Met een demon aan de schrijftafel

In zijn nieuwste roman ’Duivelskermis’ schrijft Gerrit Krol over de ziekte van Parkinson. Deze ziekte werd zeven jaar geleden bij hem geconstateerd. Sinds Krol medicijnen slikt, hallucineert hij. Soms lopen spoken in pyjamajasje door zijn huis. „Vaker dan beangstigend, zijn demonen fascinerend.”

‘Gelukkig kan ik aan deze hele verdomde situatie zelf niets doen”, verzucht Gerrit Krol, die diep en enigszins scheef zit weggedoken in zijn grote, gebloemde stoel. „Als ik nu Korsakov had gehad, dan had ik mezelf wat te verwijten. Dan had ik teveel gezopen en was dit mijn verdiende loon geweest. Maar nu heb ik niets gedaan en toch de ziekte van de heer Parkinson gekregen.”

In de eerste zin van de inleiding bij Duivelskermis, zijn zojuist verschenen, kleine roman – ’om esthetische redenen doe ik niet aan inleidingen, maar mijn uitgever wilde die om educatieve redenen er toch in’ – wordt uitgelegd dat de ziekte van Parkinson vooral wordt gekenmerkt door trillende handen, ’door de schooljeugd vroeger trillemientjes genoemd’. Maar de handen van Krol trillen nauwelijks.

„Ger heeft de verstijvingsvariant”, zegt Janna Krol, de vrouw van de schrijver, die binnenkomt met twee vorstelijke borden met broodjes en twee kommen soep. „Hij trilt wel een beetje, als hij moe is, maar dat is niet het ergste.” Krol schudt het hoofd. „We moeten hier vertrekken.” Het schitterende gele huis in Oudemolen, in een dorpje midden in het Groningse landschap, waar ze decennia hebben gewoond en geleefd, waar het schrijvershuisje van Krol in de tuin staat, daar moeten ze weg vanwege zijn ziekte.

„Ik vind het vooral verschrikkelijk voor Janna”, zegt hij zachtjes. „Ze zal de tuin missen. Zelf vind ik de terugkeer naar de straat waar ik ben opgegroeid, de Korreweg in Groningen, ook wel iets moois hebben. Terug naar de oorsprong.” In zijn roman De oudste jongen vertelt Krol dat als hij het bord met GRONINGEN passeert, er net zo goed GERRIT KROL zou kunnen staan. „De stad, c’est moi.”

Toch is de aanleiding voor het vertrek uit hun huis allerminst vrolijk. De vooruitzichten van zijn ziekte zijn slecht. In Duivelskermis schrijft Krol: ’Je eindigt als een zak met botten.’ En over Parkinson-patiënten: ’Ik heb ze in ’t ziekenhuis zien hangen, als vleermuizen.’ De schrijver gnuift. „Tsja, dat staat er wel scherp, vind je niet? Misschien loopt het niet zo’n vaart, maar het is een feit dat ik me pas weer kan bewegen als ik mij ’s morgens heb laten doorstromen met de genezende kracht van deze pilletjes.” Naast zijn soepkom liggen twee roze pilletjes met een kruis erop. „Zonder Levodopa doe ik niets.”

De energie kan zomaar op zijn. „Als ik zit te schrijven, overvalt me dat ook. Binnen drie seconden is het gebeurd. Eigenlijk valt het van tevoren te voorspellen. Ik zou een schema met potlood en papier kunnen bijhouden, maar dat doe ik natuurlijk niet. Ik weiger een slaaf van mijn kwaal te worden. Er zijn vast patiënten die zo te werk gaan, maar ik heb wel wat beters te doen.”

Hoewel het schrijven hem zwaar valt, piekert Krol er niet over om daarmee te stoppen. Schrijven dient om het wak open te houden, zo schreef hij in zijn herinneringen aan zijn jaren bij Shell, In dienst van de Koninklijke. ’Als je niet elke dag met een stok in je ziel roert, dan vries je dicht.’ Daarin is niets veranderd. „Ik ga gewoon door. Ook als mijn handen het willen opgeven. Dan schrijf ik maar een tijdje onleesbaar. Mijn handschrift is van groot en gelijkmatig kriebelig en lullig geworden. Gelukkig kan mijn schoonzusje mijn gepriegel nog goed lezen. Zij typt alles in het net.”

Krol pakt een krant van de stapel en laat zien hoe lastig het voor hem is geworden om twee velletjes of bladen papieren van elkaar te krijgen. „Zie je hoe gecompliceerd dat eigenlijk is? Als ik moe ben en de pillen zijn uitgewerkt kan ik dit niet doen, dan verkreukel ik de krant tot een grote prop.” De krant valt verkreukeld aan zijn voeten. Het moet enorm frustrerend voor hem zijn. „Tsja, ik moet een beetje op mijn tijd letten. Zo erg is het niet om af en toe een uurtje te verliezen.”

Zeven jaar geleden openbaarde de ziekte zich voor het eerst. „Ik was een beetje stuntelig in de weer. Janna vertrouwde dat niet en stuurde me naar de huisarts. Die zei: niks aan de hand, je bent gewoon een beetje onhandig. Maar Janna was niet gerustgesteld en stuurde me naar een neuroloog. Die zei achteraf tegen me: ’Ik zag het bij binnenkomen al: Parkinson’.” Krol zucht. „Aanvankelijk was ik van die diagnose niet zo heel erg onder de indruk, maar in wezen natuurlijk wel.”

Hoewel de ziekte maar langzaam voortschrijdt, werd Krol al snel door nog een merkwaardig fenomeen getroffen. De medicijnen zorgen voor hallucinatorische bijwerkingen. De schrijver begon spoken, monsters en demonen te zien, wezens die ook zijn jongste roman bevolken en met wie de held van het verhaal de strijd aangaat. „Vaak begint het met die lamp hier”, zegt Krol en wijst op de lamp op de tafel naast hem, waarvan het onderstuk bestaat uit een witte, aardewerken pot met allerlei krullen. „Die lamp gaat bewegen en draaien, verandert uit zichzelf in de wonderlijkste creaties. Deze bol wordt een kop, een vervelende kop. Alles broeit.”

De hallucinaties zijn vreemd, maar meestal niet bedreigend. „Ik kom wel eens binnen en zie dan meteen dat de kamer vol is. Overal zitten ze. Het zijn ook vaak jonge demonen, die wat speels over mijn stoel hangen. Als ik ga zitten gaan ze eenvoudig opzij. Ze doen me ook niks. Ik ben zó aan ze gewend dat ik ze als meubilair beschouw. Kijk, daar zit er eentje.” Krol wijst in de leegte op de tafel voor hem. „Deze draait ook vreemd met zijn ogen. Er bestaat een mooie tekening van James Joyce, die vanuit zijn ooghoeken een tikje venijnig naar de kijker staart – zo kijkt deze demon ook.”

Eigenlijk is hij maar twee keer echt bang geweest. „Er was een schemerige middag waarop er wel dertig demonen om mij heen zaten, die kwamen steeds dichter op mij af en die begonnen toen hun tanden te laten zien. Dat was beangstigend. Ik gilde – en toen vluchtten ze weg door de kieren.” Krol voelt met zijn vingers langs de spleet onder het dichte raam. „Dat was als een nachtmerrie, maar dan scherper en duurzamer. Ik onthoud de hallucinaties wekenlang, terwijl dromen meteen weg zijn.”

Hij is zich ook eens rot geschrokken in de slaapkamer. „Ik had op een avond tegen Janna gezegd: ’Ik ga naar bed, ik zie je zo wel’. ’Dat is goed, Ger’, zei Janna. Binnen een minuut stormde ik weer naar beneden en schreeuwde: ’Er liggen twee pikzwarte kerels in bed!’ Ik was helemaal ontdaan. Janna ging kijken, maar er was natuurlijk niemand.” Vaker dan beangstigend, zijn de demonen fascinerend. „Ik keek eens naar een demon die achter mijn eigen schrijftafel zat. Ik zag het kopje peinzen. Hij deed mij na. Plotseling ontwaarde ik een barst in zijn schedel, waardoor ik naar binnen kon kijken. Ik zag dat hij in zijn kop niets had. Geen hersens. Toen ik beter keek zag ik een potloodje en nog wat kantoorspulletjes.”

Krol grinnikt. Hoewel de demonen zelf niet humoristisch zijn - ’nee, joh, saaie beesten zijn het’ – beziet en beschrijft hij ze met humor. Zo was hij eens een monster tegengekomen die zijn pyjamajasje aanhad. In Duivelskermis werd dat: ’De meeste bewegingen spelen zich af in het gebied van de eigendomsrechten. Gisteravond kwam ik er eentje tegen, die droeg mijn pyjama, het jasje. Ik heb het haar meteen afgenomen en toen was er van die vrouw ook meteen niets meer over. De leuning van een stoel, meer niet en ik besef hoezeer ik bezig ben me al aan de onderwereld te conformeren.’

De humor van Krol zit ’m in de pregnante, exacte formuleringen, gecombineerd met hilarische terzijdes. Zo onderbreekt hij zijn verhaal rustig voor een vraag als: ’Is de kwaal besmettelijk?’ Waarop een nieuwe alinea volgt: ’Niet dat wij weten.’ De Parkinson en de bijwerkingen hebben dus niet kunnen voorkomen dat Duivelskermis een vintage Krol werd. Er duikt een aantal fascinaties op die de lezer al kent uit zijn vorige werk. Zo raakt de hoofdpersoon van de roman, Albert, die op zoek gaat naar een verloren geliefde, verzeild in een beautycontest, ’het derde Trophée de Décolleté’.

De voorliefde van Krol voor zware boezems – ’bij tieten geldt: hoe groter, hoe beter’ - was al het licht scandaleuze onderwerp van zijn roman De ziekte van Middleton. „Ik had”, zegt Krol kalm, „weer zin om daarover te schrijven. Maar gemakkelijk was dat niet. Ik heb de afgelopen tijd nogal wat scènes geschrapt die té pornografisch waren. Waarin ik mij teveel liet gaan.” Dan, plots, alsof hij wakker schrikt: „Maar er zit toch nog voldoende quasi-porno in? Het smaakt toch nog lekker? Ik wil mijn vrouwelijke lezers – want die heb ik, dat kan ik bewijzen – niet voor het hoofd stoten.”

Albert, de held van Duivelskermis, zoekt zijn rondborstige oude vriendin vergeefs (al treft hij een aantal nieuwe, wellicht verzonnen dames, van wie er één zulke grote borsten heeft dat ze een zwembad laat overstromen) en valt op de laatste bladzijde voorover. Misschien valt hij zelfs wel in zijn graf. „Als ik val”, zegt Krol, „kom ik niet meer overeind. Tot nu toe heb ik geluk gehad. Ik kom heel goed neer, blijkbaar. Ik val steeds op mijn handen.” Schijnbaar verbaasd staart hij naar zijn eigen, grote handen, die nu lichtjes trillen.

In zekere zin is de val van zijn romanpersonage een overwinning van de schrijver. Gerrit Krol heeft toch maar mooi deze roman afgerond, terwijl hij drie jaar geleden al vreesde dat zijn vorige roman, Rondo Venziano, wel eens zijn laatste zou kunnen zijn. „Dat klopt dus niet”, zegt Krol vergenoegd. „Al heb ik wel lang over Duivelskermis gedaan. Tweeënhalf jaar heb ik eraan gewerkt. Dat is best veel voor een klein boekje. Maar het is wel een heel mooi boekje gevonden, vind je niet? Dat mag je mij best eens spontaan vertellen.”

„Móói, daar hebben we niets aan”, zegt Janna, die net de kamer binnenkomt. „Als het nu ook maar eens goed verkoopt.” „Daar kan je nooit op rekenen”, zegt Krol. „Ook al zou het terecht zijn. Ik ben nu bezig met een roman waar ik niets over vertel. Ik heb er zin in om die het komende jaar stevig aan te pakken.” En, wordt die opnieuw bevolkt door macabere verschijningen? „Nee hoor”, zegt Krol. „Er komt geen demon in voor.”

Gerrit Krol: Duivelskermis. Querido. ISBN 9789021470405; euro 16,95

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden