Review

Met het zout van dode dichters

De dichter Antoine Uitdehaag debuteerde drie jaar geleden met de weinig opvallende, maar zeker niet onverdienstelijke bundel 'Levenslang vrij'. In traditionele, parlandistische verzen boog hij zich ovehet al evenzeer traditionele thema van het verstrijken van de tijd. Het geheel oogde dan wel niet bijster origineel, maar hij wist het toch aangenaam te kruiden met pittige metaforen en een bovengemiddeld ontwikkeld gevoel voor het paradoxale en ambivalente.

In zijn nieuwe bundel 'De adem van de zaal' blijft Uitdehaag de traditionele versificatie trouw. De regel- en strofenbouw zijn zelfs nog iets regelmatiger dan voorheen. De thematische nadruk op teloorgang en dood is echter aanmerkelijk afgenomen. Deze nieuwe gedichten haken vooral in op de relatie tussen kunst en leven, meer in het bijzonder tussen toneel en werkelijkheid. Titels als 'Theaterwetenschap', 'Actrice', 'Op het zijtoneel' zeggen wat dit betreft al genoeg, terwijl ook de titel van de bundel zelf de toneelmatige invalshoek voorop stelt. Door deze thematische verschuiving maakt Uitdehaags nieuwe bundel toch een iets modernere indruk dan de vorige.

Het openingsgedicht 'Zuster Gonzola' plaatst het thema kunst en leven op licht satirische wijze direct in het centrum van de poëtische handeling. Het is een, al dan niet autobiografische, jeugdherinnering waarin een vierjarig jongetje door een non wordt schoongeboend. De eerste strofe gaat zo:

Zij heeft mijn ogen ingezeept, de haren uit mijn hoofd gebroken en de hoofdhuid weggescheurd. Zij heeft de tranen en het bloed gekookt, gebotteld en verkocht. Kunst is pijn van een goed jaar, wist zij onbevlekt ontvangen.

De hardhandige non - verderop heet zij 'het goedgemutst monster' - staat hier op pijnlijke wijze aan de wieg van de kunst. Juist de pijn maakt dat dit voorval wel een keer móest uitmonden in kunst, te wen in dit gedicht. De gebruikte metafoor - de tranen en het bloed worden 'gekookt' en 'gebotteld' - geeft als het ware het destillatieproces weer waarmee, om met Marsman te spreken, het graan des levens wordt omgetokt tot de jenever der poëzie. Een metafoor met een lange baard dus, die Uitdehaag hier heel functioneel en behendig varieert.

Er staan meer pijnlijke jeugdherinneringen in de eerste afdeling en telkens blijken zij aanleiding te zijn geweest tot een artistieke initiatie. In het tragisch-grappige 'Het internaat' bijvoorbeeld, met regels als: 'Tot jij me pikte als een kokkel uit de mand / de broze schelp brak en het roze vlees inwreef / met het zout van dode dichters'. Dat zout, hoe pijnlijk ook ingewreven, werd het zout in de pap vanet latere leven.

De rest van de bundel is minder historisch-verhalend en beeldt de relatie tussen toneel en werkelijkheid directer en pregnanter uit. Ik heb daarbij niet de indruk dat Uitdehaag die relatie tot op het bot wil ontleden. Het gaat hem meer om het spel, de schmink en de ensceneringsmogelijkheden die dit onderwerp hem aan de hand doet. Via de omweg van het toneel licht hij telkens een tipje op van de sluier der onkenbare werkelijkheid. Het spektakel dat daarbij hoort, dat zo direct van invloed is op de ademhalingsorganen van de zaal, is daarvan het aangename bijproduct.

Er schuilt in al deze gedichten iets theatraals, iets dat ons net naast de werkelijkheid plaatst in een soort speels mysterie. Zo is er een gedicht over een wijnliefhebber die niet is geïnteresseerd in de wijn ze, maar slechts in 'de open hals / het klokkende geluid dat diep van binnen / loskwam, de geur, de onvoorspelbare / volgorde van natte zinnen, het theater'.

Hierbij sluit ook de neiging aan om de werkelijkheid steeds toneelmatig te bezien: 'veel stilte, veel wit / om de woorden dacht ik me al / een scène in'. Soms lijkt Uitdehaag het toneel, 'de verslavendste leugen', te verkiezen boven de werkelijkheid, die 'hopeloos waar' heet te zijn. Op andere momenten houden ze elkaar in evenwicht, bijvoorbeeld wanneer van een actrice na een voorstelling wordt gezegd: 'Doodsbang vlucht ze de bühne af, het leven / in - en vlucht doodsbang weer terug'.

Kenmerkend voor Uitdehaag is zijn laconieke toon. Een gedicht naar aanleiding van Hamlets beroemde clause 'To be or not to be: that is the question' eindigt hij, nadat menige desillusie is gepasseerd, onverwacht edroogweg met: 'Het antwoord is zijn'.

Die nuchterheid spreidt hij vaker ten toon en het lijkt er dan ook op dat hij wel van spel, maar niet per se van hoog spel houdt. Hij is verre van een absolutist en het kost hem, met name in de slotafdeling, nogal eens moeite om de juiste spanning op de regels te houden. Op andere momenten lukt dat hem echter wel. Zo in het gedicht 'Ondertussen', waarin toneel en werkelijkheid letterlijk in een upstairs-downstairs-schema gevangen worden. Beneden in het souffleurshok vrijt de werkelijkheid er lustig en een beetje banaal op los, terwijl daarboven als door onzichtbare draden met die onderwereld verbonden, het toneel zich revancheert door metterdaad tot een hogere werkelijkheid uit te groeien.

Hij nam haar snel in de coulissen tussen haar beide grote opkomsten mee naar het vroegere souffleurshok onder het toneel en nam haar daar

alsnog. De planken kraakten boven hen, waar dode stukken werden wakker gekust. Haar man speelde haar vader. Alsof

verraad ondergronds meespeelde, zag het publiek verbijsterd zijn ontwaken, zijn spel verbeten, beter, noodzakelijker hijgend dan ooit, dan beneden.

Een mooi en suggestief gedicht, dat niet op 'hoog spel' mikt, maar er door fraai spel wel op uitkomt. Toegegeven, dit niveau haalt Uitdehaag lang niet altijd, maar het geeft toch goed aan waartoe hij op zijn beste momenten in staat is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden