Met de woorden verdwijnt de pijn

(Trouw)

De Britse schrijver Tim Parks had altijd een hekel aan alles wat zweverig is. Maar als de reguliere geneeskunde geen raad weet met de pijn in zijn onderbuik, belandt hij in een boeddhistische retraite. Over een zoektocht naar genezing.

Per nacht zeker zeven keer naar de wc en vanaf vier uur ’s ochtends klaarwakker vanwege een ondraaglijke pijn in zijn blaasstreek. De Britse schrijver Tim Parks kan anno 2007 echt niet meer doen alsof er niets met hem aan de hand is. Als hij wel slaapt droomt hij veelbetekenend over overstromende rivieren; hij raakt gefascineerd door het schilderij ’De waterverkoper van Sevilla’ van Velazquez waarop een kruik (’in de vorm van de blaas’, aldus Parks) en een groot glas helder water prijkt; en ondertussen kan hij niet meer zitten van de pijn in zijn onderbuik. De artsen denken aan een vergrote prostaat. Een bevriende Italiaanse chirurg schetst Parks enthousiast de operatie: „De prostaat lijkt op een kleine appel. Maar die wordt groter als je ouder wordt en drukt dan tegen de urinebuis. De oplossing is om hem van binnenuit uit te boren, met een laser, door de penis heen, om hem wijder te maken.”

Tim Parks, die in Verona woont en getrouwd is met een Italiaanse, schreef eerder een reeks verontrustende maar ook geestige, intelligente romans over mannen in hun midlife-crisis. Ook schreef hij een aantal gezelligere non-fictie boeken over Italië (’Italiaanse buren’, ’Italiaanse opvoeding’).

In zijn nieuwste non-fictie boek ’Leer ons stil te zitten’ slaat Parks een heel nieuwe weg in. Het is zelfhulpboek en filosofische beschouwing ineen, ironisch én euforisch, én een verrassende uitnodiging tot meditatie van een scepticus die zich altijd verre hield van arnica, shiatsu, ayurveda, en al die andere ’mumbo jumbo’. Parks’ ouders waren strenge anglicanen, zijn vader was dominee. „Bij ons thuis werd aan het ontbijt, bij de lunch en voor het avondeten uit de Bijbel gelezen. Tijdens mijn puberteit raakten mijn ouders in de ban van de pinksterbeweging; ze deden aan exorcisme, spraken in tongen. Ik schaamde me voor hen, moest er niets van hebben”, schrijft Parks in zijn boek. Hij hield er een afkeer voor alles wat zweverig en onwetenschappelijk is aan over.

Op zijn 51ste dwingt de onverklaarbare hevige pijn in zijn onderbuik hem echter tot bezinning. Foto’s, scans en veel moeizame plasjes in buisjes leveren geen concrete oorzaak op. Op het internet blijkt hij de enige niet (6.820.000 hits op prostaatpijn). Via een opzienbarende studie naar prostaatklachten van de dokters David Wise en Rodney Anderson (’A Headache in the Pelvis’ – Hoofdpijn in je bekken), die de chronische klachten toeschrijven aan jarenlange verkeerde spierspanning, belandt hij bij een ademhalingstherapeut en uiteindelijk op het meditatiekussen in een boeddhistische retraite. Daar laat hij zijn ’over-talige bewustzijn’ los en daalt hij ’diep af in het vlees’. Het gaat niet zonder slag of stoot maar het helpt en het verandert zijn hele leven.

Schrijver ontdekt lichaam, zo kuan je het verslag van Parks het beste samenvatten. Echt hard nieuws bevat die ontdekkingsreis niet. Parks is niet de eerste mens die na jarenlang zijn spieren verkeerd te hebben aangespannen zo rond zijn vijftigste probeert om via zenboeddhisme anders in zijn vel te gaan zitten. Maar verhelderend en prachtig openhartig is zijn boek zeer zeker. Geestig verhaalt Parks over medische onderzoeken (met name het onderzoek van de urinestraal is niet te versmaden), onwennige massages en pijnlijke opstartproblemen bij de meditatie, inclusief de wollige teksten van een Amerikaanse goeroe. Parks paart eruditie en scherpe filosofische beschouwing aan een bijna kinderlijke blijdschap over zijn groeiende zelfinzicht. „Je mag me een heel domme man noemen”, lacht hij tijdens een gesprek in de lobby van een Amsterdams hotel. „Maar de simpelste dingen waren helemaal nieuw voor me. Zoals het feit dat je pijn niet kunt veranderen, maar dat je wel je houding tegenover pijn kunt veranderen. Ik was altijd te veel in beslag genomen met mijn eigen gedoe om veel te weten van het lichaam of het leven.”

U constateert in uw boek dat meer schrijvers leden aan chronische kwalen, zoals Thomas Hardy, D.H. Lawrence, Thomas Bernhard. Is schrijven slecht voor je?

„Er zullen zeker schrijvers zijn die beter in hun lichaam zitten dan ik, maar ik kwam inderdaad meer collega’s tegen met chronische pijnklachten. Nu was ik ook specifiek op zoek naar die lijdenswegen, naar hun worstelingen, omdat de ayurveda dokter in India mij had gezegd dat ik eerst mijn innerlijke strijd moest opgeven voordat ik van mijn pijn kon genezen. En ik had helemaal geen weet van een innerlijke strijd! Maar tijdens de eerste ontspanningsoefeningen op basis van ’A Headache in the Pelvis’ kwam ik er achter dat het schrijven in mijn geval zeker wél deel van het probleem is. Mijn hele leven bestaat uit het verwoorden van dingen. Ik heb iets pas beleefd als ik het beschrijf. Als ik naar een film ga of een schilderij bekijk, ben ik in mijn hoofd direct al bezig met de recensie. Alles wat ik doe vang ik in woorden. Die houding scheidt je van de wereld, van het leven. Ik had er voor de meditatiesessies geen benul van dat je ook geestelijke arbeid kan verrichten zonder dat er woorden bij betrokken zijn.

„Later begon ik ook ernstig te twijfelen aan het nut, aan mijn bestaan als schrijver. Het leven schuilt niet in romans, die houden ons juist van dat leven af. Romans werken mee aan het melodrama dat we allemaal van ons leven maken. Daar schuilt een groot gevaar in. Maar goed. Het gesprek dat ik had met Coleman (de goeroe) over het stoppen met schrijven, was wat dat betreft erg verhelderend, erg grappig ook. Die was helemaal niet in mij als schrijver geïnteresseerd. Hij vroeg ook niet wat ik schreef. Joh, als je schrijft, schrijf. Steek van deze sessies op wat je ervan opsteekt, hou afstand, maak er niet zo’n drama van.”

Heeft u het idee dat dit non-fictie verslag eerlijker is dan uw romans?

„In mijn laatste romans zoals ’Cleaver’ en ’Dromen over zeeën en rivieren’ schreef ik over figuren die eigenlijk zochten naar de ervaringen die ik nu doormaak, zo bedacht ik achteraf. Cleaver trok zich terug uit de wereld, hij houdt op met werken, gaat naar de bergen, naar een plek waar mensen hem niet verstaan. Hij probeert zich op een meditatieve manier tot de bergen te verhouden maar hij wordt overweldigd door wat er in hem omgaat. Het lukt hem niet. Eigenlijk zijn mijn romans vaak een uitdrukking van een verlangen naar groei, alsof je in een roman een verhaal schept waardoor de verandering mogelijk wordt. Maar dat ligt natuurlijk ook aan het type schrijver dat je bent. Sommige schrijvers scheiden hun levens van hun schrijven maar daar ben ik niet zo goed in.”

U bent in uw verslag verrassend mild over de dokters die lang geen oorzaak noch remedie vonden. Was u niet boos?

„Ik ben wel boos geweest op de dokters die mij wilden opereren terwijl ze eigenlijk niet wisten wat er aan de hand was. Het kostte me moeite om de chirurgen bij mij vandaan te houden, ook omdat ik door de chronische pijn wanhopig was. Die drang tot opereren heeft echter ook een financiële reden. In Italië is het verzekeringstechnisch zo georganiseerd dat sommige operaties de ziekenhuizen meer geld opleveren dan dat ze kosten. Om die reden worden er bijvoorbeeld ook veel baarmoeders verwijderd. Maar ik ben in mijn leven ook vaak genoeg wel heel goed geholpen door medici. Toen ik laatst met mijn vijftienjarige dochter in Londen was en zij plotseling heel erg ziek werd, hoge koorts en onverdraaglijke hoofdpijn, belandde ik met haar op de eerste hulp en is ze heel goed geholpen door deskundige artsen daar. Toen was ik alleen maar heel dankbaar.”

In uw boek wijt u uw late ontdekking van het lichaam onder meer aan uw opvoeding. Is het voor kinderen van nu anders?

„Mijn ouders zagen het lichaam als een soort vat. Het enige wat van belang was, was dat we netjes waren aangekleed, dat we er respectabel uitzagen. Maar ik denk dat die christelijke scheiding van lichaam en geest in onze steeds verder individualiserende samenleving alleen maar sterker is geworden. Het lichaam wordt benaderd als een auto die je voor reparatie naar de garage brengt. Ik had laatst een discussie met een vooraanstaande psycholoog die volhield dat bij het verlies van een hand, je persoonlijkheid niet zou veranderen. Alsof het gemis van een hand niet je hele relatie tot je omgeving verandert. Wij identificeren ons niet met ons lichaam. Je ziet het ook terug in de cosmetische ingrepen: het lichaam als een accessoire. Of in toenemende obesitas: ik ben dik, maar dat ben ík niet. Je vindt de onthechting terug in de veel geuite preutse gedachte in probleemrubrieken dat het lichaam er niet toe zou doen in liefdesrelaties – dat het gaat om de persoonlijkheid. Natuurlijk is het lichaam fundamenteel in liefdesrelaties. Het is heel jammer hoe dat lichaam van jongs af aan genegeerd wordt. Hoe kinderen niet leren om hun fysieke gewaarwordingen te onderzoeken. Ook in de sport is het lichaam louter een instrument, iets wat zich laat meten. Zelf loop ik hard en de wijze waarop ik nu hard loop verschilt fundamenteel van hoe ik vroeger – voor het mediteren – hard liep. Ik nam altijd een stopwatch mee, kreeg last van overbelaste spieren. Nu loop ik veel meer ontspannen, zonder meetinstrument.”

U schrijft zeer positief over het gevoel van saamhorigheid in het retraiteoord. Kunnen mensen alleen maar echt samen zijn als ze al mediterend hun ’ik’ opgeven?

„Ik heb eerder een boek geschreven over de voetbalsupporters van Verona – hooligans die een zeer slechte naam hebben – en het gemeenschapsgevoel dat daar heerst. Die voetbalgemeenschap ontleent haar identiteit aan uitsluiting, aan rivaliteit met anderen, maar binnen de groep ben je anoniem. Je gaat samen naar het stadion, je zit naast andere mensen die je niet kent, je deelt de gebeurtenissen op het veld, maar je praat niet over je eigen leven. Je weet niet wie de andere supporters zijn, of het advocaten zijn of bootwerkers. Die anonimiteit binnen de groep is heel aangenaam. Vooral mannen houden daar erg van. Maar daarin verschilt de voetbalgemeenschap dus eigenlijk niet zo van de gemeenschap in het retraiteoord. In het retraiteoord, in die stilte, weet je ook niet wie de ander is, dat schept een gevoel van saamhorigheid.”

Is meditatie iets wat talent vereist, net als schrijven? De golf van ontspanning die u in uw boek als resultaat van een sessie beschrijft, is nogal indrukwekkend.

„O, ik denk zeker dat mediteren voor de een makkelijker is dan voor de ander, maar eigenlijk weet je dat ook niet echt. Je leest aan die zittende mensen op hun kussentjes niet af wat ze van binnen meemaken. Voor mij, met mijn over-geagiteerde bewustzijn, was het helemaal niet gemakkelijk om me te concentreren op de gewaarwordingen in mijn lichaam. Ik heb veel retraiteoorden bezocht voor ik zover was. Maar je moet je ook niet afvragen hoe goed je erin bent. Je moet je niet te veel zorgen maken als het niet werkt en ook niet te blij zijn als het wel werkt. Het werkt pas als je het doel er vanaf haalt.”

Bent u nu zelf een goeroe geworden, of een prediker, net als uw ouders?

„O, nee! Ik krijg wel veel meer mail dan vroeger. Maar daar zitten er maar twee of drie mails tussen van lezers die vragen stellen die je aan een goeroe zou stellen. De meeste lezers schatten me wel goed in.”

'De waterverkoper van Sevilla' (1623) van Velazquez, voor schrijver Tim Parks een bron van fascinatie. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden