Met een das om naar de kerk?

Mijn vader preekte tegen 'het dragen van spijkerbroeken in de kerk', schrijft de Amsterdamse theoloog Rikko Voorberg in zijn boek 'De dominee leert vloeken'. 'Naar de koningin kwam je niet in je kloffie, laat staan naar God. Dat zeiden niet alleen mijn ouders, dat waren vaststaande argumenten binnen onze subcultuur.'


Die cultuur was de 'vrijgemaakte' binnen de gereformeerde zuil in haar biblebelt-variant, maar in andere milieus was indertijd hetzelfde te horen. Veel godsdienstigs is er dan ook niet aan, of het moest de vergelijking zijn tussen de koningin en God. Wie zich in de kerk níet oog in oog ziet staan met een persoon die hem aankijkt, heeft van dat soort kledingvoorschriften meteen last. Voor mensen dof je je op, voor dingen niet. Áls je je tenminste nog opdoft.


Michel de Montaigne deed het wel. Wanneer hij zich terugtrok in de toren van zijn huis waar hij zijn bibliotheek had ingericht, kleedde hij zich zorgvuldig en met stijl. In de 'Essais' die hij in 1572 begint te schrijven maakt hij er uitdrukkelijk melding van. Voor de grote geesten die hij in zijn torenkamer verzameld had wilde hij niet armoedig verschijnen. Hij las hen alsof hij bij hen op visite ging en bewees hen met zijn verzorgde verschijning de eer die hen toekwam.


Wij begrijpen dat niet goed meer - zoals de vormelijkheid van vroeger tijden en andere culturen ('The past is a foreign country') ons op veel punten vreemd is geworden. Een gesprek is een ontmoeting van hart tot hart; uitwendige opschik leidt daar alleen maar van af. Wie eerbied wil tonen, bewijst die met gedrag. Moet onze kleding dat voor ons doen, dan is er al snel onechtheid in het spel.


Het naoorlogse existentialisme is daar met zijn nadruk op authenticiteit in belangrijke mate verantwoordelijk voor geweest, al had de romantiek er een voorzetje voor gegeven. Gek genoeg is die oprechtheidscultus zelf een laat nakomertje van de Reformatie. Om de ziel ging het, niet om de uiterlijkheid; om de innerlijke oprechtheid (sola fides), niet om ceremonies of versiering. De protestantse kerken leggen er in hun soberheid nog altijd getuigenis van af. Maar de kleding bleef hardnekkig weerstand bieden: zonder het zondagse kloffie geen eer aan God.


Althans, volgens de vader van Rikko Voorberg. Zelf dacht hij daar kennelijk anders over: niet ontrouw maar in zekere zin nóg trouwer aan de religieuze plicht van het oprechte hart en wereld- (in dit geval kleding-)verzaking.


Hoe bijdetijds dat is weet ik niet. De ostentatieve loochening van netheid en opschik waarmee de jaren zestig en zeventig stiekem toch weer hún overtuigingen uitdroegen in spijkerstof en ribfluweel, ligt alweer achter ons. De discocultuur van de jaren tachtig maakte er een einde aan. En ook vandaag de dag vraagt elke sollicitant zich zenuwachtig af: zit mijn das of sjaaltje wel goed?


Werkelijk modern zijn we nu eenmaal nooit geworden, zoals de Franse wetenschapsfilosoof Bruno Latour ooit heeft opgemerkt. Of hij daarbij aan goedgepoetste schoenen dacht weet ik niet. Wel dat de cultus van spontaniteit, oprechtheid en het 'zuivere hart' die het zonder uiterlijkheden meent te moeten stellen, al snel op zichzelf is stukgelopen.


Want niet alle 'echtheid' is aangenaam om te zien. Diep in ons hart weten we dat maar al te goed. Dus hullen we ons in vormelijkheid en kleden we ons zoals het hoort. Dat was in de hippie-tijd niet anders. Haar oprechte slordigheid was misschien wel de meest doortrapte manier om het ware ik aan het oog te onttrekken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden