Review

Met de Saab naar Emmeloord

Zelfmoord is al enige jaren 'in'. Schrijvers als Jeroen Brouwers wijden er studies aan die niet louter de specialisten bereiken. Popmusici als Kurt Cobain begaan het, tot onthutsing van hun fans. En de zelfmoord van Herman Brood vorig jaar heeft, als lugubere publiciteitsstunt, de hoofdstedelijke grachtengordel zelfs een paar weken op z'n kop gezet. Ook de hoofdpersoon in Joost Zwagermans jongste roman 'Zes sterren' pleegt zelfmoord en eerlijk gezegd begrijp ik niet goed waarom.

Wie op voorhand associaties met de dood van Brood verwacht (over wiens dood Joost Zwagerman, als een van de chroniqueurs van het hedendaags leven het nodige te zeggen had) komt bedrogen uit. Siem Merkelbach is een zakenmannetje, hij is eigenaar van een hotelblad Goedemorgen dat in heel Nederland recensies en sterren uitdeelt. Een kleine maar geslaagde bon-vivant. Hij heeft een prima 'zes sterren' vrouw, Tilly, kortom geen vuiltje aan de lucht. De schaduwzijde is dat het stel geen kinderen kan krijgen, de seks daarom is uitgeblust en Siem als een dolleman in het hele land op vrouwenjacht is. Als hij een jonge vriendin opduikelt en zijn liefdesbrieven aan haar onder Tilly's ogen komen, verlaat ze hem. Of dit alles genoeg reden voor zelfmoord is, wie zal het zeggen? In elk geval komt zijn innerlijk motief niet echt uit de verf, nergens voel je hem vertwijfeld of desolaat worden.

Dat is ook niet zo vreemd, want het verhaal en dus ook de kijk op zijn karakter wordt geheel postuum en uit de tweede hand opgedist, door zijn neef en bedrijfskompaan Justus. En deze begrijpt de zelfmoord van zijn oom evenmin, komt er ook in de therapeutische sessies met een psychiater niet achter. Dit onbegrip is dus als het ware een literair motief, maar overtuigend vind ik het toch niet; weliswaar kom je gaande het boek achter steeds meer duistere kanten van oom Siem, maar er kleeft per saldo toch weinig tragisch aan hem.

Siem is trouwens niet de enige hoofdpersoon, het gaat ook om zijn neef Justus. Van hem komen we weinig aan de weet. Hij is ten koste van een academische studie en na een mislukte poging om op de Rietveldacademie te komen, door zijn oom bij Goedemorgen gehaald, maar wat is hij voor iemand? Hij heeft geen hobby's, geen vriendin, geen bijzondere belangstellingen. In feite bestaat hij voornamelijk uit de bewonderende ogen waarmee hij naar zijn oom kijkt. De oom die het tegendeel van zijn eigen vader, Siems broer, is: man van de wereld en van het goede leven. De gewenste vaderfiguur.

De psychologische leegte van Justus Merkelbach is merkwaardig (waar tref je tegenwoordig nog een twintiger aan zonder seksleven?), maar functioneel. Justus is als het ware nog in de groei. Mét hem kom je er als lezer allengs achter hoe de wereld feitelijk in elkaar steekt. Dat heeft Zwagerman goed gedoseerd, de redelijk onschuldige wereld aan het begin van het boek verandert steeds meer in een ontluisterend menselijk debacle. Het hotelblad van oom Siem blijkt eigenlijk niet veel meer dan een oplichtersbedoening.

Wie flink adverteert krijgt goede recensies, en om die advertenties af te dwingen worden de hoteliers min of meer gechanteerd met door de recensent aangebrachte verontreinigingen, zoals haren in een doucheputje of poepstrepen (van ontbijtkoek) in de wc, die dan met grote advertenties weer kunnen worden afgekocht. Het is het Wereldtijdschrift van Willem Elsschot, maar dan nog wat onbeschaamder.

Ook de morele afbladdering van oom Siem is raak neergezet. Aan het eind van het boek is van de leuke suikeroom niet veel meer over dan een drabbige hoerenloper. Hoe besmettelijk zijn schuine en chanterende praktijken zijn, realiseer je je voluit als na zijn dood Justus een hotelier, die zijn oom maar een 'viespeuk' noemde, voor straf slechts één ster in zijn blaadje bezorgt. De appel valt niet ver van de boom. Zo bezien schildert Zwagerman in 'Zes sterren' vooral de aftakeling van de schone schijn, de kinderdroom. Het is hem toevertrouwd. Langzamerhand heeft deze schrijver zich ontwikkeld tot een waar cartograaf van de hedendaagse pulpmaatschappij. Steeds opnieuw drukt hij, zonder overigens ook maar iets van een zedenpreker te hebben, op de pijnpunten van onze tijd. Op de 'wandtegelmoraal' van de massa, op de lulligheid van gewone mensen met een 'Topgroeipolis', op het populistische vermaak van de Jerry Springers, kortom op de nieuwe leegte van de nouveaux riches: ,,In Aerdenhout en Bloemendaal waren alle echelons aangeraakt door de mammon. Afgezanten uit de kleine middenstand hulden zich in het krijtstreeppak van de grootindustrieel, en de groenteman ging er gekleed in een blauw-wit streepjesoverhemd van de Society Shop als hij in zijn Chrysler Spacewagon kistjes handsinaasappelen en goudreinetten aan huis verkocht. Tachtig gulden per kistje, terwijl je ze bij Albert Heijn of de vrijdagmarkt in Velsen voor twaalf kon kopen, zelfde kwaliteit, zelfde hoeveelheid - precies dezelfde kistjes, eigenlijk.' Kortom, de mensheid wil bedrogen worden en oom Siem voorziet daarin.

Ook in vorige boeken als 'Gimmick', 'Vals licht', 'De buitenvrouw' en 'Chaos en rumoer' schilderde Zwagerman die winderige moraal van soapkijkend, beleggend, sensatiebelust en omhooggevallen Nederland. Het is zo langzamerhand zijn spécialité de la maison geworden en kennelijk heeft Nederland grote behoefte aan een dergelijke literaire spiegel, gezien de enorme en onmiddellijke aandacht die de publicatie van 'de nieuwe Zwagerman' overal trekt. Op een ongezochte manier maakt Zwagerman zo zelf ook weer deel uit van de mentaliteit die hij beschrijft.

Neemt niet weg dat alle boeken van Zwagerman de blues hebben. In 'Zes sterren' is dat op het eerste gezicht de C-wegblues. Siem Merkelbach heeft een voorkeur voor ondermaatse vis: het provinciale hotel in plaatsjes als Emmeloord of Winterswijk. Amsterdam mijdt hij als de pest. Daarmee had dit boek ook kunnen worden tot wat het aanvankelijk belooft te zijn, een soort Nederlandse 'On the road'-roman, een kleinsteedse Jack Kerouac. Dat het daar niet echt van komt, heeft ermee te maken dat de provinciale uitjes, al die tochtjes langs C-wegen hotels met stapelbedden en wandtegels, voornamelijk decorstukken zijn: ze krijgen niets autonooms. Ook Justus rijdt na de dood van zijn oom in zijn Saab naar Emmeloord, en met hem rijdt eigenlijk heel Nederland mee. De echte blues is niet het Nederland langs de C-wegen maar het treurige opportunisme van de mens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden