Met de hele familie in één wijk

Jeugdherinneringen worden gekleurd door het huis waar ze zich hebben afgespeeld. Trouw gaat mee naar het huis van de jeugd. Aflevering 5: Jack van Ham, algemeen directeur van de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking Icco, opgegroeid in Breda.

Van achter een wagen vol kermisattracties komt een man aangebeend. Wat wij hier doen en waarom we foto’s maken. Zodra duidelijk is dat we niet van de belasting zijn, krijgen we een glimlach. De man verdwijnt snel in de loods met apparaten waarmee kermisexploitanten het land door trekken. Naast de loods een hek en een paar caravans. In de verte de Stulemeijer-brug, genoemd naar de oprichter van de Hollandse Kunstzijde Industrie.

HKI uit 1919 was een van de grootste fabrieken van Breda. De fabriek stond hier, waar nu een onbestemd terrein is met loodsen en bedrijven. Jack van Ham wijst. Daar ergens achter de loods was de Meesterstraat waar hij in 1951 geboren is. Tuinwijk noemt hij het, zes straten die tegen de HKI-fabriek aan lagen, begin jaren twintig gebouwd voor de arbeiders. Een wijk zoals in die tijd vaker werd aangelegd in opdracht van een fabrieksdirecteur. Eindhoven had een wijk voor medewerkers van Philips, Delfzijl had ook zo’n wijk. Jack van Ham: „Mijn vader kon om vijf voor half acht de deur uitgaan en om even over half acht aan het werk zijn. Nooit gehoord van files.”

De wijk in Breda-Noord stond ook bekend als de Viscosewijk of de Gildewijk. Zes straatjes waren het met 132 woningen, maar Jack kan zich alleen de Meesterstraat herinneren, waar hun huis stond. Het nummer weet hij niet meer. „Zeven? Nee, dat is weer een andere associatie.”

Zijn ouders hadden elkaar in de fabriek leren kennen, eind jaren veertig. Zijn moeder woonde met haar ouders in de Tuinwijk. Haar vader, Jacks grootvader, was hoofd van de beveiliging. Zelf werkte ze als kwaliteitscontroleur. Tenminste, zo zou haar baan nu heten, denkt Jack. Ze moest controleren of er in de kunstzijde draden geen knoopjes zaten. Het huwelijk betekende voor zijn moeder ontslag, zo ging dat in die tijd. Tot zijn vijfde woonde hij in de Meesterstraat. Van het huis kan hij zich niet veel herinneren. Wel dat er gemeenschappelijke schuurtjes waren.

Zijn grootmoeder paste op, al gingen ze ook naar de peuteropvang van de begijnen, op het Begijnhof. Boodschappen werden in de wijkwinkel gedaan, die ook van HKI was. Alle collega’s woonden in de wijk, onder wie ook zijn ooms, de echtgenoten van de zussen van zijn moeder. „Het was de tijd dat er een andere verhouding was tussen werkgevers en werknemers.” In de wijk lag ook een volkstuinencomplex. „We aten dus biologisch-dynamisch, al heette dat nog niet zo.”

Eigenlijk was het leven toen zoals het nu, volgens moderne milieu-inzichten, zou moeten zijn, analyseert Jack. Hij somt op: „Wonen en werken dicht bij elkaar, dus geen vervuiling door files. Volkstuinen, dus gezond eten en kinderopvang in de vorm van het driegeneratiegezin.”

Wat hebben we tussendoor toch een hoop overhoop gehaald, om vervolgens weer te willen terugkeren naar hoe het toen was, mijmert hij.

Maar zijn moeder wilde weg uit de wijk, ze vond het benauwend. Iedereen zag alles van elkaar, collega’s waren ook buren en in de winkels kwam je de vrouwen van collega’s van je man tegen. „Mijn moeder was van de vooruitgang, ze wilde niet lang in dezelfde omgeving blijven hangen.”

In 1956 werd in Breda een nieuwe wijk gebouwd, met vierverdiepingenflats, een eigen winkelcentrum en met huizen met een tuin. De flats hadden vijf kamers en kostten 60 tot 70 gulden huur per maand. De eengezinswoningen waren te koop voor 13.000 gulden.

Het werd een flat, want de rijtjeshuizen waren te duur. De flat eigenlijk ook, grinnikt Jack. Zijn ouders ruzieden over de vraag of het niet een stap te ver was. „Mijn vader had uitgerekend dat ze twee gulden per maand te kort kwamen, met die huur. Maar mijn moeder zei dat ze ging verhuizen, wat er ook gebeurde. En zij was de baas, al dacht mijn vader natuurlijk dat hij het was. Zo ging dat toch in die tijd?”

Toen Jack vijf was verhuisden ze van de Tuinwijk naar de Jadestraat 42 C. „Ik herinner me vooral dat ik het fijn vond om zoveel eigen ruimte te hebben, dus ik denk dat mijn zus en ik in de Meesterstraat een kamer deelden. En het huisje in de Meesterstraat moet klein en benauwd zijn geweest, want ik weet nog dat ik het op de Jadestraat zo overzichtelijk vond. Een gang in het midden en alle kamers eromheen.”

De flats staan er nog. „Pas merkte ik dat ik ervoor stond. Zomaar naartoe gereden,” bekent Jack. Hij kijkt naar boven, naar de flat waar zij woonden. „Gek, als je ervoor staat is het net alsof je zo door kan lopen en er binnen kan gaan.”

De betonnen balkons zijn vervangen, net als de kozijnen, die nu van kunststof zijn. En waar eerder buitenkasten waren voor kolen en aardappelen, zijn nu kunststofplaten, donkerrood.

„Het hele complex werd verwarmd met kolen.” Nog zijn de schoorstenen te zien, met die kenmerkende kappen uit de jaren vijftig, van een paar cementen onderdelen boven op elkaar.

De flats waren nieuw toen de familie Van Ham erin trok. Jack wijst aan: op de eerste verdieping woonde een gezin waarvan de man uit Indonesië kwam, op de verdieping daarboven een geheel Indonesisch gezin en de woonlaag daarboven een gezin waarvan de vader uit Iran kwam. „Dat was toen heel bijzonder.”

Jack en zijn Indonesische buurjongen werden vrienden, ze kwamen bij elkaar over de vloer.

Ondanks die twee gulden per maand tekort, kwamen er al gauw twee nieuwigheden: en wasmachine met een swingtrommel en een wringer, en een auto. „Een Hillman Imp en mijn moeder kocht die. Zij had haar rijbewijs. Mijn vader had in de oorlog een oog verloren, waardoor hij niet goed diepte kon zien.”

Zijn moeder ging ook weer werken, nu bij V & D. Oma paste op.

Vanuit de woonkamer van zijn ouders was de Michaëlskerk te zien, ook in die tijd gebouwd. ’De fabriek’ heette die kerk, met een merkwaardige losstaande klokketoren ernaast. Het was de tijd van de secularisatie. De ouders van Jack gingen niet meer, maar vonden dat hun zoon en dochter wel naar de kerk moesten. „Vanuit het raam controleerden ze of we wel de zij-ingang binnengingen. Ze zagen niet dat we door de hoofdingang de kerk weer verlieten.” Vlakbij de kerk is nog altijd de sporthal. Het handballen was stukken leuker dan de viering.

Toen Jack vijftien was, deelde hij zijn ouders mee dat hij niet meer ging. Zij niet, dan hij ook niet.

Twee jaar later ging hij werken als elektricien. „Al mijn vriendjes deden zoiets als de technische school.” Daarna volgde er voor Jack nog vijfentwintig jaar avondstudie aan allerlei instellingen, van de sociale academie tot Nijenrode.

Op zijn tweeëntwintigste verliet hij de Jadestraat om te trouwen.

De Hollandse Kunstzijde Industrie bestaat inmiddels niet meer. Deze ging over in de AKU, de algemene Kunstzijdeunie uit Arnhem, die later de naam Enka kreeg. Enka is daarna opgegaan in Akzo.

In 1970 kwamen plannen om de fabriek in Breda te sluiten, in 1982 is dat daadwerkelijk gebeurd. De vader van Jack ging op zijn zevenenvijftigste noodgedwongen met vervroegd pensioen. De Tuinwijk werd afgebroken in 1973.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden