Met je hoofd in de cloud

Kunstmatige middelen veranderen onze menselijke natuur. Al heel lang ervaren we technische hulpstukken als een soort lichaamsdeel. Nu is ook de smartphone onderdeel van onze geest.

Coen Simon (1972) is filosoof. Hij publiceert regelmatig in Trouw. Met 'En toen wisten we alles', won hij de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofische boek van 2011.

In het huis van mijn nicht en neefje die op dezelfde judoclub zaten als ik, was boven de kinderkapstok een kartonnen A3-kaart geprikt, waarop alle houdgrepen en worpen stonden die ik voor m'n diploma's moesten kennen. Het beeld schoot me weer te binnen toen ik mijn oudste zoon hielp bij het aantrekken van een judopak voor zijn proefles. Door het zachte, stevige katoen van het pak, de geur van gymzaal en mat besefte ik al dertig jaar geen gebruik meer te hebben gemaakt van de judotechnieken die ik me gedurende vele zaterdagochtenden eigen had gemaakt. Waar waren al die tijd de houdgrepen, schouderworpen en veegtechnieken gebleven? Het indraaien, instappen, haken, tillen en het uitrekken tot op je tenen. Zat het nog in me?

Een mens zit vol ingelijfde techniek. In mijn geval zijn dat behalve die van judo ook de techniek van het fietsen, autorijden, accordeon- en gitaarspelen, tangodansen, schaatsen, koffiezetten, drummen, lezen, schrijven, typen. Maar ook tv-kijken is een techniek die we ons eerst eigen moeten maken. Ik werd daar telkens aan herinnerd als onze kinderen net konden staan en met hun kleine handjes de televisie opzijtrokken om te kijken waar Nijntje heen liep zodra ze uit beeld verdween. Mijn dochter, de oudste van de drie, is geboren vóór het bestaan van de iPhone en heeft als enige niet geprobeerd om televisiebeelden te swipen.

Kinderen maken je eigenlijk voortdurend bewust van de vele technieken die je gebruikt, hoezeer je ze hebt verfijnd, waardoor je nu gedachteloos een kraan opendraait, je haren kamt en je veters strikt. Voor de techniek van het aankleden is jarenlange oefening vereist. Je kunt je natuurlijk afvragen of techniek niet een heel erg opgerekt begrip wordt als we daar ook aankleden onder scharen, alleen maar omdat we het pas na enige oefening onder de knie krijgen. Bovendien zijn we er eerst gewoonweg niet toe in staat. Zodra het brein en de motoriek zich een beetje hebben ontwikkeld, wordt aankleden een koud kunstje. Ademhalen noemen we toch ook geen techniek? Hoewel, je hebt ze wel, ademhalingstechnieken. Voor zang, spraak, tegen stress, om ballonnen op te blazen of om te kunnen roken. Wanneer wordt vanzelfsprekend menselijk gedrag een technische vaardigheid? Waar gaat onze natuur over in een kunstgreep?

'Techniek' roept in eerste instantie vooral associaties op met metalen constructies, ijzeren mechanieken en elektrische bedrading. We zien schroevendraaiers, hijskranen, sissende of ronkende machines voor ons. Techniek als de modernisering van het ambacht. Bij computers en digitale systemen hebben we het eerder over technologie, om onderscheid te maken met de meer ambachtelijke techniek. Technologie dicht een apparaat of een systeem een zekere intelligentie toe, zoals de sociale media, de tablet, de zelfrijdende auto, de Google-bril, maar vooral ook de slimme digitale systemen die veel van deze apparaten mogelijk maken: gps, web 2.0, opslag- en besturingssystemen, zoekmachines. Bovendien staat een technologisch product, anders dan een traditionele techniek, vrijwel altijd in verbinding met andere technologie. Maar voor beide culturele verschijningsvormen geldt dat we erover spreken als uitwendige instrumenten, als middelen om een doel mee te bereiken.

Het verplaatsen van een vracht of een boodschap bijvoorbeeld, het opslaan van de oogst, of de bevordering van rijkdom, gemak, gezondheid, genot of macht. We zien daarbij het kunstmatige middel als een uitbreiding van onze mogelijkheden, zonder dat het onze menselijke natuur zelf verandert.

Dat is een lelijke misvatting, want onze aanwezigheid in de wereld wordt altijd mogelijk gemaakt door kunstmatige middelen - die we zelfs als onderdeel van ons lichaam ervaren. Zo schatten we de meeste afstanden niet als loopafstand in, maar eerder hoe we hem fietsend, met de tram of de auto overbruggen. We denken en bewegen met deze technieken alsof ze lichaamseigen zijn. Zoals we ook kunnen zeggen 'ik sta daar' als we het over onze geparkeerde auto hebben.

We zijn niet pas sinds de supercomputer, de pacemaker, de kunstheup of de bril een cyborg: half mens, half machine. Vanaf de eerste stok die werd opgeraapt om mee te slaan werd techniek onze tweede natuur. Zo worden we bij iedere nieuwe techniek ook echt een ander mens, in een andere wereld. We zijn zo goed in het toe-eigenen van middelen dat we vergeten dat niets onmiddellijk gaat. Zelfs onze directe ervaringen niet. Wie slecht heeft geslapen, merkt dat zijn anders zo onmiddellijk functionerende lichaam een middel is, een haperend middel in dat geval.

Maar ook de gewone technische middelen verliezen op den duur zomaar hun vanzelfsprekende onmiddellijkheid; zodra er een nieuwe versie op de markt komt, noemen we de voorganger prompt 'oude media'. De videorecorder is zo'n medium dat zijn magie heeft verloren. Dit middel bemiddelt voor ons gevoel niet meer, maar staat in zijn traagheid tussen ons en de werkelijkheid in. De nieuwe media laten ons live en realtime toe tot de echte wereld. Althans zo ervaren we dat nu, maar de eerste signalen van hun veroudering ondervond ik laatst al toen ik op een plaatje een vogel zag die ik niet kende. Ik greep gedachteloos naar mijn iPhone, blijkbaar in de vooronderstelling dat ik het apparaat er maar op hoefde te richten om meteen alle informatie over de vogel te krijgen.

Hoewel elke techniek een efficiënter bereik van een doel op het oog heeft - meestal het reduceren van afstand in tijd en ruimte - zijn de onbedoelde bijeffecten van nieuwe techniek soms veel ingrijpender. Dat we door de iPhone op ieder moment bij vrijwel alle informatie kunnen heeft ontegenzeggelijk invloed op hoe we ons geheugen gebruiken, maar ook op hoe we een gesprek voeren. Zelfs als je je smartphone in je broekzak laat begeef je je nog altijd in de nieuwe sfeer van de mogelijkheid om alles te googelen.

Omdat nieuwe technieken onbedoeld een gedaanteverandering van onze wereld en onze 'natuur' inzetten, bereiken ze nooit helemaal het oorspronkelijke doel, maar raken we verzeild in een nieuwe wereld met weer nieuwe lonkende bestemmingen die we in onze nabijheid willen krijgen. En met de technische ontwikkelingen die elkaar sinds de industriële revolutie steeds sneller zijn gaan opvolgen lijkt deze paradox vandaag de dag op de spits gedreven. "Alle afstanden in tijd en ruimte krimpen in", merkte Martin Heidegger in de jaren vijftig op. "Waar de mens vroeger weken en maanden deed om ergens te komen, daar geraakt hij nu met het vliegtuig in één nacht." Heidegger wierp een welhaast profetische blik op het digitale tijdperk waarin we meer dan zestig jaar later terecht zijn gekomen. Want al hebben de digitale middelen de afstand tussen wil en wens haast tot een onmiddellijke realiteit gebracht, "dit haastige opheffen van alle afstanden brengt geen nabijheid".

Op televisie zag ik onlangs een fragment van de Britse serie 'Black Mirror', die speelt in de zeer nabije toekomst. De technologische mogelijkheden zijn maar net iets verder doorgetrokken dan in onze realiteit, waardoor je niet het gevoel hebt naar sciencefiction te kijken, maar gewoon naar onze wereld en dan een fractie gedraaid. Het dramatische verschil van zo'n kleine verschuiving werd voelbaar in de scène waarin een man zijn vrouw beschuldigt van flirten met een ander tijdens een dineetje waar ze samen waren. Hij ondersteunt zijn beschuldiging met de beelden die hij van het etentje heeft, vastgelegd door de chip die hij (zoals iedereen) in zijn ogen heeft. En inderdaad, "dit haastige opheffen van alle afstanden brengt geen nabijheid".

De argumenten van het ruziënde stel verplaatsten zich alleen maar van het gelijk krijgen over wie wat gezegd of gedaan heeft, naar hoe woorden en gebaren geïnterpreteerd moeten worden. Wat deze sciencefiction toont is dat de wereld vooral heel veel verandert onder invloed van nieuwe technologie, maar dat de controle op ons leven geen stap naderbij komt.

Dat we een dergelijke metamorfose van de nieuwe technologie lange tijd over het hoofd hebben gezien, merkte ik toen mijn oudste zoon onlangs ziek thuis was. We keken samen naar een jeugdfilm over de vriendschap tussen een jongen en een robot. Uit mijn studietijd herinnerde ik me ineens het felle debat dat sinds de jaren tachtig in de filosofie woedde over de vraag of computers kunnen denken.

Natuurlijk kan dat, zei Daniel Dennett (zie Letter&Geest 12/1, 'Mens en robot verschillen niet zoveel'). John Searle bestreed dat. Volgens hem was een zelflerende intelligentie zonder een biologische kern niet mogelijk. Dennett betoogde dat robots en mensen allebei opgebouwd zijn uit cellen en onderdelen die afzonderlijk niet kunnen denken, maar als 'megamachine' wel.

Anders dan theoreticus Searle doet Dennett al jarenlang experimenteel onderzoek door het bouwen van robots die hij net als een mens gedrag aanleert. Zijn nieuwste robot Atlas tilt inmiddels, nadat hij een flinke duw heeft gehad, zijn arm omhoog om zijn wankele evenwicht te bewaren. Searle heeft de lachers op zijn hand en hoeft zich voorlopig uit de hoek van de robotica geen zorgen te maken dat de werkelijkheid zijn argument ontkracht.

Maar terwijl Dennett sleutelt aan een robot en Searle blijft ontkennen dat een computer kan denken, wijst Luciano Floridi erop dat de mens ondertussen een bestaan is binnengewandeld waarin informatiesystemen het steeds meer voor het zeggen hebben. De Oxfordhoogleraar filosofie en ethiek van de informatie meent dat het beeld dat we van een robot hebben het denken over intelligente systemen soms in de weg heeft gestaan. Bij een robot denken we nog altijd aan een onhandig bewegende kunstmens. Maar een vaatwasser is een robot die de vaat doet, alleen niet met een nagebootst menselijk lichaam dat achter een gootsteen plaatsneemt en vervolgens hoogst waarschijnlijk al je borden breekt. Nee, zegt Floridi, "deze robots kunnen succesvol zijn omdat hun omgeving 'afgerond' is en op maat gemaakt voor hun vermogens, en niet andersom".

In zo'n omgeving leeft de mens nu ook. De grote informatiesystemen delen steeds meer informatie met elkaar (Big Data),waardoor het overkoepelende systeem handelingen kan verrichten waar een mens individueel niet toe in staat is. 'Infosfeer', noemt Floridi deze nieuwe ruimte. En daarbinnen is onze kunstmatige natuur inmiddels getransformeerd van cyborg naar 'inforg', zoals Floridi het noemt, informatieproducerende en -delende schakels in één aaneengesloten infosfeer, waarvan ons gehannes met een smartphone op de bank voor de televisie, ondertussen mailend, twitterend en Wordfeud spelend nog maar het prille voorstadium is. En zodra deze transformatie voltooid is, schrijft Floridi, "zullen we ons in toenemende mate beroofd, uitgesloten, gehandicapt of arm voelen en zelfs verlamming en psychologisch trauma ervaren, wanneer we van de infosfeer losgekoppeld zijn, zoals een vis op het droge. Op een dag zullen we het inforg zijn zo natuurlijk vinden, dat elke onderbreking van de normale informatiestroom ons ziek zal maken."

Ook de intelligente infosfeer, onze nieuwe bestemming, zal Searle blijven volhouden, kan nog steeds niet zonder een biologische kern. Daar zal hij gelijk in hebben, maar de menselijke biologie kan dan ook niet meer zonder de levenloze Big Data.

Toen ik onlangs tevergeefs op zoek ging naar zo'n A3-kaart met judotechnieken erop, begreep ik al snel waarom deze alleen nog antiquarisch in omloop zijn. Technische instructies haal je tegenwoordig natuurlijk van YouTube. Maar na een halve middag worpen kijken uit een oneindig aanbod van amateuristische judofilmpjes kreeg ik het gevoel dat ook dit middel aan het verouderen is. Waarom geen slim judopak dat bewegingen registreert en judoglass die je instructies geeft? Dat zou alles een stuk eenvoudiger maken.

Dit is een bewerkte versie van de inleiding van 'Een stok om mee te denken. De techniek van filosofen' dat vandaag verschijnt bij Nieuw Amsterdam, Amsterdam. In deze bloemlezing verzamelt Coen Simon de mooiste gedachten over de nieuwste technieken uit de geschiedenis van de filosofie.

Losraken van de infosfeer zal traumatisch wezen, dan zijn we als een vis op het droge

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden