziek nog maar in de kinderschoenen, zegt Scheifes, die in de kunstenbond FNV-Kiem voorzitter is van de vakgroep klassieke muziek -en dus betrokken is bij het convenant. ,,In verschillende orkesten zie je er langzaamaan enig besef van ontstaan. Het ene orkest deelt oordoppen uit. Het andere brengt geluidsschotten aan, het derde orkest zet de musici een beetje verder uiteen of schept op de podia hoogteverschillen, zodat het te harde geluid over je heen gaat. Maar nergens is een integrale aanpak.''

Musici erkennen bovendien niet graag dat ze iets aan hun oren hebben, zegt Scheifes. ,,Sinds kort kan het Rotterdamse orkestpersoneel een gehoortest laten doen. Wat blijkt: slechts drie op de tien orkestleden laat zich testen. De rest niet. Beginners denken: het zal mij niet overkomen. Wie boven de vijftig is heeft het toch al zo moeilijk en wil om die reden niet weten of er misschien iets mis is.'' Toen Scheifes geluidsschermen wilde gebruiken bij de repetities van zijn orkest, kreeg hij van collega's het verwijt dat hij ,,onartistiek'' bezig was.

Bij zoveel koudwatervrees onder musici zelf, is het niet verbazend dat orkestdirecties na Van Hees' uitvoerige inventarisatie niet tot daden overgingen. Scheifes: ,,Het eerste, grootste belang dat een orkestdirectie ziet is: hoe klinkt het in de zaal? Al het andere is minder belangrijk''.

Deskunidge Van Hees: ,,De situatie in orkesten is heel eenvoudig. Orkesten spelen in 19de eeuwse zalen, 19de eeuws repertoire, onder 19de eeuwse omstandigheden, geleid door 19de eeuws management. De dirigent is God Zelf. Als die zegt: 'Oordoppen uit', dan gaan ze uit. Als een dirigent zegt: 'Geen schotten', dan komen die er niet.''

Niet dat schotten werkelijk helpen, overigens. Ook dat is namelijk allang uitgezocht. ,,Wanneer je drie dingen tegelijk doet: je zet de strijkers op minstens vijf meter afstand van de blazers, èn je gebruikt schotten, èn je hangt baffles op -absorberende panelen- dan win je zeven tot tien decibel. Niet genoeg, dus. Het podium dertig centimeter groter maken helpt ook niet. Er is een podium zo groot als een voetbalveld nodig voor je op 87 decibel uitkomt''.

Dan hebben ze het in de versterkte muziek -pop, jazz- gemakkelijker. Ook voor die muzieksectoren gelden vanaf 2006 de strengere Europese geluidsnormen. Maar volgens ex-Catsbassist Arnold Mühren is het besef dat je gehoor het waard is om beschermd te worden, daar al aardig aan het inburgeren. ,,Je wordt onderhand niet meer als een lullo gezien als je je over je oren zorgen maakt.''

De oren van musici in de lichte popmuziek zijn op dit moment het best beschermd. Dat is min of meer toeval, een neveneffect van iets anders: de opkomst van de in-ear monitors, oordopjes waarmee de musici zichzelf en elkaar kunnen horen spelen. De dopjes worden gebruikt om muzikale redenen. Mühren: ,,Marco Borsato was er bijvoorbeeld vroeg mee. Zijn manier van zingen op het podium heeft een intimiteit die vroeger alleen in de studio mogelijk was, en de in-ear plugs dragen daaraan bij. Het bijkomstige voordeel voor je oren is dat die niet meer van die grote piekbelasting te verduren krijgen.'' Maar, het is duur. Er is een aparte functionaris nodig, die voor elke muzikant een eigen podiumgeluid regelt.

Elcea, leverancier van in ear-installaties, ziet wel mogelijkheden voor klassieke orkesten. ,,De plug dekt het geluid af dat je niet wilt horen, en de elektronica in de plug zorgt dat je precies hoort wat je wèl wilt horen. Zo werken René Froger, Rob de Nijs, en alle grote showorkesten. Ik zie niet in waarom klassieke orkesten dat niet zouden kunnen''.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden