Met het embryodebat zijn we nog lang niet klaar

Doorbraak met stamcellen is mooi, maar embryo’s voor onderzoek blijven nodig.

Amerikaanse en Japanse onderzoekers zijn erin geslaagd om zogeheten ’pluripotente’ (breed inzetbare) menselijke stamcellen te maken zonder de tussenstap van het doen ontstaan van een embryo (Trouw van vorige week).

Nu gaat het om eerste berichten en bestaan er nog zorgen over de veiligheid bij klinisch gebruik, maar het belang is duidelijk: als er geen embryo meer bij komt kijken en er geen eicellen meer voor nodig zijn, kan het onderzoek naar therapeutische toepassingen eindelijk op volle kracht vooruit, ongehinderd door ethische discussies en verboden.

Maar daarmee is het ’embryodebat’ zeker niet ten einde. Dat zou zo zijn als het belang van onderzoek met embryonale stamcellen het enige argument was om voor die verruiming te pleiten. Maar dat was nooit het geval en, juist vanwege de mogelijke ontwikkeling van alternatieve methoden om stamcellen te verkrijgen, ook niet het belangrijkste.

Bij het besluit over de Embryowet ging het om het absolute verbod op het maken van menselijke embryo’s voor andere doeleinden dan zwangerschap. In de vorig jaar verschenen wetsevaluatie is bepleit die bepaling te schrappen. Met als belangrijkste argument de belemmering die dat verbod nu al opwerpt voor urgent onderzoek naar de veiligheid van nieuwe voortplantingstechnieken. Een voorbeeld hiervan is het invriezen of het in vitro tot rijping brengen van eicellen. Deze technieken kunnen de IVF-praktijk aanzienlijk verbeteren. Het levert minder restembryo’s op en biedt uitzicht op IVF voor vrouwen die een vruchtbaarheidsbedreigende medische ingreep moeten ondergaan.

Maar deze technieken brengen mogelijke gezondheidsrisico’s voor het nageslacht met zich mee, die men niet zonder gedegen veiligheidsonderzoek in de kliniek zou mogen introduceren. Wereldwijd dreigt dit toch te gebeuren omdat onderzoekers in veel landen kampen met het verbod om menselijke embryo’s voor onderzoek te maken.

In dit geval zou het gaan om preklinisch onderzoek naar eventuele afwijkingen bij embryo’s die zijn ontstaan uit ingevroren en weer ontdooide of in vitro tot rijping gebrachte eicellen. Overslaan van dat veiligheidsonderzoek betekent dat men uit respect voor het embryo vrouwen en kinderen tot proefpersoon maakt. Dit dilemma verdient meer aandacht dan het tot nu toe in het politieke debat heeft gekregen.

Het evaluatierapport wijst bovendien op een knelpunt van heel andere aard. Bij het ’inoefenen’ van ICSI, een variant van IVF waarbij een zaadcel met een pipet in de eicel moet worden gebracht, ontstaan onvermijdelijk embryo’s die vervolgens verloren gaan. Training met dierlijk materiaal is vanwege de soortspecifieke eigenschappen van menselijke eicellen geen alternatief.

Centra die zich aan de letter van de wet houden (geen embryo’s laten ontstaan voor andere doeleinden dan zwangerschap) moeten oefenen met menselijke eicellen achterwege laten. Met alle gevolgen van dien voor de kwaliteit van de behandeling: lagere succeskans en per saldo meer risico’s en belasting voor de vrouw. Of moet men nieuwe medewerkers voor de noodzakelijke training naar het buitenland sturen?

De doorbraak in het stamcelonderzoek is van groot belang. Als voor de verdere ontwikkeling van dat terrein geen embryo’s tot stand hoeven worden gebracht, is dat pure winst. Maar met het embryodebat zijn we nog lang niet klaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden